David 3 maanden later – David vertrekt 15


Dit weekend, 27 juni, is het 12 weken geleden dat David overleed. Waarschijnlijk rond 06.30 uur. In elk geval in zijn slaap. Zijn dood was de ‘domme pech’ van een diabeet – vertelde de diabetesspecialist in het Radboud, Nijmegen. Bijna drie maanden lang heb ik me afgevraagd wat dat nou eigenlijk betekent als je je kind verliest. Hoe voelt dat? Wat is rouw nou eigenlijk? Waarom huil ik weken niet en dan ineens wel? Ik heb er 14 blogs aan gewijd: persoonlijke bespiegelingen om op de een of andere manier vat te krijgen op Davids dood. Schrijven werkt therapeutisch.

De afgelopen maanden is David geen seconde uit onze gedachten geweest: hij is er niet meer – kut – hij komt nooit meer – dubbel kut – hij is voortaan herinnering, er komt nooit meer een nieuwe herinnering bij – helemaal kut. Achteraf vind ik dat een weliswaar noodzakelijke maar ook instrumentele manier van denken. Ongeveer twee weken geleden kwam ik op een punt waar ik me op een andere, fundamenteler, niveau bewust werd van Davids dood.

Deze foto stuurde Stef Kreymborg mij toe: 'Deze foto maakte ik van een muur die bij ons werd neergehaald. Ik moest daarbij denken dat dit is hoe jij je misschien voelt.' Die neergehaalde muur is voor mij van een dubbele symboliek.

Deze foto stuurde Stef Kreymborg mij toe: ‘Deze foto maakte ik van een muur die bij ons werd neergehaald. Ik moest daarbij denken dat dit is hoe jij je misschien voelt.’ Die neergehaalde muur is voor mij van een dubbele symboliek.fundamenteler, manier bewust werd van Davids dood.

Ineens waren er tientallen navelstrengen zichtbaar en voelbaar die mij verbinden met mijn overleden kind. Verdriet ervaren langs die verbindingen is van een andere orde dan verdriet voelen bij het schrijven van een blog. Hoe persoonlijk die ook is.

‘Als je een kind krijgt, kom je er nooit meer vanaf’ – je kent dat ‘tegeltje’ wel. Natuurlijk is dat zo. Maar hoe zit het als je kind plotseling dood is? Het kind dat mede uit jou voortkomt en waarmee je opgroeit, ontwikkelt zich ook verder in jou. Het wordt een organisch deel van jezelf. Je deelt er ervaringen mee die telkens een volgende bouwsteen blijken voor verdergroeien. Naarmate je kind ouder wordt, verandert ook de manier waarop je het leven met elkaar deelt.

Als David, toen hij een klein kind was van een jaar of acht, ergens verdriet om had kon ik hem makkelijk troosten en het bij hem laten omdat het ‘klein’ verdriet was. Als hij blij was om iets, kon ik blij zijn om zijn geluk – en verder gaan met mijn leven. Als ik boos op hem was, was dat een functioneel, corrigerend boos zijn.
Toen David als gewonde, gekwetste puber in ons leven (terug) kwam, lag dat intussen anders. Als hij verdriet had, voelde ik dat diep van binnen met hem mee. Zocht oplossingen. Lag er wakker van. Als hij gelukkig was om iets – was ik blij voor hem en gunde hem ook dat geluk met hart en ziel. Hij had het dubbel en dwars verdiend. Als ik in die tijd boos op hem was, was dat een boosheid die om zoveel meer ging: de zorgen die ik me maakte om hem, de angst hem niet te kunnen bereiken in zijn dwarsheid, de hopeloosheid geen grip op hem te hebben.
Toen David in Amsterdam ging wonen stond ik duizend angsten uit. Waarvan de belangrijkste was of hij wel goed met zijn diabetes zou omgaan.

In de lessen copywriting die ik geef, vertel ik altijd over de vier ‘motivaties’ of ‘drijfveren’ waaruit iemand handelt, te motiveren is tot het kopen van een product. Maar die zonder meer ook van toepassing zijn op bijvoorbeeld de relatie kind-ouder:
* hebberigheid
* exclusiviteit
* schuld
* angst.

Het zijn niet de positiefste eigenschappen die iemand kan hebben, maar ze zijn zo fundamenteel als Maslovs sex, eten en een dak boven je hoofd. Ze maken duidelijk dat alles wat dierbaar is, tegelijk kwetsbaar is. Die kwetsbaarheid van je kind is jouw kwetsbaarheid en wat je als ouder voortdurend met je meedraagt. Alle vier de ‘motivaties’ zijn de drijfveren om je kind te willen behouden, te omringen met zorg en bezorgdheden, met liefde en bescherming. Zolang je kind leeft, besef je dat nauwelijks. Behalve dan dat je te pas en te onpas merkt dat je er niet zonder kunt.

Kamagurka leert David vliegen

Kamagurka leert David vliegen

David is dood en beetje bij beetje mag ik ontdekken wat dat betekent. Want niet ik bepaal wat ik denk, ervaar of voel. Het zijn mijn lichaam en geest die in een subtiele pas-de-deux passen zetten in de tijd, accenten leggen, ruimte maken, mij optillen, een stuk verder dragen en weer neerzetten. Op sommige momenten draaien ze de pirouettes van mijn leven voor me af, stoppen plotseling en wijzen me situaties, verbanden in relatie tot David. Ze openen mijn ogen en vergroten het besef en het ervaren. En nu, na een maand of drie, staan ze mij toe op een dieper niveau te ervaren wat Davids dood werkelijk betekent.
Het besef van het ontbreken van de dagelijkse routine met David voel ik nu tot diep in mijn botten. Het ontbreken van de vanzelfsprekendheid van zijn aanwezigheid – zelfs op afstand – is als de hardhandige amputatie van een orgaan. Het besef dat hij nooit, maar dan ook nooit meer fysiek aanwezig zal zijn, echoot door mijn lijf en veroorzaakt pijn op allerlei manieren. Foto’s van David, waar ik de afgelopen maanden naar keek, meestal verdrietig dan weer met blijdschap om de herinnering die ze oproepen, kan ik niet meer zien zonder intense pijn. Als ik nu die foto’s bekijk, is het of ik voorbij de afbeelding staar in een enorme leegte. Een leegte die zich ook diep in mij manifesteert. Als de Noordzee van Harold Schouten:

'Noordzee' - gekregen van Harold met wie ik een mooie dubbeltentoonstelling had over water. Dit schilderij is de eerste uit een nieuwe serie. Hij werkte hieraan tijdens de opening van onze expositie en tijdens Davids overlijden. Harold vond dat het schilderij een plaats bij mij moest krijgen. Eeuwig dankbaar.

