David en de blowbelofte – David vertrekt (21)


Beloofd is beloofd. Desnoods postuum. Ineens raakt een grote zachte vuist me keihard in mijn maag. Onzichtbare snelbinders trekken me diep in mijn opvouwbare tuinstoel. Ik kan voorlopig absoluut niet opstaan. Mijn benen zijn pap. Of minstens van rubber. Waar mijn lichaam precies is, kan ik nu even niet zeggen. Sorry. Ik moet mijn hoofd niet te veel bewegen of mijn lijf in een andere stand zetten. Afgezien van de enorme hoeveelheid niet op te brengen energie die dat kost, leidt de kleinste beweging al tot een intense misselijkheid.

Een van Davids beste vrienden (DBV) houdt me gezelschap op twee meter afstand maar het lijkt tien keer zo ver. Hij kijkt wat wazig naar Davids graf. En naar mij maar dan met een onderzoekende grijns. Af en toe zegt hij iets, geloof ik, maar dat is erg moeilijk te verstaan – zo ver zit hij van mij af. Ik knik bijna onzichtbaar om hem duidelijk te maken dat ik er nog ben.

De misselijkheid neemt intussen serieuze vormen aan. Ik moet er iets aan doen. Maar wat? Maar wat? Kan ik iets doen? Opstaan. Doe het maar eens. Hoeveel wilskracht heeft een mens nodig om op te staan in deze conditie? Met vereende krachten uit mijn reumalijfje weet ik ten slotte de snelbinders los te krijgen, wiebelig op te staan, voorovergebogen naar de kastanje naast David te strompelen om er te schuilen tegen het brandende zonlicht en… “Ik moet kotsen,” mompel ik tamelijk verstaanbaar tegen de DBV en hang hijgend over een gitzwarte staande grafsteen. Mijn maag lijkt het te begeven maar wacht nog even. Het graniet voelt weldadig koel. ‘Dit moet helpen’, mantra ik tegen mezelf. Maar nu even niet. Ik hurk en zit even later op mijn knieën, mijn voorhoofd tegen het koele zwart gedrukt. Zweet breek me uit.  Gutst in stralen uit mijn haren, mijn voorhoofd, mijn oksels, mijn borst – waaruit al niet? ‘Ik doe het voor jou, vriendje’, blubblubber ik hardop en ik proef iets van spijt in mijn woorden.

Ook tamelijk hallucinerend: onze 'deelname' aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ook tamelijk hallucinerend: onze ‘deelname’ aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ik ben al honderd jaar niet in een coffeeshop geweest. David had zo zijn vaste adressen, heb ik intussen begrepen. Bij mij in het dorp is geen coffeeshop. Terwijl er hier ontzettend veel wordt gedeald. Zelfs om te hoek van mijn huis. Gelukkig beschikt Bussum over de beste coffeeshop van ‘t Gooi en omstreken. Vroeger wist ik alles van wiet en hash, nu voel ik me een hopeloze amateur. Tot overmaat van ramp spreekt de jongen achter de counter mij te beleefd aan: “Meneer kan ik u helpen?”  Zelfs in mijn korte broek en afgedragen polo ben ik een meneer. Achter de jongen hangt een strak uitgevoerde menukaart. “Ik wil graag wiet die niet te sterk is, maar die ook wel wat doet,” zeg ik stoer. De jongen houdt even later een Tupperwarebakje onder mijn neus. Daarin prachtige henneptoppen. Ze ruiken goddelijk. Ik word er zo vrolijk van dat ik er een wil beetpakken. “Dat mag niet, meneer. Alleen ruiken,” wijst de jongen me terecht en trekt het bakje terug. Ik krimp tot kindhoogte. Dan zie ik op de menukaart Gele Libanon. Mijn hart vreugdedanst. Jeugdsentiment. De oude Bedford van Ernst S. duikt op; hij had een waterpijp in de vloer geschroefd zodat we altijd overal konden blowen zonder gezien te worden. Den Haag here we come. Geen idee wat er verder van Ernst is geworden, vast iets anders geniaals. “Heb je toevallig ook rooie Libanon?” vraag ik hoopvol. “Nee,” zegt de jongen geduldig, “die had je vroeger wel maar dat is nu een zeldzaamheid.” “O,” zeg ik, “nou geef dan maar de Gele.” Dan bedenk ik dat ik ook het goeie papier moet hebben en filtertjes. “Extra breed of normaal?” vraagt de jongen. “Ik weet het niet,” zeg ik in alle eerlijkheid, “volgens mij is breed wel prettig als je een joint maakt met wiet.” “Ja, dat gebruikte ik ook toen ik nog blowde.” zegt de jongen vertrouwelijk. Ik probeer in te schatten hoeveel ik wiet nodig heb voor een joint. Ik schat dat ik er vier mee kan maken. Voor alle zekerheid vraag ik het maar niet.

Heb me goed voorbereid. Twee opvouwbare stoelen, kleine tafel, fles water, Japanse zoutjes, Fishermens Friends, sixpack gekoelde Amstel, laptop voor het geval ik tot Bijzondere Gedachten kom. De DBV laat weten dat hij onderweg is. Ik neem een slok bier en rol alvast een kleine joint met een paar korrels Gele Libanon. Het rookt heerlijk weg en al snel voel ik me een halve meter boven de grond hangen. Wow, dat belooft veel goeds – heb blijkbaar niet veel nodig. Spontaan pak ik de laptop en schrijf een gedicht voor David:

Zorgvlied

Soms zie je hier mensen
Staan verzonken
In diep, desnoods devoot
Gepeins tot je langsloopt en
Ziet dat ze een bericht
Op hun telefoon lezen sinds
Jij hier ligt heb ik nooit
Meer wat van je gehoord.

Behoorlijk diep. Zodra de DBV er is concentreer ik me op de volgende joint. “Er zijn dingen die je nooit verleert,” complimenteert de DBV me even later. Dat doet me goed. Ik heb hem gevraagd hoeveel ik erin zal verwerken. Ik denk dat een halve knop toch genoeg moet zijn. Hij fronst. “Dat lijkt me rijkelijk veel,” zegt hij en ik proef enig medelijden in zijn blik. Gottogot, amateur. Ik verkruimel ongeveer een kwart knop boven de tabak. “Lachajem, David,” denk ik trots terwijl ik de ingehouden wierook voorzichtig uitblaas. Het is dan wel postmortaal, deze blow bij mijn kind, maar dat maakt niet uit. “Ik ben benieuwd hoe David dit vindt,” zegt de DBV uren later geconcentreerd turend naar het graf. “Bedoel je dat ik niet de wiet had moeten nemen?” vraag ik onzeker. “Nee, nee, dat moet je zelf weten hoor. Maar wiet komt nou eenmaal wel anders binnen dan hash.” Hij kijkt me geamuseerd aan.

Ik trek mezelf aan de zwarte grafsteen omhoog. De misselijkheid is iets gezakt, maar het transpireren gaat door op volle kracht. Het is niet te stoppen. Ik stroom leeg. Dan gaat mijn telefoon. Die ligt een dagmars van hier op het tafeltje. Ik waggel erheen. Mijn tong een uitgedroogde lap zeemleer die protesterend probeert overeind te komen. Het lukt me enkele woorden uit te brengen. Geen idee hoe dat klinkt. Kan niet veel zijn. Het is Albert, een van mijn Beste Vrienden. Heb hem gisteren verteld over dit blowproject en afgesproken dat hij even langskomt om te zien of ik het aankan. Albert vraagt wijselijk niet naar mijn staat van zijn.