‘Noordzee’ – gekregen van Harold Schouten met wie ik een mooie dubbeltentoonstelling had over water. Dit schilderij is de eerste uit een nieuwe serie. Hij werkte hieraan tijdens de opening van onze expositie en tijdens Davids overlijden. Harold vond dat het schilderij een plaats bij mij moest krijgen. Eeuwig dankbaar.

Het is ook de leegte die er steeds is bij de vragen die ik mij stel waarop ik nooit het antwoord zal krijgen:
– heeft David zijn dood ‘ergens’ voorvoeld? (ik denk dat wel, bewijs is er uiteraard niet)
– als hij niet op die fatale ochtend was overleden, was het dan wellicht een paar weken later gebeurd? (leven met de dood op je hielen)
– een week later zou David het weekend weer hier doorbrengen; stel dat het toen was gebeurd en Daniël was nietsvermoedend ‘s ochtends vroeg bij hem binnengelopen – wat dan? (ik moet er niet aan denken).

Dus dat is het. Het verlies van mijn kind boort zich een plaats in mijn lichaam en ziel. Het holt de kamers uit die hij en ik samen bouwden en vulden met gedeelde ervaringen, met geluk en verdriet, met schuld, exclusiviteit, hebberigheid en angst. Vooral dat laatste. Ik leg witte lakens over de laatste meubelen. Hier is eeuwige schemering, ongeveer zoals in de prachtige werken van Wiel Wiersma, waar de wind traag de vitrages voor de vensters beweegt en het zonlicht verlegen binnenkomt.
Alleen de wind weet
die wij waren, waar en wanneer’.

Een van de wonderschone kamers van Wiel Wiersma

Een van de wonderschone kamers van Wiel Wiersma

David en Sophie – David vertrekt (14)


Bijna dagelijks spreken vrienden en bekenden mij aan over het verlies van David. Zonder uitzondering lief bedoeld. Maar al snel staan we woordloos tegenover elkaar. “Tja, het is niet anders.” en “Je krijgt hem er niet mee terug.” en “Nou, sterkte.”  Ook krijg ik reacties op deze blogs. Mensen, bekenden en onbekenden, zijn geraakt door de teksten, putten er hoop uit – schrijven ze. Op een dag krijg ik een mail van een Miranda van der Meer.

Ze heeft een van de blogs over David gelezen en reageert in een opwelling. Niet zonder reden: in 2011 is haar dochter Sophie overleden. 11 jaar oud. Lid van dezelfde hockeyclub in Naarden als waar David vanaf zijn achtste speelde. “Het komt echt goed,” schrijft ze. Haar woorden voelen anders aan. Hier klinkt een  lotgenoot.

“Misschien heb je indertijd gehoord over Sophie,” veronderstelt ze. Nee, dat heb ik niet. Maar nu wil ik niets liever dan wel horen over Sophie. En vooral over het pad dat Miranda na haar overlijden heeft afgelegd. Ik mail terug met een paar vragen, niet wetend of ze daar wel prijs op stelt. Al snel krijg ik antwoord. Zeker wil ze antwoorden:

“Woorden schieten letterlijk te kort, ze dekken de lading niet. Ik weet nog dat ik, in de periode dat Sophie ziek was, het woord ‘sterkte’ niet kon verdragen. “Hoe durven ze, dacht ik dan. ‘Sterkte’ zeg je tegen iemand met een griepje of een gebroken been. Dit meisje van 11 weet dat ze dood gaat”. Inmiddels ben ik wat milder daarin. Gelukkig, want het is natuurlijk verspilde energie om je ook nog te moeten ergeren aan de omgeving. (-)”
“Nu zou ik graag haar hele verhaal opschrijven maar zie er ook tegenop. Een opkomende herinnering kan nog steeds zo pijnlijk zijn dat ik daar uren door van slag ben, en ik heb nog 2 dochters om voor te zorgen. Dat is wat mij doet doorgaan, Sophie’s zusjes. Myrthe is nu 12 en Nienke bijna 5. Sophie zelf wil overigens ook niet dat ik het bijltje erbij neerleg. Ze heeft letterlijk gezegd, “En jullie dan? Voor jullie is het natuurlijk ook niet leuk, ik wil dat jullie blij zijn.” Ik weet zeker dat jouw prachtige zoon dat ook wil.”
“Na de diagnose heeft Sophie nog 9 weken geleefd. Gemiddelde verwachting met deze diagnose is 9 maanden, overlevingskans 0%. Sophie heeft er lang mee doorgelopen, weet ik nu. Ze heeft de ravage die in haar hoofd werd aangericht, gecompenseerd met spierkracht. Daardoor kreeg ze een knieblessure.P1010914
Ze mocht daarna 6 weken niet hockeyen en vond het vreselijk dat ze daardoor niet in het lijnteam werd geplaatst. Als we toen eens wisten…(-) Het ontvouwde zich op een angstaanjagende manier. Ze viel van haar fiets, praatte langzaam, klaagde over dubbel zien en zag er zo moe uit. Ons stoere sterke meisje. Ik maakte me steeds meer zorgen.
Toen haar juf over haar handschrift begon, moesten we het onder ogen zien. Mijn man werkt zelf in het AVL dus we konden daar snel terecht. Martin haalde Sophie tussen de middag uit school voor een MRI bij het AVL. Ik bleef bij Myrthe, toen 9 En Nienke, toen 1. Einde van de middag hoorde Martin dat Soof dood zou gaan binnen 9 maanden. Nog steeds moeilijk om de naam van mijn kind in 1 zin te plaatsen met het woord ‘dood’. (-)”

Het slechtst voel ik me in grote groepen. Ik hoef dan ook niet meer naar kerstborrels van mezelf. Het oppervlakkige, schreeuwerige – doodongelukkig voel ik me daarbij. Ik heb een klein veilig kringetje om me heen. Eerder heb ik geen contact met lotgenoten gezocht, ik voel dat ik het op mijn eigen manier moet doen. Gelukkig heb ik veel steun aan mijn man Martin, wetend dat hij haar net zoveel mist en ook dat beeld heeft van Sophie in een ziekenhuisbed, stervende, niets dat we konden doen. (-)”

“Ik heb veel nagedacht over die ‘acceptatie’ en waarom ik dat niet wil. Dat zit hem mij volgens mij ook weer in het woord. Ik erken dat mijn dochter is overleden, in tegenstelling tot ontken. Met ontkenning kom je, denk ik, niet verder. ‘Accepteren’ heeft voor mij de associatie met goedkeuren, het ermee eens zijn, en dat doe ik niet. Misschien. Ik weet het inderdaad ook niet. Sophie volgt haar eigen pad.(-)”

De pijn van het zien van, in jouw geval, vaders en zonen, ken ik. Dat wordt echt beter, lijkt een soort gewenning in nieuwe situatie of zo.” (-) “Je gaat je echt wel weer beter voelen hoewel je dat nu niet kunt geloven. Voor altijd anders dan voorheen, maar niet voor altijd zo ellendig als nu.”