Ik laat de telefoon min of meer uit mijn vingers vallen en blijf zwaaiend staan op mijn rubberen benen in de hete zon. Wacht ik hier op een teken of zo? Moet David zijn hand door de donkere tuinaarde steken en wuiven? Moeten de beide olijfboompjes die ik hier heb geplant ineens gaan ruisen van een wind die verder nergens anders zichtbaar is? Kan er godverdomme niet even een wonder gebeuren? Door en door nat ben ik. “Gaat het?” informeert de DBV bezorgd. “Je moet wel drinken hoor.” Drinken! “Ga anders weer even in de schaduw zitten,” adviseert hij ervaren. Schaduw. Schaduw. Ja dat is wel een goed plan. Schaduw. Ik scharrel met mijn stoel naar een beschaduwd plekje onder Davids Kastanjeboom, ga zitten en blijf lang steken in die houding tot ik bedenk dat ik eigenlijk rechtop moet zitten. Tering, wat ben ik misselijk. Nauwelijks zit ik rechtop of een ongecoördineerde hand duwt mij vanuit mijn binnenste zijwaarts. Ik hang als een dweil over de rechterleuning van de tuinstoel en wordt vanzelf verder voorover gebogen. In vijf of tien warme golven leeg ik mijn maag – best soepel en elegant pal naast het graf van een van Davids buren. De DBV kijkt verbaasd toe en staat behulpzaam klaar met de waterfles. “Wacht maar even,” glubmompel ik. Mijn gedachten even diffuus als een pot watten. Voor mijn gevoel duurt het uren voor ik weer enigszins hersteld ben. Ik kom niet meer uit de schaduw van de kastanje.

Na een alsnog tamelijk stonede autorit waarin ik voortdurend word gepasseerd door verschrikkelijk hard rijdende auto’s, ik rijd keurig 100 eh… 90, nee 80, lukt het me steeds beter weer enigszins helder na te denken. Ik voel me hardhandig ritueel gereinigd. Binnenstebuiten gekeerd, mijn vervuilde lichaamsvocht aan alle kanten uit mijn poriën geperst tot ik mijn kleren kon uitwringen. Dit was behoorlijk voorbij het denken. Voorbij het weten.
Deze stonede middag is het hoogtepunt van mijn rouwarbeid, van het leren omgaan met Davids dood. Zo helend. Gezuiverd van het residu van verdriet en wanhoop. Ontdaan van de pijn van het verlies en het gemis. Ook al is Hij niet aan Zijn Graf verschenen, David heeft me vanmiddag verlost. Ik weet het zeker. Of heb ik het zelf gedaan?

 

 

 

David en Max – David vertrekt (20)


Toen Max hoorde van Davids overlijden moest hij huilen. Dat is bijzonder, want Max en David hebben elkaar niet zo heel vaak ontmoet. Max is mijn aangetrouwde neef, oudste van vier kinderen en op dit moment 19 jaar. Verschil met David: vier jaar. Toch betekende Davids dood veel voor Max, afgezien van het geringe leeftijdsverschil. Het was voor Max binnen tamelijk korte tijd opnieuw een harde confrontatie met de dood. Zeven jaar geleden overleed zijn vader, Rob, net zo onverwacht als David nu.

De eerste maanden na Robs dood zagen we elkaar regelmatig. Ik realiseer me nu dat ik me toen net zo ongemakkelijk voelde als veel mensen op dit moment wanneer ze proberen mij een hart onder de riem te steken. Het verdriet dat over het gezin spoelde was intens en groot. Vertel maar eens aan kinderen van 12, 10, 7 en 5 dat hun vader is overleden. En wat voor gesprekken voer je als buitenstaander met ze? Zelfs met Max als 12-jarige was het moeilijk om erachter te komen hoe hij de situatie ervoer. Een tijdje zag en sprak ik hem wat vaker, maar na de eerste drie, vier maanden sinds Robs overlijden leek het leven beetje bij beetje zijn normale loop te nemen en al gauw zagen en spraken we elkaar weer alleen op verjaardagen. Die gesprekken gingen nooit erg diep, zoals dat gaat bij verjaardagen. Je informeert naar elkaar – school, sport, voortgang, gezondheid – en sporadisch naar het leven na Robs dood. Zijn antwoorden waren aarzelend, ontwijkend, bescheiden optimistisch. Net zoals ik nu op dat soort vragen terughoudend antwoord, want wat moet je er in godsnaam mee? “Ja, het gaat wel.” “Ja, het blijft lastig.” “Ja, ik mis hem ontzettend, vooral omdat er zoveel vragen onbeantwoord blijven.” En “Ja, je krijgt hem nergens mee terug.” God, wat haat ik vooral die laatste tekst. Veel verder kom ik niet. Geen zin. Ook niet instaat om er meer van te maken want ik weet eigenlijk niet precies wat ik nou wel of niet voel. Leegte, ja. Soort van zinloosheid. De ene dag meer dan de andere. De ene week meer dan de andere. En, ja, kutkutkut, ik krijg mijn kind inderdaad nergens mee terug.

David en Rob hebben elkaar overigens een keer enkele dagen meegemaakt tijdens een korte kampeervakantie. Ik herinner me vooral veel kinderen en eindeloos en uitgelaten jeu de boulen met veel wijn en sigaren. David probeerde er ook een. Jaren later had ik het nog wel eens met hem over die vakantie: het was voor David de eerste intensievere kennismaking met de familie van zijn tweede moeder met wie hij op dat moment ook bezig was een band op te bouwen. Hij had er goede herinneringen aan overgehouden, vertelde hij. Vooral dat sigarenroken met de mannen onder elkaar.

Max en David hebben elkaar een paar keer ontmoet, op verjaardagen of als we ergens met de hele familie uit eten gingen. David was onmiskenbaar de oudste van de kinderen. Ook al was hij min of meer buitenstaander er ontstonden nooit ongemakkelijke situaties. Integendeel, David praatte met iedereen die dat wilde. En voor zover ik me herinner, het meest met Max en iets minder met de IMG_1033andere twee Grote Neven Tim en Ivo. Stiekem bewonderde ik mijn zoon, die zomaar bleek te beschikken over het vermogen om in dit vreemde gezelschap aardig te zijn voor iedereen en oprechte interesse op te brengen. Het was voor mij een van de eerste signalen van Davids nogal grote sociale vaardigheid, die later in de weken rond zijn overlijden zo vaak werd geroemd.

Het is zondag, 29 juli 2015, buiten raast en rukt en Rambo’t de historische zomerstorm vlak voor onze deur bomen uit hun voegen. In de luwte van de woonkamer vieren we de verjaardagen van Davids broer, Daniël, en zijn Tweede Moeder, Daniëlle. Ook Max en zijn familie is er. Als ‘s middags de storm is leeggelopen naar windkracht 9 loop ik met Max en Bob door het parkje tegenover ons huis. Bob kwispelt tegen de neerslaande regen en de gierende wind. Voor ik het weet raken Max en ik in een gesprek zoals alleen lotgenoten dat kunnen hebben. We delen onmiskenbaar dezelfde ervaring en emotie. Ik merk dat Max graag vertelt over de jaren na Robs dood. Hij kan zich bovendien als geen ander in mij verplaatsen zonder in cliché’s te vervallen.
Max wekte indertijd ieders bewondering door zijn gymnasium af te ronden zonder doublures. Alsof er geen gestorven vader bestond. Nu studeert hij in Nijmegen. Hij vertelt dat hij achteraf die gymnasiumtijd ziet als een soort vlucht. De vlucht ‘naar voren’ zoals dat in managementtermen heet. Hij herinnert zich Robs begrafenis levendig. Maar vooral de periode daarna waarin ze samen als gezin met een beeldend kunstenares een kunstwerk voor Robs graf maakten. De kunstenares woonde op ruim anderhalf uur rijden.  Ze zijn er een keer of vier naartoe gegaan om aan het kunstwerk te werken. Die gezamenlijkheid, het praten over het object, het daar delen van het verdriet, het laten ontstaan en concretiseren van hun diepste emoties had een helende werking. Toen het werk af was, en ritueel geplaatst op het graf van zijn vader, bleef de routine van het met elkaar praten over Rob en over het verdriet lange tijd bestaan. Veel met elkaar praten, delen – vertelt Max – heeft het gezin geholpen om door die eerste jaren heen te komen.