Ik schrijf haar terug dat ik dat ook wel geloof:  “Ik wil het alleen allemaal zo bewust mogelijk doormaken. Er zijn ook wel momenten waarbij ik me afvraag waarom ik even niet aan het rouwen ben. Rare vraag natuurlijk. Nouja, het leven is raar.
Dan reageert Miranda: “Waarschijnlijk omdat rouwen idd hard werken is en je dus pauzes nodig hebt, daarbij helpt het een tunnelvisie te voorkomen en wellicht grijpt David af en toe in omdat hij je wil zien leven.”

Tekst geschreven vanuit drie jaar overleven ‘Min 1′. Natuurlijk slijt van alles. Natuurlijk helpt het als er genoeg is om verder voor te leven – je beide dochters, ik mijn 9-jarige Daniël, Daniëlle – je partner, je vriendenkring.

De dood van je kind brengt je op een immaterieel niveau. Waar oppervlakkigheid onbelangrijk is. Ondraaglijk. Waar carrière, auto, superhuis, vakanties niet of nauwelijks tellen. Niet uit verdriet, maar omdat de dood je de essentie van het leven heeft getoond. En de pijn die ondanks alles blijft bestaan: “een opkomende herinnering kan nog steeds zo pijnlijk zijn dat ik daar uren door van slag ben”. Het leest als een waarschuwing. Pas op! Zelfs na drie jaar…

DSC_0882

Het is hard om te beseffen dat je dit soort dingen moet ontdekken via het verlies van het allerdierbaarste.  De werkelijkheid waarin we denken te leven is een illusie: “vorm is leegte” – in feite zijn ‘we’ ongelukkig met onze eigen werkelijkheid omdat die leeg is van de ware werkelijkheid, schrijft de Vipassana – de weg van de Boeddha.

De belangrijkste vorm van Wijsheid is: “de wijsheid die berust op de directe ervaring“. Het is de onafhankelijkste ervaring die je alleen beleeft in jezelf. Volgens de Vipassana betekent ‘zien': het observeren van de waarheid binnen onszelf.

Miranda is nu drie jaar verder op haar pad van wijsheid. Haar verhaal is dat van de herkenning, van het leren ‘zien’. Onze ‘wijsheid’ stoelt op de directe ervaring van het verlies van het allerdierbaarste.

We zoeken woorden omdat woorden en begrijpen in het normale bestaan elkaars DNA zijn. Maar nu ontdekken we dat voorbij de dood geen taal bestaat. Het is dezelfde ontdekking die ook doorklinkt in de Vipassana: op het moment dat de Verlichte de wijsheid ‘ziet’, alles heeft losgelaten, ontdekt hij dat die wijsheid zich bevindt voorbij de taal. Wijsheid is een diepdoorleefd ervaren vol onbaatzuchtigheid.  Vanuit het “doorvoelde besef dat het zelf (en de wereld) van voorbijgaande aard is”. In zekere zin bevind ik me in het ‘diepdoorleefde ervaren’ – maar nog niet genoeg. Ik wil me nog vasthouden aan wat was, terughalen en koesteren; ik wil het woord gebruiken om van dat ervaren verslag te doen. Voor mezelf en voor wie het interesseert. Tegelijk weet ik dat elk woord zich niet verhoudt tot de directe ervaring van Davids dood – daar waar wijsheid voor mij in het verschiet ligt.

Het is een wond die blijkbaar ook na drie jaar nog open ligt – al is het dan mogelijk om er iets meer afstand van te nemen. Tussen de regels lees ik dat in het verslag van Miranda. Die overigens momenteel in Nieuw Zeeland verblijft voor een jaar. En die overigens in haar studietijd lid was van het vrouwendispuut van LANX, dezelfde vereniging waar dispuut Borgia bij hoort. Davids dispuut. “Omdat daar de leukste jongens bij zaten.’
In een andere mail vertelt Miranda over de steun die ze krijgt van haar man – een arts, stabiel, enigszins gesloten, die gewend is met leven en dood om te gaan. Maar dan, bijna in een adem ,vertelt ze: ‘Martin had laatst orka’s gezien toen hij met Nienke naar het strand was gefietst. Dat is wat hem helpt, de natuur, maar geloof ik ook teleurstelling omdat hij had gehoopt daarin meer van Sophie te zien/ voelen.’ 

Zo gaat dat dus. Je overleeft drie jaar het vertrek van je kind. Je hebt je werk. Je gezin. Je familie. Je gaat een jaar letterlijk naar de andere kant van de wereld voor je werk. De andere kant van de wereld, die nog altijd niet ver genoeg verwijderd is van die fatale gebeurtenis die zich in je gesloten ziel etste. Zelfs een orka verandert daar niets aan.

Maar“, schrijft Miranda in een volgende mail, “de orka’s brachten ook een geluksmoment. Dat komt uiteindelijk weer en het gemis voelt minder fysiek, wanhopig en misselijk makend. Misschien passen we onze verwachtingen aan en kunnen we beter domweg vertrouwen op Sophie’s aanwezigheid in plaats daarvoor bewijzen te willen.”

Zo zit dat dus. Blijkbaar. Na verloop van tijd verdwijnt het fysieke rouwen en is er plaats voor ‘geluksmomenten’. Tegelijkertijd blijf je hopen op de aanwezigheid van je overleden kind. Of stel je jezelf ermee gerust. En dat is begrijpelijk. Want je kind, levend, desnoods buiten je blikveld en je eigen leven, of dood blijft levenslang jouw kind. Ik vertrouw op Davids aanwezigheid.

 

David en het gestolen woord – David vertrekt (13)


Misschien moet ik niet zo kleinzielig zijn. En mensen in hun waarde laten. Natuurlijk is het verkeerd om verschillende soorten ‘leed’ met elkaar te vergelijken. Dat wil ik ook niet. Maar nu doe ik het toch, er is geen ontkomen aan. Want ik erger me kapot. 

Vanavond was op het Nieuws – ongeveer de eerste keer in 9 weken dat ik ernaar keek – een item over werkgelegenheid voor 50+. Die categorie komt vanuit werkloosheid nauwelijks meer aan de slag. Triest natuurlijk. Een mevrouw vertelde dat ze al 90 sollicitaties had gedaan en niet een keer was opgeroepen. Dat voelt behoorlijk klote. Die plicht om, vaak tegen beter weten in, te moeten solliciteren is voor veel mensen ondoenlijk en vernederend. Maar je kunt je ertegen wapenen. Zo niet deze mevrouw. Die kon er maar slecht tegen. “Je komt toch in een rouwproces,” zei ze. Rouwproces? Rouwproces? – dacht ik. Flikker op. Je weet niet waarover je het hebt.