Ik begrijp hem en zie parallellen. Deze weken zijn ook wij druk met het maken van een kunstwerk voor David. In de Glasblazerij van het Nationaal Glasmuseum, Leerdam, werkt kunstenares Marinke DSC_1171van Zandwijk aan een schitterende serie van 15 ‘rugzakken’ die vanaf eind augustus Davids graf zullen sieren. Uiteraard zijn wij er nauw bij betrokken en denken we mee met het tot stand komen van het kunstwerk. Ook ik ervaar dit als helend, als een noodzakelijke bijdrage aan mijn verwerkingsproces. Ik vermoed dat met het plaatsen van het kunstwerk voor mij deel I van mijn rouwarbeid erop zit. Voor zover er delen I, II en meer bestaan.
Max en ik zijn intussen aangekomen bij de kop van het havenhoofd. De windkracht 9 jakkert en joelt om onze oren en jut het water op tot kwaadaardig zwarte golven. Het is fijn om hier met Max te staan in een uniek soort gezamenlijkheid. Ik vertel hem dat ik zoveel moeite heb met begrippen als  ‘accepteren’ of ‘plaats geven’ maar dat ik ze soms zelf ook gebruik. “Ik heb ook een hekel aan die woorden,” vertelt hij met wind mee. “Ze dekken niet de lading. Voor mij is het meer leren omgaan met de dood en met het verlies.” Ik val stil en laat de wind door mijn gedachten loeien. ‘Omgaan’ valt als een kostbaar geschenk in mijn ziel. Het woord laat me niet meer los. Het klaart de sombere luchten, de onneembare versperringen die ‘accepteren’ tot nu toe voor mij vormde en die ik maar niet kon afschudden. Ineens zie ik hoe dogmatisch accepteren eigenlijk is. Zo onverbiddelijk. Zo niet te doen. Zo onhaalbaar omdat het zo eendimensionaal is. Natuurlijk, het lijkt allemaal semantiek. Maar dat is het niet. Achter, in, onder het woord – tussen de letters in bevindt zich het individuele aspect. Dat zo weinig ruimte laat. Maar leren omgaan met de dood van je kind of van je jonge vader, betekent dat je jezelf alle ruimte geeft en alle ‘verplichtingen’ van je afschudt: om verdriet te hebben als je verdriet voelt, om niet te twijfelen als je verbaasd vaststelt dat je ook heel goed kunt functioneren ondanks het gemis, om de overledene te missen als je hem mist, zelfs om met plezier terug te denken aan de tijd voor het overlijden zonder verdrietig vast te stellen dat er nooit meer plezierige herinneringen bij zullen komen.

We lopen terug terwijl de wind lijkt af te nemen. Max vertelt dat hij deze vakantie weer even thuis woont en deze weken minstens twee keer per week het graf van Rob bezoekt. Er staat een bankje vlakbij waarop hij gaat zitten en zijn tijd neemt – ook om over heel andere zware onderwerpen na te denken. Dat is mooi. Ik vergeet te vragen of hij dat ook deed toen hij nog op school zat, maar ik krijg de indruk dat dat niet zo was. Het is niet belangrijk. Het past bij omgaan met de dood dat je de vrijheid hebt om aardse noodzaken naast je neer te leggen.
Omgaan met de dood geeft je de vrijheid om de overledene waardevrij te eren en in ere te houden. Max heeft mij dichter bij David gebracht dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Zo gaat dat tussen lotgenoten. Ook al is de een 19 jaar en de ander 64. Max is cool.

My man Max - paar jaar geleden

My man Max – paar jaar geleden

David ‘close to the bone’ 2 – David vertrekt (19)


“If something you say or write is close to the bone, it is close to the truth in a way that might offend some people,” The Oxford Companion.

Verdomme David, ik ben terug bij ‘Af’. Ruim drie maanden na jouw vertrek is het beloofde NFI-rapport gekomen. Die drie maanden lang heb ik woorden gezocht om uiting te geven aan mijn pijn en verdriet, om iets van jouw dood te begrijpen, om er evenwicht in te vinden. Maar zelfs zonder NFI-rapport zijn er teveel open einden. Bijvoorbeeld dat je vertrok in je slaap terwijl ik sliep. En doorsliep. Niets maakte me wakker, niets voelde ik – vaak heb ik me afgevraagd waarom niet. Je hoort altijd van die verhalen dat er op zo’n moment iets wordt gevoeld, of dat men bijvoorbeeld wakker wordt met het besef dat er iets aan de hand is. Mij gebeurde het niet en ik kan daarover behoorlijk chagrijnig worden. Ik kan geen enkele andere reden bedenken dan dat jij net zo verbaasd was over je eigen overlijden. Het was een overval – een hit & run. Zo onverwacht dat je op geen seconde erbij stil hebt gestaan om ons een signaal te sturen uit jouw prille hiernamaals.
IMG_3471Terwijl ik doorsliep lag jij daar voorover met je neus in je kussen, je armen gespreid. Om de een of andere reden sijpelde er wat bloed uit je neus. Nu is dat kussen een dierbaar aandenken. Ik heb het al vaker verteld en beschreven. Het schijnt bij rouwarbeid te horen dat je vaak hetzelfde moet zeggen en schrijven. Dan ‘slijt het’. Nou, ik kan je zeggen: voorlopig slijt er helemaal niks.

Je bent dus overleden op die 4e april en je wordt meegenomen naar het VU voor nader onderzoek. Naakt en anoniem in een zwarte bodybag. Wij mogen je niet zien. Je logeert in het mortuarium. Een label bungelt aan je grote teen. Je rechter grote teen: D.J. van Wel, 04.11.’91. Meer heb je niet aan.

Het duurde een paar dagen voor we te horen kregen dat nog meer onderzoek nodig was. Er zouden kweekjes worden gemaakt in Den Haag door het NFI, zei de rechercheur van dienst. Iemand van 23 jaar hoort namelijk niet zomaar dood te gaan. Er werd onderzoek gedaan naar ‘een mogelijk niet natuurlijke dood’. Ruim vijf dagen na je overlijden kregen we je eindelijk te zien. Je was aangekleed in de kleren die we hadden afgegeven aan de uitvaartleidster (“Ik ga me aankleren,” zei je vroeger). Ik legde mijn hand tegen je wang. Je voelde zo ontzettend koud. Zo kil, zo niet jezelf en zo ver weg. Ik moest me bedwingen om niet naast je in je kist te kruipen, tegen je aan te liggen en je warm te maken. (had ik het maar gedaan). Je haren raar gewaaierd om je hoofd.

Het onderzoek naar jouw doodsoorzaak zou dus drie maanden duren, kregen we te horen. Kutzooi! Drie maanden. Godzijdank ontdekten we zelf binnen twee weken de werkelijke oorzaak van je overlijden: het ‘dead in bed syndrome’. Een regelrechte ‘sniper’ die in Type 1 Diabetes sluipt onder de dekking van een te lage bloedsuiker en die geen sporen achterlaat na zijn laffe daad: fatale hartritmestoornissen zijn niet vast te stellen na iemands overlijden. Het was en is te onbevredigend. Want over het syndroom zelf is weinig bekend, behalve dat het zich voordoet. Gemiddeld bij 2 op de 10.000 Type 1 Diabeten. Ben je mooi klaar mee. Het verkeerde lot uit de verkeerde loterij. Gefeliciteerd meneer Van Wel, u heeft de Jackpot: u gaat dood en wel nu! Fantastisch toch? Vertel de kijkers eens wat er door u heen gaat.

Het officiële autopsierapport blijft die maanden als een schaduw boven ons en je graf hangen. We proberen intussen zo goed mogelijk dit uitgeholde leven in te vullen. We praten. We analyseren. Ik blog. Alles om te begrijpen dat je dood bent. Drie maanden lang stuiteren we eindeloos als het zilveren balletje door de flipperkast van de dood, die het design heeft van een mortuarium met veel roestvrij staal – hartstikke cool.
Dan krijgen we bericht dat het rapport klaar is. We maken een afspraak met de recherche. Het OM stuurt alvast de conclusies op. Die luiden dat er alleen geconcludeerd kan worden dat er geen conclusies te maken zijn. Zo goed heeft de dood-in-bed-sniper zijn werk gedaan.