Taal is een merkwaardig fenomeen. We hebben woorden die specifiek zijn bedoeld voor specifieke situaties, handelingen, gevoelens. Maar op de onderstroom van de maatschappij die voortdurend verandert, wijzigt vaak ook de kracht en de waarde van sommige woorden. Een bijzonder voorbeeld vind ik het woord ‘bizar’. Het is de laatste jaren meer en meer gebruikelijk om dit nogal krachtige begrip te gebruiken voor situaties die allerminst ‘bizar’ zijn, maar hooguit merkwaardig. Of raar. Of opmerkelijk. Maar nee, tegenwoordig is ‘bizar’ het woord voor al die begrippen. Dat is pas bizar. Ik kan daar slecht tegen. Je ontneemt een schitterend woord zijn helderste betekenis en toepassing. Het verslonst, verluiert, ver-Jan Saliet.

Wat ‘rouwen’ en ‘rouwproces’ aangaat, bekruipt me hetzelfde gevoel. Waar ik als ‘rechthebbende’ bij uitstek dagelijks worstel met het inhoud geven aan mijn rouwen en mijn rouwproces, kaapt iemand die geen werk kan vinden en zich daardoor ellendig voelt, dat woord van mij weg. Zo voelt dat. Kutzooi. Rouwen gaat over het verwerken van verlies waarom je niet hebt gevraagd, het verlies van leven. In mijn geval van het dierbaarste leven denkbaar: van je eigen kind.
Rouwen is een naar woord. Evenals rouwverwerking, rouwarbeid, rouwrandjes, rouwkleren. Rouwen is een zwaar woord, zwart als de nacht en de dood zelf. Rouwen is het moeilijkste wat er is. Omdat het niet te vatten is. Omdat er sowieso voor de dood van een geliefde geen woorden bestaan: na de dood bestaat geen taal tenzij poëzie – moeizaam vehikel.

Wat er nu gebeurt is dat dit ingewikkelde, beladen en onmogelijke woord, wordt toegepast bij een situatie die van een totaal andere orde is. Die helemaal niet gaat over het ‘leven Min 1′, maar over het niet meer hebben van een tijdsbesteding waarvoor je wordt betaald, een tijdsbesteding die  jouw eigenwaarden opkrikt. Vanuit ‘mijn’ rouw bezien is dat zo oppervlakkig als je maar kunt bedenken. Onterecht ook. Bizar eigenlijk – zou je bijna zeggen.

Kan ik het die mevrouw kwalijk nemen? Ik weet het niet. Denk eigenlijk van niet. Weet zij veel. ‘Zalig zijn de onwetenden’ – zoiets. Maar het ergert me omdat er niemand is die er wat van zegt. Omdat mensen zelf ook te lui zijn om zich af te vragen of het woord, het begrip dat zij gebruiken wel in deze omstandigheid op zijn plaats is. Het is eerder andersom. Ik verdenk sommige mensen ervan zich met een zeker genoegen zo’n zwaar woord aan te meten om de hulpeloosheid van hun situatie een etiket te geven. Een erkenning, een diagnose die de triestheid van hun situatie bevestigt. Maar die zo onterecht is. Ik weet het. Ik wind me op uit onmacht. Ik wind me op omdat ik dagelijks bezig ben met mijn ‘leven Min 1′ zin te geven. Er de woorden voor te vinden, de emoties ook om mijn verlies te verwerken. Het is inderdaad rouwarbeid. Het is hard werken. Niet 24 uur per dag bij mijn dagelijkse gang van zaken, maar wel 24 uur in de schaduw van diezelfde dag.

DSC_0960

Ik heb er een nieuwe vriend bij en hij heet Rouw. Hij zal nooit mijn beste vriend worden. Eigenlijk haat ik hem. Maar ik kan ook niet zonder hem. Al weet ik vaak niet hoe hij er precies uitziet in zijn vele gedaantes en gewaarwordingen. Rouw is puur, soms keihard en grof, dan weer slijmend en meevoelend. Empatisch desnoods. Rouw vertrouwt mij toe dat hij er ook de pest over in heeft dat hij als begrip wordt ingezet in situaties die helemaal niks met hem te maken hebben. Ik leg hem uit hoe taal kan veranderen. Hoe we langzamerhand in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin we materiële tegenslagen ervaren als het Grootste Leed dat ons kan overkomen. Om dat te compenseren kiezen we Grote Woorden die ons Leed erkennen en legitimeren. Maar materie is helemaal niks waard als het gaat om echt geluk en echte tevredenheid. Die ontstaan door heel andere oorzaken. Bijvoorbeeld door de zekerheid dat allen die je dierbaar zijn midden in het leven staan. En de basis vormen van jou leven. De enige bijl die de wortels van dat geluk bedreigt, is geen andere dan de dood.

Misschien is dat wel de kern van het rouwen. Het is het besef hoe kwetsbaar het ware geluk is. Het is het besef dat het een eer is om het ware geluk te mogen kennen. Maar nooit te bezitten – de enige die het leven bezit is de dood. Het is het wrange besef dat je dat blijkbaar alleen kunt ervaren met terugwerkende kracht. Dat is pas bizar.

David min David – David vertrekt (12)


Min 1 – dat is dus zoals het vanaf nu is. Meer en meer beseffen we dat bij alles wat we doen David er is in het niet zijn. Niet meer, nooit meer – voor altijd niet David die je even belt, die je even mist omdat je weet dat hij er straks wel weer zal zijn, die altijd op de achtergrond aanwezig is – aan het werk, op zijn dispuut, thuis met Philip op de bank een pot Fifa spelend. In een vorige blog heb ik daar uitgebreider over geschreven. Intussen een tijdje later blijkt er een extra besef bijgegroeid.

Omdat onze geest niet of nauwelijks accepteert dat het met ons gestorven kind ‘nooit meer – voor altijd niet’ is, kan hij maar een ding bedenken: David Min Een. Mogelijk in een poging ons leed te verzachten – ik weet het niet, zo goed ken ik mijn geest eigenlijk niet. Het principe van Min 1 is even simpel als onontkoombaar: het is het telkens terugkerende besef dat bij alles wat ik doe of meemaak het altijd zonder David is. In dat besef, in dat niet aanwezig zijn is hij aanweziger dan ooit. Maar het is een andere aanwezigheid. Eenzijdig en daarom onbevredigd.