Op het politiebureau lezen we beide rapporten waarin stap voor stap wordt uiteengezet wat er is onderzocht. En hoe. We belanden in een slechte film en realiseren ons dat, terwijl wij ons druk maakten over jouw begrafenis, jij in je verzegelde anonieme bodybag uit het VU MC werd vervoerd naar het NFI in Den Haag. Daar sneden gelatexte handen je open om daarna in voorgeschreven volgorde al je organen, hart, hersens van je lichaam te ontkoppelen, te wegen, open te leggen en te analyseren – ‘op doorsnede’. Hoe langer ik erover nadenk, des te afschuwelijker het wordt. Ik heb je hersens, je hart en je organen bij wijze van spreken zien groeien,  er nooit bij stil gestaan dat ze op een dag materiaal voor een patholoog anatoom zouden zijn. Welke ouder doet dat wel?
Nadat je aldus uit elkaar was genomen, ben je weer als een bouwpakket terug in elkaar gezet. Godverdomme David, je was al dood maar door jou zo te uit elkaar te halen, alles letterlijk los te koppelen – ‘close to the bone’ – en vervolgens functieloos terug te plaatsen en administratief te verwerken – voelt het alsof je opnieuw bent overleden. Het is horror. Mijn kind een functieloos bouwpakket.

Je was in elk opzicht gezond, behalve dan die kut-diabetes. Al je organen zagen er goed uit. Bijzonder is dat je longen groter zijn dan ‘normaal’ en dat je hersens ook zwaarder zijn. Verder blijkt je schildklier ontstoken – dat komt vaker voor bij mensen met type 1 Diabetes. Maar nergens is een signaal dat ‘conclusief’ is. Misschien maar goed ook, maar tegelijk onbevredigend. Het maakt achteraf gezien het jou uit elkaar snijden en in elkaar zetten zo overbodig. Iemand vroeg me of wij eigenlijk toestemming hadden gegeven voor jouw autopsie. Ik realiseerde me dat het niet zo was. ‘De’ officier van justitie had bevolen om je nader te onderzoeken. Dat kan blijkbaar zonder overleg of toestemming. Net zo als dat wij je pas na je autopsie mochten zien.

Natuurlijk, ik weet ook wel dat het zo moet, dat het niet anders kan. Dat alleen een systematische analyse de weg is naar een mogelijke visie. Maar verdomme niet bij jou! Verdomme niet bij jou. Gewogen en helemaal goed bevonden. Objectief dood dank zij een syndroom dat geen spoor achterlaat behalve een dwaalspoor.
Ik heb het gevoel dat ik de afgelopen drie maanden helemaal over moet doen. Ik moet me opnieuw door de dagen slepen. ‘s Ochtends verlangen naar de avond zodat deze dag ook weer snel voorbij is. Ik hang in zo’n enorme transparante bal waarin je een berg kunt afstuiteren, over water rollen. Ik schiet dus heen en weer tussen de flippers in die flipperkast – als ik genoeg stuiter kan ik levens verzamelen. Heb ik genoeg levens, dan krijg ik een bonus: een van de letters van jouw naam. Zo schrijf ik stuiterend jouw naam in flikkerende flipperkastletters. Het is het hoogst haalbare.

 

 

 

 

David ‘close to the bone’ 1 – David vertrekt (18)


Vooraf heb ik gezegd dat ik de pijn die ik mogelijk voel, zal koesteren en vertalen als de pijn van het
verlies van mijn kind. Op het moment dat Schiffmacher mijn huid straktrekt tussen zijn zwarte gelatexde vingers en hij de trillende, ronkende naald op en in mijn huid duwt, weet ik dat ik aardig wat zal vertalen. We hebben besloten om de tattoo aan te brengen op de linkerkant van mijn borst. Schuin boven mijn hart. ‘Closest to the bone, sweeter is the meat’ mompelt Schiffmacher, en ramt de naald secuur stuiterend over een van mijn ribben. Ik houd mijn adem in: dan is die idiote pijn nog enigszins draagbaar.

Rouwarbeid draait altijd om herinneren als compensatie voor verlies. Je kunt ook weinig anders. Als een leven stopt, komt er een eind aan elke handeling die nog had kunnen, of had moeten, plaatsvinden. Dat maakt verlies zo ondraaglijk en niet te vatten. De dood snijdt elke band en elk verband genadeloos door. Er blijft weinig anders over dan keer op keer het verleden te reconstrueren, hopelijk nieuwe verbanden te ontdekken, te verdwijnen in het verdriet dat het herinneren opwekt en metaforen te bedenken die je hopeloosheid illustreren. Iemand die ook aan de rouwarbeid is, schreef me: “Het is of je een steile trap oploopt, die maar geen einde lijkt te hebben. Je loopt maar en je loopt en het lijkt maar geen einde te hebben.” Anderen vouwen 1000 kraanvogels uit flinterdunne origamivelletjes ter nagedachtenis aan overledenen, geïnspireerd op een Japanse legende die vertelt dat je vervolgens een wens mag doen als je klaar bent met vouwen (MH17: Het verdriet van Nederland – documentaire van Michiel van Erp).
Omdat er niets anders te doen valt, groeit het herinneren in kracht, in belangrijkheid. Dagen, soms weken en maanden achter elkaar zijn we hard aan het werk om elke herinnering aan David uit te diepen, betekenis te geven, desnoods op te schrijven om hem maar niet kwijt te raken. We koesteren onze herinneringen. Klauwen onze nagels achter het triviaalste beeld. Het maakt niet uit. We weten misschien wel beter maar we kunnen niet anders.

Hoe slechter ons geheugen, des te kwetsbaarder de herinnering. Niet zonder reden laten nabestaanden een portret schilderen van de overledene, of bedenken een kunstwerk dat bijvoorbeeld een plaats krijgt in een plantsoen. We stellen een daad om de herinnering ‘levend’ te houden, als subsituut voor het (abrupt) afgebroken bestaan van iemand. Om het verlies te compenseren. Om ‘nooit te vergeten’. Maar de daad staat altijd in de schaduw van de gebeurtenis zelf – is vooral een uiting van onmacht. Tegenover de dood sta je ook machteloos, elk protest daartegen benadrukt dat feilloos.
De mensheid gaat daarin trouwens behoorlijk ver. Er hoeft maar ergens iemand een beetje zinloos in elkaar geslagen te worden, of er wordt op de plaats delict een tegel met een lieveheersbeestje in de stoep gelegd. En een mars gehouden. Zelf vind ik dat ook behoorlijk zinloos, maar er zijn genoeg mensen die zo’n mini-monument nodig hebben: ‘om nooit te vergeten’ en om lucht te geven aan hun collectieve verontwaardiging. Maar we vergeten zo snel. Alles wat ons overkomt, kunnen we ook niet onthouden. Onze herinnering selectief als ons geheugen. Bovendien is al dat ge-herinner generatiegebonden. En dat is goed. Maar tegelijk jammer. David ligt begraven op een van de mooiste begraafplaatsen die ik ken. Omgeven met graven van mensen die in hun tijd bekend, zo niet beroemd waren: schrijvers, schilders, musici, academici. Niet eens hun namen maken nog herinneringen wakker. Over een aantal jaren zal het met David niet anders zijn. Maar nu nog niet. Niet zolang ik leef. Of zijn broer. Of zijn stiefmoeder.

Mijn kind is dood. En dat wil ik niet: verzet in allerlei vormen hoort bij rouwarbeid. Vandaag gaat mijn rouw niet over wat ik voel of vind. Het gaat over het besef dat een leven is geëindigd dat niet had mogen eindigen. Niet kon eindigen. Niet klaar was om te eindigen. Want er was nog zoveel te doen in dat leven, dat nog maar net was begonnen. Het gaat dus niet om mij, het mag niet over mij gaan. Ik doe er niet toe. David doet ertoe. David moet, wilde, kon nog zoveel. Hoe kan het dan dat plotseling niet meer moet, wil, kan? Hoe kan het dat ik het niet voelde aankomen? De gedachte dat ik sliep op het moment dat hij overleed. En ik daarvan niets merkte. De gedachte dat hij uren en uren op zijn bed lag, weerloos voorover op zijn bed en kussen. En ik dat niet voelde. De gedachte dat ik die hele dag alles deed, mensen sprak, met mijn kop in de zon zat en dacht dat het leven helemaal goed was. Terwijl mijn kind zielloos eenzaam in zijn Amsterdamse kamer lag. Onopgemerkt tot ruim 12 uur na zijn overlijden. Hoe onverdraaglijk kan iets zijn?
Ik moet iets bedenken waardoor ik hem zo dicht mogelijk bij mij houd. Dat mijn verzet vormgeeft. Dichterbij dan mijn krakkemikkige geheugen toestaat. Voor altijd. Letterlijk aan mij gebonden. Wat mede uit mij voortkwam, eis ik terug in een krachtig symbool. Kinderlijk letterlijk misschien, maar als je het hebt over het verwerken van verlies maakt dat helemaal niets uit. In rouwarbeid is alles toegestaan. Als het maar helpt. Mijn eerste gedachte is een hanger te kopen van een Davidster. Het wordt een tattoo: een krachtiger statement kan ik niet bedenken. Een vriend van me zegt later: “Dat is de eerste tattoo in mijn leven waarin ik me helemaal kan vinden. Hij heeft iets opstandigs, iets van een bloedbroederschap. Wat er ook gebeurt, dit pakken ze me niet meer af.”

Dus lig ik hier bij ‘Tattoo Pirate’ Schiffmacher op de behandelbank. Mijn hoofd diep weggedrukt op foto 3-1een keukenrol. Mijn borst ontbloot. Ik heb hem thuis al geschoren voor alle zekerheid. Op Internet heb ik een prachtige Davidster uitgezocht. Een waarbij je goed ziet dat hij is samengesteld uit twee driehoeken. Een ook die het grafische karakter van de Davidster nog eens extra benadrukt in dubbele lijnen. Het kan me niet grafisch genoeg zijn. Dank zij die dubbele lijn mag ik bovendien twee keer dezelfde sensatie van Schiffmachers prikpen doormaken. Het geeft niet. Het is maar een beetje lijden. Bovendien is het zelfgekozen lijden. En allerminst zinloos.
Schuin rechts boven mij hangt een meer dan levensgrote gouden Christus tegen de muur. De armen gespreid. Het lichaam overdekt met allerlei graffiti. Terwijl Schiffmacher mij professioneel martelt, kijk ik naar die gouden Christus. Ik vermoed een symboliek die ik niet kan overzien. Ik denk vooral, om het bijbels te houden, dat Hij Ziet dat het Goed is. Niet dat ik die Goedkeuring nodig heb.

Net als ik merk dat doorademen slimmer is om de aanslagen uit Schiffmachers venijnige drill-, klop- en hamerboortje te overleven zegt hij: “Zo, beste man, meer kan ik er niet van maken.” (dat zei G”d indertijd ook tegen Adam toen Hij hem had geschapen.). Het is volbracht en Schiffmacher zag dat het goed was. Het is perfect. In amper twintig minuten heb ik een van de mooiste symbolen die ik ken op mijn borst getatoeëerd gekregen. Het is mijn verzetsdaad tegen de dood. Mijn kind, close to my bone. Ik ben er verschrikkelijk trots op. 

 

 

David en het verdriet der vrienden – David vertrekt (17)


11 juli. Vandaag, drie maanden geleden, brachten wij David naar zijn ‘laatste rustplaats’ op Zorgvlied. Hij werd van het uitvaartcentrum gereden naar Borgia aan de Oude Zijds. Daar tilden we zijn kist voorzichtig op schagen in zijn dispuutskelder. Wij, vrienden, familie, collega’s en dispuutgenoten, schreven droevige en soms zelfs vrolijke woorden op de kist. Die verder was overladen met bloemen en met het shirt van ‘zijn’ Ajax, waarop de handtekeningen van alle spelers. Zo bleef hij een uur of twee bij ons en onze herinneringen.

Daarna legden we hem in een grote sloep in een zee van bloemen en voeren met klein, indrukwekkend konvooi door de grachten over de Amstel naar Zorgvlied. Het was behoorlijk koud. Er stond veel wind. Godzijdank het bleef droog tot we aankwamen bij Zorgvlied.

We hielden onze toespraken, we herinnerden hem liefdevol, vertelden anekdotes, zagen hem voor ons, zo levendig – amper een week dood, we huilden, we lachten, we luisteren naar muziek die hem met ons verbond. Bijna een uur later tilden we hem op voor de laatste wandeling naar zijn plek in de ‘Engelsche Tuin’ – een van de mooiste, intiemste pleintjes op Zorgvlied. Bij het verlaten van de aula – het regende nog steeds – zongen de Borgianen hun dispuutslied. Nee, niet zongen. Ze slingerden tekst en noten hard tegen wind en regen in. Als een collectieve schreeuw van verdriet.

We droegen David door de stromende regen over de paden van het prachtige park tussen een haag van familie, vrienden, collega’s en bekenden door. Het was mooi om hier met zovelen te zijn. Wat meer konden we voor hem doen?
In de Engelsche Tuin legden we David op de dwarsbalken boven het gat in de grond dat zijn graf zou worden. Het nieuwe thuis voor zijn lichaam, onder de liefdevolle hoede van een bloeiende kastanjeboom. Hoe onwerkelijk. We haalden de touwen onder de kist door en tilden hem voorzichtig op zodat anderen de balken konden verwijderen. Even zweefde hij tussen hemel en aarde, net als zijn ziel veertig dagen lang zou doen.

Hand-over-hand, secuur, vierden we synchroon de touwen – ons bewust van onze verantwoordelijkheid. De kist voelde loodzwaar van 23 jaar leven. Het kon ons niet lang genoeg duren: dit was ons laatste contact. Toch nog veel te snel bereikte David de grond. We wachtten even. Er was moed voor nodig om de touwen op te halen. Onze taak was volbracht. Het was zo definitief. We trokken traag de touwen terug en bleven staan, onwennig: was dit echt? We deden enkele stappen naar achteren als een schilder die zijn werk van een afstand beoordeelt. Ons verdriet intens zoals we het nog nooit hadden beleefd.

verdriet, te indrukwekkend, te mooi en zo hoopvol
Ineens hield de regen op. De wind ging liggen. De zon scheen. Alsof David wilde aangeven dat het ergste achter de rug was. Dat het goed was, wilden we geloven tegen beter weten in. Want niks was goed.
Zoveel pijn. Zoveel verdriet. Zo indrukwekkend. Wie van ons was hier überhaupt op voorbereid? We images-17verkeerden in een shock. De pijn die we voelden, de herinneringen die zich met weerhaken in ons vlees vastklampten, de tranen die we huilden, de leegte in ons – Davids dood joeg ons uit ons Paradijs. Schopte ons genadeloos de volwassenheid in.
images-20Zie ons. Zoveel verslagenheid om het verlies van de vriend die we diep in het hart hadden gesloten. Met wie we zoveel deelden. Ieder zijn eigen David. Het voelt als verdriet dat eeuwen oud is. Alsof wij – onze zielen – eeuwenoud zijn. Zo inspireerden we rond 1500 Vlaamse Meesters als Van Eyck, Van der Goes, Van der Weijden. Onze mantels scharlakenrood naar de mode van die tijd, onze tranen transparant, verzonken in het gepeins van de herinnering, onze ogen nauwkeurig geschilderd starend in het niets. Onze mondhoeken granada-diptych-right-wing-the-holy-women-and-st-johnvertrokken. Onze zielen verbonden met elkaar en met hem. Voor altijd. Verdriet went niet. Het is als de tranen op het schilderij: ze drogen nooit.

De dagen en weken daarna pakten we ons leven weer op. Bereidden ons voor op onze tentamens. Probeerden de vrolijkheid te hervinden en te hervatten. En de onbezorgdheid. Er waren feesten. Bals. Barbecues. Babes. We werden ouderwets dronken als in de beste dagen van ons Paradijs. Soms lukt het om deze gruwelijke Davidsdag te verstoppen achter een dijk vol alledaagsheden. Soms. Want er zijn ook vrienden voor wie de wond te schrijnend is. Bij wie de studie achter raakt. Want David – steeds weer. Er zijn er die élke alledaagsheid te zwaar vinden. Want David. Een zoekt professioneel steun. Een ander blijft David sms’en. Een volgende leest dagelijks alle mails die hij en David naar elkaar stuurden.