Ik zit ademloos te genieten van de prachtige opstelling van William Kentridge in Eye, nota bene onder de titel ‘If we ever get to heaven’. Zelden zoiets overweldigends meegemaakt. Voor mij past dit project in het exclusieve rijtje waar bijvoorbeeld ook Einstein on the Beach van Robert Wilson en Philip Glass instaat. De beelden zijn onvergetelijk. De muziek van componist Philip Miller is te mooi voor woorden. Ik geniet zoals niet zo vaak. Tegelijk zit ik daar en voel dat mijn genieten misschien wel intenser is dan anders, maar dat het ook genieten Min 1 is. In plaats op een stoel met vier poten balanceer ik op drie, de vierde is hardhandig verwijderd. Voor mij is een oudere vrouw bezig om alles te filmen. De film gefilmd. Haar beeldschermpje licht hinderlijk op. Het is een bijzondere situatie: het lijkt wel of ze het kunstwerk alleen kan zien door haar cameraatje. Ik erger me er kapot aan. Ten slotte kan ik me niet inhouden en blaf haar toe dat haar camera uitmoet omdat ik er last van heb. Jammer genoeg doet ze het. Ik had me voorbereid op een andere confrontatie. Was er klaar voor. Dan is de voorstelling afgelopen en besef ik dat ik dit spektakel heb gezien zonder er ooit met David over te kunnen praten. Zoals bij alles wat ik doe, beleef, hoor en zie. Het is Min 1. En anders niet.

Vandaag zijn de uitslagen van de schoolexamens bekendgemaakt. Twee neefjes van me zijn ook geslaagd. Ik kan me nog zo goed herinneren hoe het was toen David zijn examen haalde. Na die rare kronkelige weg die hij had afgelegd van gymnasium naar vwo naar havo naar vmbo terug naar havo. Wat waren we trots op hem. We gaven hem het mooiste ‘herendiner’ dat we konden bedenken – en dat alleen overtroffen werd door het herendiner dat we hem voor zijn 21e gaven. De beelden staan in mijn geheugen gegrift. En we hebben de foto’s. Het zijn momenten die bij de mooiste van mijn leven horen. Maar ook daarbij geldt het Min 1, merkte ik vandaag. Want we hebben het meegemaakt, meebeleefd en er ontzettend van genoten – maar nu voelt het aan als een herinnering ‘zonder te delen’. Dit kunnen we nooit meer samen met David herinneren. Nooit meer kunnen we zeggen: “Weet je nog?” Ik heb dit al eerder in een blog beschreven. En zo zal het wel vaker gaan – en voorlopig ook steeds intensiever.

DSC_1041

Het treurige van Min 1 is dat het me zo met mijn neus op de feiten drukt. In twee opzichten: het is het besef dat ik waarschijnlijk heel lang anders, kariger, geniet en het is de telkens terugkerende bevestiging van het ‘nooit meer – voor altijd niet’. Dat is dus Min 1.

Raar genoeg valt ermee te leven. Soms zelfs zo dat ik me ervoor schaam. Dan realiseer ik me bijvoorbeeld dat ik bijna twee weken of misschien zelfs al drie, niet meer heb gehuild. En ik vraag me af of ik me daarover zorgen moet maken. Maakt dat me een slechte vader? Zou het niet zo moeten zijn dat…? En is het zo dat ik David de hele dag door mis of ‘lukt’ het me (alsof het een mentale prestatie is!) om ook delen van de dag te functioneren alsof – eh, ja alsof wat? Zodra ik op dit punt beland in mijn gedachten heb ik direct een Min 1 te pakken. Dat is het lastige, en waarschijnlijk is dat ook rouwen: Min 1 ligt altijd op de loer en houdt me bij de les: David is dood en voor jou is het leven nooit meer hetzelfde.

 

Davids oog – David vertrekt (11)


Op het moment dat ik dit schrijf is het morgen 4 juni: twee maanden geleden dat David overleed. Acht weken. Een te korte tijd om ook maar iets ergens van te vinden. Om ook maar enigszins te kunnen zeggen hoe het voelt, hoe graag ik ook zou willen. Want ik weet het niet. Ik weet niet wat ik zou moeten voelen. Ik weet niet wat ik niet wil voelen. Ik weet niet wat ik wel voel. De dagen beginnen ‘normaal’ te worden. En terwijl dat gebeurt wordt de vraag alleen maar groter en de behoefte aan te begrijpen alleen maar kleiner. ‘Is hij hier?’ vragen we weleens aan elkaar – en we moeten het antwoord schuldig blijven.

Uit noodzaak zijn we geduldig en wachten op het kleinste teken van zijn aanwezigheid vanuit het hiernamaals. Dat ons zelden bereikt. Het is niet anders. We koesteren onze herinneringen en wisselen die uit. ‘Weet je nog die keer dat…?’ Het zijn momenten van troost en hoe langer hoe minder van verdriet. Nee, dat kan ik niet zo zeggen. Het verdriet verandert. Stolt als lava. En af en toe stroomt er nieuw verdriet ons hart binnen. Het duurt lang voor het is uitgegloeid. Laat staan afgekoeld.

Het meest ‘is’ David hier in bepaalde foto’s die wij van hem hebben. Foto’s die onbewust zijn gemaakt als portret. Er is iets bijzonders aan de hand met portretten. Sinds de Vlaamse en Duitse meesters besloten om iemand niet langer van opzij te schilderen maar ‘en face’ en ‘trois quant’ veranderde de relatie met de kijker voorgoed. Vanaf dat moment ontstond er grotere betrokkenheid tussen kijker en het veel levendiger schilderij. Portretkunst is fascinerend. Ik ontdekte dat, wanneer ik een reeks portretten bij elkaar zie, het vooral de ogen zijn die mij naar het portret trekken. Bijna als in het echte leven. De ogen van een portret zijn cruciaal. Als kijker ga je eerst op zoek ga naar de ogen in een portret. Als het goed is vertellen die het verhaal van de geportretteerde. De rest is eigenlijk niet belangrijk. Natuurlijk doet de stijl, het handschrift waarin is geschilderd, veel. Maar eigenlijk is zelfs dat niet-relevant.