Vorig weekend, drie maanden na zijn overlijden, brachten we op Zorgvlied de letters en cijfers aan op de betonnen rand van zijn graf. Zijn naam. Zijn geboorte- en sterfdatum. En de laatste twee wonderlijke regels uit ‘Psalm’, het gedicht van Rutger Kopland: ‘Maar alleen de wind weet de plek/die wij waren, waar en wanneer.’

DSC_1100
David is de wind als zijn ziel ruist in de bladeren van de bomen. We ontdekken dat Davids overlijden onbeschrijflijk verschilt van het overlijden van ouderen. We praten er niet meer zo vaak over, maar er zijn DSC_1104situaties waarbij we merken dat we allemaal dezelfde wond hebben. Bijvoorbeeld als we samen zijn en iemand zomaar uit het niets zegt: “Shit, hier had David bij moeten zijn.” Op dat moment verandert de sfeer en duurt het even voor we verder kunnen. Het zijn gedachten die we allemaal al hadden, maar die ineens te confronterend zijn als iemand ze uitspreekt. Het went nooit.
DSC_1095We bezoeken hem regelmatig. Soms in groepjes. Vaker en liever ieder apart om hem voor onszelf te hebben. Om hem te vertellen over dat laatste tentamen dat goed ging, of niet, over de reis die we maken, over de sloep die we hebben gekocht waarmee in zaken willen gaan (en die we ‘David’ dopen), over dat we hem zo godsgruwelijk missen. Vooral dat. Dan ruist de kastanje naast zijn graf. Het is goed om daar bij hem te zijn. Meer is nooit meer mogelijk. We dragen David allemaal met ons mee. Hij was in zoveel opzichten méér dan een vriend.

———————————————————–o-0-0-0-o——————————————–

11 juli. Ik ben jarig vandaag. Voor het eerst zonder David. Ik bekijk foto’s van een jaar geleden. We waren op vakantie in Frankrijk. En zo gelukkig – juist vanwege David. Ik kan de foto’s niet aanzien zonder enorm verdriet te voelen. Vandaag laat ik een tattoo prikken (verjaardagscadeau): een Davidster, ter nagedachtenis aan het kind dat mijn leven zo intens kleurde. Ik kan niet wachten tot de naald zijn inktspoor trekt en de pijn van de leegte laat voelen. Leegte die zelfs met inkt niet op te vullen is. Het went inderdaad nooit. Gelukkig hebben we Davids vrienden: een mooiere erfenis kon hij ons niet nalaten.

David en de o.t.t. – David vertrekt (16)


Ik ontdek net dat ik over David schrijf in de verleden tijd. Begrijpelijk. Onbegrijpelijk. Mijn taallogica heeft het besluit blijkbaar genomen zonder overleg. Iets dat niet meer is, was. David was, David deed, David hield, David gaf, David betekende, David luisterde. Het raakt me hard. Hoe kan ik dat nou doen? Het is weer zo’n rouwend dilemma, zoals ze zich telkens voordoen. Want rouwen is de voortdurende strijd om de dood te ontkennen en tegelijk zo omzichtig mogelijk toe te laten in je leven.

Met terugwerkende kracht realiseer ik me dus dat ik sinds zijn overlijden niet anders doe dan over David praten en schrijven in de o.v.t. Terwijl ik voortdurend bezig ben hem levend voor me te zien. Sorry, Daav. Ik maak het goed met dit herinnerblog in de o.t.t.. Natuurlijk, tegen beter weten in. Maar in dit proces geldt geen beter weten. Het is vooral niet-weten. Zes niet helemaal willekeurige momenten met David Nu. Zeven foto’s die de herinnering in stand houden. Want daarmee moeten we het doen.

1.    David en Philip willen niets liever dan een huisdier. Hoewel de droom is om een poes te nemen, beginnen ze met een grasparkiet die ze Vogel noemen. Als David praat over Vogel hoor je in elk woord hoeveel hij houdt van dat rare beest dat helemaal geen huisdier is maar dat desondanks al heel snel besluit dat het appartement aan de Ferdinand Bol van hem is. Vogel verblijft bij voorkeur buiten zijn kooi.

David met Vogel

David met Vogel

Als Vogel je aardig vindt, gaat hij het liefst op je hoofd zitten. Pikt dan met zijn scherpe snavel in je huid. Iedereen die op de FeBo langskomt, is direct een fan. Helaas is Vogel geen lang leven beschoren. Als hij op vakantie is, krijgt David een bedroefd mailtje van Philip: Vogel is niet meer. Vogel kon niet goed tegen de airco. Philip heeft hem in een doosje gelegd, is ermee naar de Amstel gegaan en heeft hem huilend aan het Water toevertrouwd. Philip heeft nog lang op een bankje aan het Water zitten mijmeren. Laatste nieuws: op vaderdag gaan we bij Philip langs. “Ik heb een verrassing voor jullie,” whappt hij. We kunnen van alles bedenken. Hopelijk heeft het iets te maken met David. We rennen de trap op, te nieuwsgierig. Philip wacht ons op met een grote grijns. Hij wijst naar de donkere hoekbank. “Kijk, Febo.”

Philip en Febo

Philip en Febo

We moeten twee keer kijken, want de kitten is ook nogal donker getint. Maar wat een lieverd. Davids wens komt alsnog in vervulling (hij is hier nog volop aanwezig). En zelden iemand zo zielsgelukkig gezien als Philip met Febo – en omgekeerd.

2.    Meer dier. Zomaar uit het ongerijmde vind ik dat het tijd is voor hond. Vraag me niet waarom. Nooit eerder hond gehad. Ik vind een prachtig nest en niet veel later hebben we er een huisgenoot bij: Bob – die eigenlijk Jezus heet, maar dat is een ander verhaal. David gaat uiteraard mee om Bob op te halen van de boerderij waar hij is geboren.En is vervolgens voor altijd verslingerd aan hem. Van internet pluk ik een foto van het nest, Bob het meest rechts.

Bob, Bob, en Bob. De meest rechter is Bob.

Bob, Bob, en Bob. De meest rechter is Bob.

Een jaar of twee later ontdek ik dat David juist deze foto een tijd als portret op zijn whapps heeft staan. En na zijn overlijden zie ik dat dezelfde foto zijn screensaver is op zijn computer. Een paar dagen nadat we met z’n allen Bob hebben opgehaald moet Daniël voetballen. David en Bob gaan mee. Bob weet niet wat hij meemaakt. Zoveel te zien en al die aandacht die hij krijgt van al die voetballertjes.

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

Al snel is hij bekaf en gaat languit bij David liggen. Het is een verhaal van niks, er zit geen drama in, alleen de simpele herinnering die plotseling aan zichzelf ontstijgt. Bob is voortaan gezinslid en heeft aan David een superstoeimaatje.

3.    Na een broos begin zijn David en Daniël echte broers. Niks halfbroer. Gewoon: broer. Hoewel het leeftijdverschil behoorlijk is, staat dat de band tussen beiden niet in de weg. David maakt Daniëls leven compleet en stabiel. Neemt zelfs af en toe de rol van opvoeder over. We gaan een aantal keer met ons vieren op vakantie. Elke keer verbaast David ons met de liefde en aandacht waarmee hij zijn broertje omringt. Later vertellen Amsterdamse vrienden van David dat ze na verloop van tijd al weten dat je met David voor het weekend geen afspraken moet maken: dan is hij bij ons. En vooral bij Daniël.

jongen, jongen, wat was je toch een mooie man

jongen, jongen, wat was je toch een mooie man

In een van de condoleanceboeken die op LANX hebben gelegen, beschrijft een vriendin van David hoe ze, na een nacht bij hem slapen, samen genieten in het open raam van zijn kamer bij een ontbijt met croissants. (David weet hoe het hoort). Hij vertelt haar uitgebreid over Daniël en wat hij voor hem betekent. Hoe fijn ze het hebben. Hoe hij hem Fifa leert. En hoe Daniël ook gel in zijn haar smeert om zo nog meer op David te lijken. Het is een herinnering die haar is bijgebleven: die bijna-man die zo vol passie praat over zijn broertje dat 14 jaar jonger is.

4.   Tussen alle foto’s duikt deze op.
David met een forse joint tussen zijn lippen. Zo te zien is het niet de eerste die dag. We praten samen vaak over blowen. Dan wil hij horen sinds hoe oud ik het deed en hoe en waar. En ik vertel hem over de tussenuren op school die we blowend in het Haagse Bos doorbrachten om vervolgens giechelend saaie lessen biologie te volgen. Ofzo. En hoe ik een keer knetterstoned in een nogal vrolijk verende 2CV door de duinen reed en werkelijk dacht dat ik vloog. 11130214_953996227993053_4824546473925288739_nDavid geniet van die verhalen. Ik kom erachter dat hij op mijn zachtst gezegd niet voor mij onderdoet. We spreken af dat we binnenkort samen gaan blowen. Heel relaxed bij hem in Amsterdam. Of ik moet maar zeggen waar anders. We herhalen die afspraak vaak. Ja, nu echt. Ja maar wanneer dan. Nou eh… binnenkort. Jezus Pap, word nou eens concreet.
Als ik ergens spijt van heb, is dat het wel. Het is er nooit van gekomen. Binnenkort ga ik op een mooie dag bij David op bezoek. Daar, naast zijn schitterende plek op Zorgvlied zal ik de Moeder Aller Joints roken die we nooit samen hebben gerookt. Alleen, of samen met een paar vrienden van hem. Ik zal de rook in zijn aarde blazen en hem stonede gedichten voorlezen zoals het onnavolgbare ‘The cows are in de wei’ van Remco Campert (Liesje in Luiletterland, pag 47):

“The cows are in the wei
seen from the train
they are smaller
than from close nearby.”

Ik speel good old Bob Dylan af met Rainey Day Woman: “They’ll stone you when you’re there all alone But I would not feel so all alone Everybody must get stoned” of een fijne blues – stonede muziek bij uitstek. Of Joey BadaSS. Maakt niet uit. Ik zie wel. Maar, Daav, beloofd is echt beloofd.

5.  David heeft een schoolfeest. Hij wil met stropdas. Het kledingstuk dat hij tot dan toe verafschuwt. Hij snapt er niks van hoe je zo’n reep textiel om je nek bindt. Hij roept mij erbij. Eerst ga ik voor hem staan en probeer de das te strikken, maar zo recht van voren is niet echt handig. Dan ga ik achter hem staan en heb even zo’n gouden moment dat me nooit meer loslaat. Hier staan mijn jongen en ik op de rand van de tijd, dicht tegen elkaar aan – ik ruik zijn rijk opgespoten Axe Chocolat, voel zijn ongeduld met dit ritueel en geniet. Geniet intens van dit moment. Hier staat de jongen die IMG_0053bezig is man te worden op zijn eigen bonkige manier. Die in die periode meer niet thuis is dan wel. Die zijn eigen kompas is dat wild  rondtolt omdat overal magnetische velden zijn die hun aantrekkingskracht op hem uitoefenen. Maar hier, voor dit moment, geldt dat allemaal niet. Hier zijn we even vader en zoon. Zo intens. Zo warm. Zo bijzonder. Zo verbonden.
Jaren later zit ik op de rand van zijn bed in zijn Amsterdamse kamer. Het bed waarin hij is gaan slapen en nooit meer wakker werd. Ik kijk om me heen en zie een langwerpige doos die uitpuilt van de stropdassen, waaronder wel vier van Borgia. Ik huil verschrikkelijk en denk aan dat moment jaren geleden, dat ik dat joch tegen me aanhield en voordeed hoe je een das strikt. Dat joch op weg naar een volwassenheid met de lengte van een stropdas.

6.    Hij is waarschijnlijk even brood halen. Of sigaretten. Of zo. De deur van zijn kamer staat open. Zoals altijd is het een lekkere puinhoop. Hij heeft weer eens een fiets geritseld, of een van zijn vrienden, en wegens geen slot op zijn kamer geparkeerd. De deur van zijn kast staat open. In de chaos ontdekken we een soort orde. Jasjes en overhemden aan klerenhangers. Bovenin wat dozen. Benieuwd wat daarin zit.

Ook het bureau is een bescheiden bende. Niet direct de plek van iemand die net gemotiveerd aan zijn alweer derde studie is begonnen. En o v e r a l  gebruikte strips voor zijn bloedsuikermeter. Hij zal zo wel komen. Hij is even de deur uit. We wachten gewoon even.

Hij zal zo wel komen.

Hij zal zo wel komen.

Doe niet zo dom. We kunnen hier wachten tot in de eeuwigheid (flauwe grap). Hij is niet even brood halen. Hij is niet even sigaretten halen. De deur staat inderdaad open, maar dat is omdat hij nooit meer terugkomt. De laatste keer dat hij deze kamer  verliet, werd hij trouwens gedragen. Zijn lichaam. We durven ons niet voor te stellen hoe dat gegaan is. Het moet een onhandig gedoe zijn geweest. Waarschijnlijk is hij een paar keer rechtop gezet om de bocht te kunnen nemen. Hoe zouden ze van de overloop de trap naar beneden hebben genomen? Zijn trap, waar het altijd stinkt naar vocht. Stond de ambulance voor de voordeur? Hoe laat was het nou eigenlijk precies? Tegen een uur of tien ‘s avonds? Dus in de avonddrukte van de Ferdinand Bol en het Heinekenplein. Bleven mensen staan om naar dat tafereel te kijken? Lag hij op een brancard? Zijn gezicht bedekt? Of in een bodybag?

We durven nauwelijks naar binnen, hoewel dat de reden is waarom we hier zijn. Het is een paar dagen na Davids overlijden. We weten dat, als we een stap naar voren zetten, we in de kamer zullen staan en links zijn bed zien – sindsdien onbeslapen. Valt er nog iets op te ontdekken? Hoe is het om daar te zijn? Zijn spullen aan te raken, zijn kleren tegen onze neus te drukken en zijn geur diep in te snuiven?
Zijn ziel omringt ons zodra we zijn kamer binnenkomen: warm, waardig, gastvrij en tegelijk wat onwennig. Zoals hij ons steeds omringt als we in het appartement komen. Hij kan het huis niet loslaten. Het huis kan hem niet loslaten. Wie wel?

Het is donker in de kamer, waarschijnlijk net zo donker als op die ochtend. Er komt nauwelijks geluid van het Heinekenplein, dat anders toch behoorlijk lawaaiig is. Dan kruipt Philip over het bed naar het raam. Davids bed, vertrekbed, ik-ga-slapen-doe-jij-even-het-licht-uit-bed, nooit-meer-slapen-bed.
Philip trekt het rolgordijn omhoog. Het licht springt naar binnen. Philip opent het raam. De serene rust in de kamer houdt het straatlawaai buiten. Ik heb de neiging om zacht te praten: ‘sssssst, zachtjes, hij slaapt nog – we gaan hem verrassen’.

Ik zit op de rand van het bed en neem alles in me op. Deelnemer in het stilleven van een vastgelopen, bruisend bestaan. Naast het bed, bij het hoofdeinde, ligt het pakje sigaretten dat hij zojuist heeft gehaald. Hij heeft vlak voor het slapen nog een gerookt. Of meer. Het afsluitbare asbakje is propvol.
Ik pak er een uit het pakje en steek ‘m op. Even is mijn kind heel dichtbij.
Hoe vaak heeft hij zo op de rand van zijn bed gezeten? Genietend van zijn kamer met die scheve vloer, van de lekkere bende om hem heen, van zijn spreeklint dat Philip weer eens heeft verstopt maar dat hij altijd terugvindt, van de dag zelf, van zijn leven?

Hou op. Hou alsjeblieft op. Vergeet het.
Er is helemaal geen o.t.t. Of o.v.t. Dikke lul, drie bier! Je kind is dood. Dát is voor altijd de o.t.t.. En tegelijk de onvoltooid toekomende tijd.
Maar dat soort ‘zijn’ is zo zielloos dat je net zo goed kunt zeggen dat het er niet is. Dood, dus. Niet voor nu. Voor altijd.
Hier geldt geen andere tijd dan indertijd. Toch, David? (‘Ja, Pap, en ook nu weer dóór.’)