Het zijn de ogen die het ‘m doen. Zelfs bij het beroemde zelfportret van Van Gogh: dat hij een verband om zijn hoofd heeft, een muts op, een pijpje rookt en een jas aan – het zal allemaal wel. Maar kijk hoe die ogen gitzwart om aandacht vragen, en krijgen. Of neem de dik opgelegde fascinatie voor vrouwenogen bij Van Dongen. Of het zelfportret van Rembrandt: het licht valt op zijn voorhoofd en tilt de ogen van de Meester uit het verder bijna schetsmatige schilderij. Zo geraffineerd en subtiel dat je er bijna overheen kijkt. Maar dat kan niet. Het is onmogelijk – bij elk van de portretten hieronder of waar dan ook. Die ogen zijn pogingen om de ziel van de geportretteerde te vatten en om mij als kijker daarbij te betrekken.

vandongen-576x345 images-4 DSC_0920
Rembrandt_-_The_Artist's_Son_Titus_-_WGA19171 28333965822823629812 2821191828 2823094730 2829575723

 

Tussen al die portretten vormt dat van David geen uitzondering. Het eerste wat je doet, is kijken naar zijn ogen. Als gauw zie je hoe fascinerend die zijn.
Ja, natuurlijk, dat zeg ik als zijn vader in al mijn verdriet. Maar kijk en ontdek hoe, helemaal volgens het boekje, zijn linker- en rechteroog verschillen en hun eigen functie lijken te hebben. In dit portret is zijn rechteroog voor mij ‘onontkoombaar’. Telkens als ik naar deze foto kijk, valt me op met wat voor blik hij mij aankijkt. Eigenlijk zoals hij nooit keek. We hebben foto’s die daarvoor en daarna zijn genomen en daarop staat David zoals we hem (dachten te) kennen: jongensachtig, slungelig, geconcentreerd in de weer met Daniël, knuffelend met poes Puck. Maar dan is er ineens deze foto, dit portret. Het is een ándere David. Volwassen. Zelfverzekerd. Trots. Met de milde glimlach van iemand die alles gezien heeft.

DSC_0920Kun je van het linkeroog nog zeggen dat het plezier had op het moment dat de foto werd genomen, dat lukt niet bij het rechteroog. Dat onderzoekt. Lijkt dwars door mij heen te kijken. Analyseert. Houdt me in de gaten en houdt me vast. Ik vind het ‘t oog van iemand die zich niet in de luren laat leggen. Samen gaan beide ogen bijna een strijd met elkaar aan, terwijl ze tegelijk een verbond vormen – een twee-eenheid met een gezamenlijk netvlies.

De woensdagavond na Davids overlijden hield zijn hockeyteam een reguliere trainingsavond. Nouja, regulier, dat was het ook weer niet. Ze zouden een foto maken van het team met in hun midden een portret van David. Ter nagedachtenis. Uiteraard ging ik erheen: de afgelopen dagen waren te zwaar geweest met alle georganiseer voor Davids begrafenis, en de nabijheid van zijn vrienden en dispuutgenoten vond en vind ik ongelooflijk heerlijk en inspirerend. Toen ik op het veld kwam, zag ik dat zij dit portret van David bij zich droegen. Ze stelden zich op voor een van de goals met David in hun midden. Ik stond op een afstandje naast de fotograaf. En zelfs toen, of misschien wel, juist toen bleef David vanuit zijn portret aan mij trekken. Vanuit zijn rechteroog. Het ging als een schok door mij heen dat ik zo ontroerd was door dat rechteroog. Ontroerd en getroffen. Voor het eerst.

11050102_10206592422906327_4029671892882438839_n
Ik zou bijna zeggen dat het oog tot mij spreekt. In elk geval heb ik de sterkste band, van alle dingen die ik van David om mij heen heb, met dit portret. Juist omdat het zo niet David is. Het is de andere David. Misschien ook wel de David die wist.
Wie zal het zeggen?
Tegelijk brengt dit me bij een andere constatering en vraag. Namelijk of het zo is dat een foto van iemand die nog leeft een andere inhoud, betekenis, levendigheid bezit dan een foto van iemand die is overleden. In elk geval een andere lading.

Vaak kijken we naar zijn foto’s, niet alleen dit portret, en vragen ons dan hardop af: ‘Is dit wel David?’ Want op vrijwel elke foto die we van hem hebben, is het telkens net niet en net wel de David die wij ons herinneren. The mind plays tricks upon us, inderdaad, daar lijkt het op. Het frustrerende is dat ik onwillekeurig deze redenering ook toepas op het koesteren van de herinneringen die we hebben aan David. Hoe snel zullen ook die een andere vorm en inhoud aannemen en dus telkens net niet en net wel de David zijn die we ons herinneren. Het is een gedachte die ik liever niet heb, maar die onontkoombaar is. Als lava gestolde herinneringen.
Gelukkig heb ik dat ene portret dat zich niet laat stollen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

David en het verzet – David vertrekt (10)


dat je opbelt: ‘alles goed, Pap?’
dat je appt: ‘Daan, hoe laat spreken we af bij de Zara, ik heb een leuke broek gezien.’
dat je ruige spelletjes doet met Bob, ook jouw hond
dat je Daniël vermanend toespreektDSC_0912
dat je met Philip twee dagen werkt aan de sinterklaassurprise voor Daniël
dat je je zorgen maakt over ons
dat je eindelijk groente eet dank zij Jim die voor jullie kookt en van jullie houdt
dat je Daniëlle plaagt met haar psychologie en haar healing
dat je met ons praat over je pubertijd en zegt dat we toch wel strenger hadden mogen zijn
dat ze op je werk van je houden om wie je bent: betrokken, slim, eigenwijs, elegant bot, vrolijk

dat je trots vertelt dat je bent gevraagd voor de lustrumcommissie – je gaat de communicatie doen
dat je vertelt over je werk met een enthousiasme dat we niet van je kennen
dat je vertelt over parkiet Vogel en hoe Philip de dode Vogel in een bootje de Amstel liet afvaren
dat je vertelt over het kattenluik dat Philips broer in de nieuwe boekenkast heeft gemaakt, zodat jullie nu op zoek kunnen naar een poes
dat je praat, lacht, plaagt, baalt – zoals alleen jij dat kan

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

dat je chagrijnig bent omdat je te laag zit met je bloedsuiker
dat je schoenen ‘s ochtends in de gang vertellen
dat je gisteravond laat ben thuisgekomen voor het weekend
dat je in de auto je nieuwste muziek laat horen: ‘deze vind jij ook mooi, Pap’

dat je niet vertelt dat je na die ene afspraak nooit meer op diabetesconsult bent geweest
dat je niet vertelt dat je je zorgen maakt om je diabetes en besluit om de bloedsuikerstanden een week lang gedetailleerd bij te houden (ontdekken we na je overlijden in je opschrijfboekje dat je van Daniël voor sinterklaas kreeg)
dat je altijd sokken hier vandaan meeneemt en in je klerenkast een plastic tas staat, tot de nok toe gevuld met sokken – meestal in enkelvoud
dat je me tijdens een wandeling met Bob vertelt dat je zo ontzettend moe bent

dat je vindt dat je eigenlijk teveel aan je hoofd hebt
dat je niet wilt en niet kunt kiezen tussen al je activiteiten want alles moet
dat je het leven omhelst en daarmee voorbeeld bent voor zoveel mensen

Dat dat allemaal verleden tijd is, ook al noteer ik het in de tegenwoordige tijd – ja voor altijd leraar Nederlands, tekstschrijvertje, je weet het. Het zijn allemaal dingen die wij nog steeds niet kunnen en willen begrijpen. Ze vormen het netwerk van ons verzet tegen jou hier-niet-meer-zijn.