David 3 maanden later – David vertrekt 15


Dit weekend, 27 juni, is het 12 weken geleden dat David overleed. Waarschijnlijk rond 06.30 uur. In elk geval in zijn slaap. Zijn dood was de ‘domme pech’ van een diabeet – vertelde de diabetesspecialist in het Radboud, Nijmegen. Bijna drie maanden lang heb ik me afgevraagd wat dat nou eigenlijk betekent als je je kind verliest. Hoe voelt dat? Wat is rouw nou eigenlijk? Waarom huil ik weken niet en dan ineens wel? Ik heb er 14 blogs aan gewijd: persoonlijke bespiegelingen om op de een of andere manier vat te krijgen op Davids dood. Schrijven werkt therapeutisch.

De afgelopen maanden is David geen seconde uit onze gedachten geweest: hij is er niet meer – kut – hij komt nooit meer – dubbel kut – hij is voortaan herinnering, er komt nooit meer een nieuwe herinnering bij – helemaal kut. Achteraf vind ik dat een weliswaar noodzakelijke maar ook instrumentele manier van denken. Ongeveer twee weken geleden kwam ik op een punt waar ik me op een andere, fundamenteler, niveau bewust werd van Davids dood.

Deze foto stuurde Stef Kreymborg mij toe: 'Deze foto maakte ik van een muur die bij ons werd neergehaald. Ik moest daarbij denken dat dit is hoe jij je misschien voelt.' Die neergehaalde muur is voor mij van een dubbele symboliek.

Deze foto stuurde Stef Kreymborg mij toe: ‘Deze foto maakte ik van een muur die bij ons werd neergehaald. Ik moest daarbij denken dat dit is hoe jij je misschien voelt.’ Die neergehaalde muur is voor mij van een dubbele symboliek.fundamenteler, manier bewust werd van Davids dood.

Ineens waren er tientallen navelstrengen zichtbaar en voelbaar die mij verbinden met mijn overleden kind. Verdriet ervaren langs die verbindingen is van een andere orde dan verdriet voelen bij het schrijven van een blog. Hoe persoonlijk die ook is.

‘Als je een kind krijgt, kom je er nooit meer vanaf’ – je kent dat ‘tegeltje’ wel. Natuurlijk is dat zo. Maar hoe zit het als je kind plotseling dood is? Het kind dat mede uit jou voortkomt en waarmee je opgroeit, ontwikkelt zich ook verder in jou. Het wordt een organisch deel van jezelf. Je deelt er ervaringen mee die telkens een volgende bouwsteen blijken voor verdergroeien. Naarmate je kind ouder wordt, verandert ook de manier waarop je het leven met elkaar deelt.

Als David, toen hij een klein kind was van een jaar of acht, ergens verdriet om had kon ik hem makkelijk troosten en het bij hem laten omdat het ‘klein’ verdriet was. Als hij blij was om iets, kon ik blij zijn om zijn geluk – en verder gaan met mijn leven. Als ik boos op hem was, was dat een functioneel, corrigerend boos zijn.
Toen David als gewonde, gekwetste puber in ons leven (terug) kwam, lag dat intussen anders. Als hij verdriet had, voelde ik dat diep van binnen met hem mee. Zocht oplossingen. Lag er wakker van. Als hij gelukkig was om iets – was ik blij voor hem en gunde hem ook dat geluk met hart en ziel. Hij had het dubbel en dwars verdiend. Als ik in die tijd boos op hem was, was dat een boosheid die om zoveel meer ging: de zorgen die ik me maakte om hem, de angst hem niet te kunnen bereiken in zijn dwarsheid, de hopeloosheid geen grip op hem te hebben.
Toen David in Amsterdam ging wonen stond ik duizend angsten uit. Waarvan de belangrijkste was of hij wel goed met zijn diabetes zou omgaan.

In de lessen copywriting die ik geef, vertel ik altijd over de vier ‘motivaties’ of ‘drijfveren’ waaruit iemand handelt, te motiveren is tot het kopen van een product. Maar die zonder meer ook van toepassing zijn op bijvoorbeeld de relatie kind-ouder:
* hebberigheid
* exclusiviteit
* schuld
* angst.

Het zijn niet de positiefste eigenschappen die iemand kan hebben, maar ze zijn zo fundamenteel als Maslovs sex, eten en een dak boven je hoofd. Ze maken duidelijk dat alles wat dierbaar is, tegelijk kwetsbaar is. Die kwetsbaarheid van je kind is jouw kwetsbaarheid en wat je als ouder voortdurend met je meedraagt. Alle vier de ‘motivaties’ zijn de drijfveren om je kind te willen behouden, te omringen met zorg en bezorgdheden, met liefde en bescherming. Zolang je kind leeft, besef je dat nauwelijks. Behalve dan dat je te pas en te onpas merkt dat je er niet zonder kunt.

Kamagurka leert David vliegen

Kamagurka leert David vliegen

David is dood en beetje bij beetje mag ik ontdekken wat dat betekent. Want niet ik bepaal wat ik denk, ervaar of voel. Het zijn mijn lichaam en geest die in een subtiele pas-de-deux passen zetten in de tijd, accenten leggen, ruimte maken, mij optillen, een stuk verder dragen en weer neerzetten. Op sommige momenten draaien ze de pirouettes van mijn leven voor me af, stoppen plotseling en wijzen me situaties, verbanden in relatie tot David. Ze openen mijn ogen en vergroten het besef en het ervaren. En nu, na een maand of drie, staan ze mij toe op een dieper niveau te ervaren wat Davids dood werkelijk betekent.
Het besef van het ontbreken van de dagelijkse routine met David voel ik nu tot diep in mijn botten. Het ontbreken van de vanzelfsprekendheid van zijn aanwezigheid – zelfs op afstand – is als de hardhandige amputatie van een orgaan. Het besef dat hij nooit, maar dan ook nooit meer fysiek aanwezig zal zijn, echoot door mijn lijf en veroorzaakt pijn op allerlei manieren. Foto’s van David, waar ik de afgelopen maanden naar keek, meestal verdrietig dan weer met blijdschap om de herinnering die ze oproepen, kan ik niet meer zien zonder intense pijn. Als ik nu die foto’s bekijk, is het of ik voorbij de afbeelding staar in een enorme leegte. Een leegte die zich ook diep in mij manifesteert. Als de Noordzee van Harold Schouten:

'Noordzee' - gekregen van Harold met wie ik een mooie dubbeltentoonstelling had over water. Dit schilderij is de eerste uit een nieuwe serie. Hij werkte hieraan tijdens de opening van onze expositie en tijdens Davids overlijden. Harold vond dat het schilderij een plaats bij mij moest krijgen. Eeuwig dankbaar.

‘Noordzee’ – gekregen van Harold Schouten met wie ik een mooie dubbeltentoonstelling had over water. Dit schilderij is de eerste uit een nieuwe serie. Hij werkte hieraan tijdens de opening van onze expositie en tijdens Davids overlijden. Harold vond dat het schilderij een plaats bij mij moest krijgen. Eeuwig dankbaar.

Het is ook de leegte die er steeds is bij de vragen die ik mij stel waarop ik nooit het antwoord zal krijgen:
– heeft David zijn dood ‘ergens’ voorvoeld? (ik denk dat wel, bewijs is er uiteraard niet)
– als hij niet op die fatale ochtend was overleden, was het dan wellicht een paar weken later gebeurd? (leven met de dood op je hielen)
– een week later zou David het weekend weer hier doorbrengen; stel dat het toen was gebeurd en Daniël was nietsvermoedend ‘s ochtends vroeg bij hem binnengelopen – wat dan? (ik moet er niet aan denken).

Dus dat is het. Het verlies van mijn kind boort zich een plaats in mijn lichaam en ziel. Het holt de kamers uit die hij en ik samen bouwden en vulden met gedeelde ervaringen, met geluk en verdriet, met schuld, exclusiviteit, hebberigheid en angst. Vooral dat laatste. Ik leg witte lakens over de laatste meubelen. Hier is eeuwige schemering, ongeveer zoals in de prachtige werken van Wiel Wiersma, waar de wind traag de vitrages voor de vensters beweegt en het zonlicht verlegen binnenkomt.
Alleen de wind weet
die wij waren, waar en wanneer’.

Een van de wonderschone kamers van Wiel Wiersma

Een van de wonderschone kamers van Wiel Wiersma

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 565 andere volgers