Wij leren dat acceptatie het opgeven van verzet is. We willen het geloven. Graag zelfs. We willen ons IMG_0053daarheen mediteren. Echt. Maar ook echt niet. Het is angst – ik beken. Wat geef ik op als ik me niet meer verzet? Hoor ik je dan bijvoorbeeld nooit meer zeggen: ‘Hoi Pap, alles goed?’
Kan ik mijn verzet opgeven terwijl ik je zo ontzettend mis? Is iemand missen ook een vorm van verzet? Moet ik daarmee stoppen, vriendje? Zo werkt dat toch niet? Zeg dat het zo niet werkt. Geef ‘n teken. Laat Bob flapperen met zijn oren, weet ik veel.

Laatst kreeg ik de fotocollage die tijdens je begrafenis is getoond. Ik kan hem eindeloos afspelen. Genieten van al jouw momenten. De rare bekken die je trekt. Jij met al die meisjes, het ene nog mooier dan het ander, ik ben trots op je. Hoe gretig kan iemand het leven inkijken? Nou zo. Genieten van die foto’s versterkt mijn verzet alleen maar. Hoe kan dit niet meer zijn?  Alles van, met, aan jou is nooit meer. Het is niet te vatten. Alles in ons verzet zich daartegen. En zolang we ons verzetten, kunnen we ook niets accepteren. Moet dat dan? “Accepteer het verzet ook maar gewoon, Han,” schrijft een wijze vriendin.

Het opgeven van verzet betekent acceptatie van ‘wat is’ – en ‘wat is’ gaat over wat ‘is geweest’, namelijk jouw leven. Verzet is per definitie breekbaar. Het buigt niet mee als riet in de wind. Het is star. Houdt voet bij stuk en is daardoor gevoelig voor geweld. Als je, zoals de boeddhisten, gelooft dat alles in beweging is, een proces – dan begrijp je dat verzet het proces tegenhoudt. Als je dat kunt opbrengen, geef je aan niet te hechten aan wereldse emoties. De dingen komen. De dingen gaan.

Ons verzet is onze aardse gehechtheid aan jou, David. We kunnen je (nog) niet loslaten. We kunnen de tekst dat iemands dood niet betekent dat je hem loslaat maar anders leert vasthouden, die tekst kunnen we (nog) niet op zielsniveau uitvoeren. En waar het verzet breekbaar is, zijn wij dat ook. Wij ervaren dat elke dag, elke minuut, elke nacht tussen waken en slapen. We ervaren het in de dagenlange piep in ons oor, in de hoofdpijn die maar niet weggaat, in de voortdurende vermoeidheid, in de pijn in onze spieren, in onze tranen. Het zijn allemaal resultaten van ons verzet. We doen onszelf (dus) pijn, we plegen als het ware zinloos geweld op onszelf. Alleen maar omdat we in stand willen houden wat is opgehouden.

Onmogelijke opgave. Naast alle pijn, die voor een deel te maken heeft met het verzet, wil ik die enorme hoeveelheid verlangen naar wat was omkeren. Ik zet het om in vieren wat is geweest. Genieten van de herinneringen. Blij dat we dat alles hebben meegemaakt. Blij en trots op jou. Op al die momenten die we samen waren, op al die keren dat we er voor elkaar waren, op alles wat jij voor ons hebt gedaan en vooral betekend. Zo wil ik jouw leven bekronen met alles wie en wat jij was. (“Ja, Pap, en weer door.”)

IMG_2018

David en de agenten – 4.4.15, 23.30 u – David vertrekt (9)


Ze stonden er als silhouetten geknipt uit de nacht: twee jonge mannen in politie-uniform compleet met riem waaraan traangas, pistool, walkie talkie. Indrukwekkend door hun donkerblauwe verschijning tegen de zwarte avond. Indrukwekkend door hun serieuze blik. Vastberaden. Een van hen hield een notitieblokje in zijn hand en stelde controlevragen om zeker te weten dat ze aan het juiste adres waren. Ik vroeg wat ze kwamen doen en dacht direct aan David. Het voelde niet goed. Ze wilden binnenkomen want ze hadden een boodschap die je niet aan de deur afhandelt, zeiden ze. 

David was dood vertelden ze toen we binnen aan de tafel zaten: ‘uw zoon is vandaag overleden’. Ik was de twee trappen naar de slaapkamer opgerend om Daniëlle te roepen: “Je moet komen. David is dood.” Had ik het anders kunnen brengen? Na minder dan drie kwartier vertrokken ze. Opdracht volbracht. In drie kwartier tijd waren de politiemannen veranderd van neutrale gezagsdragers tot boodschappers van het slechtst denkbare nieuws. Ze waren aangeslagen, want leeftijdgenoten van David en dan is het overbrengen van zo’n bericht toch anders, zeiden ze. Dat was lief.

Ze waren via de Meldkamer in contact gekomen met  politiebureau Ferdinand Bolstraat, Amsterdam. Die had alle informatie verstrekt: David was rond 18.00 uur door vrienden gevonden in zijn eigen bed, hij was waarschijnlijk eerder op de dag gestorven, zijn lichaam was in beslag genomen, want het is verdacht en vreemd dat een 23-jarige overlijdt. De boodschap sneed door mijn zenuwbanen en verdoofde elke emotie.

Als gevaar recht op je afkomt, zie je het meestal niet. Je merkt het pas op als het te laat is. (Als je het dan nog kunt opmerken.) Je ziet het niet omdat je het niet kent, dus niet herkent. David had de dood niet zien aankomen. Het leven, dát kon hij herkennen als geen ander. Maar de dood, nee, uiteraard had hij geen idee hoe die eruit zag. Ook niet toen hij erdoor in zijn slaap werd overvallen. Het zou zomaar kunnen dat de dood zelf ook geschrokken was van zijn daad. Maar de dood heeft geen moraal.

Ik sloot de deur zacht achter hen en pas op dat moment drong het drama tot ons door. David was al uren dood. Wij hadden deze dag geleefd alsof hij leefde. Wij hadden over hem gepraat zoals zo vaak, ons verheugd op Tweede Paasdag die we bij hem en huisgenoot Philip in de ‘FeBo’ in Amsterdam zouden doorbrengen voor onze eerste Paasbrunch (uiteraard met mierikwortel, ham en ei – hongaarse gewoonte die hij via mij van mijn moeder had geërfd). We hadden erover gesproken hoe fijn het was dat hij de zaterdag ervoor bij de opening van mijn expositie ‘Aan het Water’ was, samen met Daniël.
We… Hij… We… Hij – nooit meer? Wat nooit meer? Hoezo?

CIMG0003

Een week of vier na zijn schitterende begrafenis ontdekten we dat het ons moeite kostte om die eerste week vol emotie, stress, organisatiedrang, terug te halen en vast te houden in al zijn details. We herinnerden ons de agenten en beseften dat zíj de portiers waren naar Davids dood op die 4e april. Zij openden de poort naar die gruwelijke gebeurtenis.  We wilden ze opnieuw spreken en nodigden ze uit om ons te helpen met de reconstructie van die avond.

Het is woensdagmiddag, 20 mei, 15.00 uur. We zitten thuis aan tafel met beide agenten, die we nauwelijks herkennen in het daglicht. Jongens zijn het. De een, die indertijd het woord voerde, heeft geen dienst. In zijn burgerkleren is hij ineens heel gewoon. Hij studeert nog aan de Politie-Academie. Was de 4e april op stage. De ander is nog niet zo lang geleden afgestudeerd aan de P-A. Ook nu doet de stagiair voornamelijk het woord.

Tijdens hun opleiding krijgen ze training met acteurs in het brengen van slecht nieuws, vertelt hij. De avond van de 4e april werken ze voor de tweede keer samen. Rond kwart over elf komt het verzoek van de meldkamer of ze ‘Amsterdam’ willen bellen. Aldus. Ze overleggen of ze deze klus samen oppakken, of dat ze een ervaren collega vragen om de plaats van de stagiair in te nemen. Ze besluiten het als team te doen. Ze vragen informatie op over de bewoners van ons adres. Want je moet wel bij de juiste mensen terechtkomen. Ze besluiten dat de stagiair het woord zal voeren. En stappen in hun auto. Er zijn amper tien minuten verstreken. In de auto nemen ze de gegevens nog een keer door. Ze voelen de spanning toenemen.
“Ja”, zeggen ze, “het was spannend, we wisten niet wie of wat we zouden aantreffen en vooral niet hoe jullie reactie zou worden – het kan van alles zijn, mensen kunnen kalm blijven maar ze kunnen ook bij wijze van spreken met stoelen gaan gooien. Het was maar een korte rit naar uw huis. We belden aan en u deed open. We waren blij dat we u niet uit bed moesten bellen. Het was lastig, moeilijk.”

Ik herinner het me nog. Zoals ze daar stonden. Zoals ik daar stond. Afwachtend, benieuwd maar tegelijk gealarmeerd, want dit is al de derde keer in een paar jaar tijd dat ik op een raar tijdstip met de politie te maken krijg. De eerste keer omdat mijn vader ‘s nachts in gevecht met demonen zijn hele slaapkamer aan diggelen had geslagen, wat voor enig burengerucht had gezorgd. (“Is uw vader wel vaker in-adequaat?” vroeg de politieman door de telefoon.) De tweede keer omdat David op zijn scooter met een vriend achterop ‘s nachts tegen de richting in had gereden en prompt werd geschept door een auto die van rechts kwam. En dan nu de derde keer. Scheepsrecht – niemand heeft me ooit verteld dat de derde keer de dood tot gevolg heeft.

“Hoe vonden jullie onze reactie,” vragen wij. “Gelukkig werden er geen stoelen gesmeten,” antwoordt de stagiair vriendelijk. “Jullie waren kalm. Ik herinner me dat u (hij kijkt Daniëlle aan) emotioneler was dan u (kijkt mij aan, onderzoekend).” Ik voel me geroepen om te vertellen wat er in mij omging. Het was de verdoving van ongeloof. Dat gold voor ons allebei. Hun bezoek, de boodschap die ze brachten was zo verpletterend dat het onmogelijk was om er een emotie aan te verbinden, vertel ik.
Ze knikken. Ze hebben geleerd dat dat kan gebeuren. “We vinden dat jullie het heel erg goed gedaan hebben, die avond,” zeg ik. “Jullie bleven kalm, je nam je tijd.” Ik zeg niet erbij dat zij tegelijk voor altijd het keerpunt in ons bestaan blijven. Ik voel tranen achter mijn ogen branden.  4 april, 23.30 uur komt weer levendig terug. Maar vanuit een ander besef. We kunnen Davids dood nu niet meer ontkennen, zoals we die eerste momenten wel deden. Dit is de realiteit. En we hebben er zelf om gevraagd.

We vertellen over de begrafenis. Over de kist met David in de dispuutskelder aan de Oude Zijds, over de tocht door de grachten en de Amstel naar Zorgvlied met 7 boten. We laten ze de rouwkaart zien en de dankkaart. Aandachtig lezen ze de tekst. Voor het eerst zien ze een foto van David. Ze kijken er lang naar.  Ze zien een leeftijdgenoot met een brede grijns op zijn gezicht – midden in het leven.
Ze luisteren naar ons verhaal. Aandachtig. Ze stellen geen vragen. Wat moeten ze ook vragen? Wat we aan elkaar vertellen zijn antwoorden op niet-gestelde vragen.
“Hoe voelde het na afloop? Toen jullie weer terugreden?” vraagt Daniëlle. “We waren opgelucht. Het was meegevallen. De spanning viel van ons af.” Terug op Bureau Naarden waren ze direct aan de slag gegaan om een team te formeren dat naar Davids moeder zou gaan. Ze besloten dat in elk geval een vrouwelijke collega mee moest. Zelf bleven ze op het bureau. Hun chef ving ze op, haalde koffie en liet ze hun verhaal vertellen.
“Dat was de nazorg?” wil Daniëlle weten. “Ja, dat was het,” zeggen ze.
Zo kan dat dus gaan. Ze lijken er niet mee te zitten. Wij wel want wij interpreteren vanuit onze eigen situatie. Ik herinner me een prachtige reclamecampagne van lang geleden met de kopregel: “Is er koffie na de dood?”

Dan zijn we klaar. Zij zijn – opnieuw – opgelucht. We nemen afscheid als goede vrienden en blijven aangeslagen achter. De dagen daarna vallen we terug in de emotie van toen. Dit was geen vrijblijvend gesprek. Het was te essentieel. Het ging over teveel. Nu pas beseffen we wat we die 4 april, 23.30 uur hebben gehoord. Er valt niets meer te ontkennen. David is dood. Definitief. Ik kan die agenten helemaal niks kwalijk nemen.

1518020_1386295468367642_983730895440094195_n

David Travolta

 

 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 545 andere volgers