David en coping – David vertrekt (23)


Gisteren deed ik een tamelijk schokkende ontdekking: bijna drie weken was ik niet op bezoek bij David. Het kwam er ‘gewoon’ niet van. Ik voelde de noodzaak niet zoals in de periode daarvoor. Bovendien waren er zoveel andere onderwerpen die om voorrang vroegen. Dat kan dus zomaar – vier maanden na iemands overlijden. Wat eerst onmogelijk leek, namelijk dóór te leven zonder dat elke seconde tikt in het teken van rouw, wat bestemd was voor  de eeuwigheid, blijkt dus wel mogelijk. Eeuwigheid is relatief. Zeker in ons individuele universum.

Zo achtbaant dat in je inbeeldingsvermogen: de dag en nacht huilende baby die waarschijnlijk tot je pensioen blijft doorkrijsen, de verliefdheid die nooit over mag gaan, de euforie over een bereikte mijlpaal, het verdriet over het verlies van je kind. Al die dingen doen zich voor als niet te vatten groot en onmetelijk omvangrijk. Maar er komt blijkbaar een punt waarop je je realiseert dat je intussen andere zaken (weer) belangrijk gaat vinden. Zaken waartussen die dingen met dat tè hogere soortelijk gewicht hun eigen bedding en proporties hebben gekregen. Zonder dat je het merkte.
Die ontdekking kan behoorlijk heftig zijn. Tegelijk geeft het ook aan dat ‘de dingen’ hun eigen dynamiek hebben, waarop je geen invloed hebt. Ook dat is schokkend. Hoewel die redenering zich heel goed laat omkeren: het is mooi dat het blijkbaar zo gaat. Iets in mij staat blijkbaar toe dat zelfs de meest meedogenloze ervaring wordt ingebed in mijn innerlijke landschap. Wat de pijn niet minder maakt, maar wel minder nadrukkelijk.

Pas de afgelopen dagen waren er weer van die kleine confrontaties waardoor David ineens daviddichterbij was. Zoals met de twee jongetjes van een jaar of acht, hier tegenover, die met hun skateboardjes druk oefenden zoals David deed op diezelfde leeftijd. Eindeloos heen en weer. Ik zag hem voor me, weet nog precies welke kleren hij aanhad.
Of deze. Tegenwoordig loop ik met Bob langs de hockeyvelden naar het bos verderop. Zaterdag barstte de competitie weer los. Ik hoorde de kinderstemmen die elkaar aanwijzingen toeschreeuwden – ‘druk zetten’, ‘druk zetten’. De irritatietjes over verkeerd aangespeelde ballen. De fluitjes van de scheidsrechters. Davids wereld. Voor het eerst sinds lang voelde ik weer het fysieke verdriet dat tranen uit je ogen perst. En realiseerde me dat ik al veel te lang niet bij zijn graf was geweest.
Of deze. Een van Davids beste vrienden zet een schitterende selfie op Facebook. Hijzelf, zongebruind, zwembroek, sluik haar, biiiiig smile, met naast hem zijn vriendin, zongebruind, bikini, nog langer sluik haar eveneens biiiiig smile maar iets ingetogener dan hij – en zo hoort het ook. Perfect couple. Ik geniet van die foto, ben gesteld op deze Beste Vriend – zoals eigenlijk op al Davids vrienden. Tot ik me realiseer hoe trots David geweest zou zijn op deze foto. Maar ook dat David daar had moeten liggen, biiiiiig smile en minimaal net zo’n babe. Het was een koud kunstje voor hem geweest. Kutzooi. En weer door.IMG_0685

Tegelijk merk ik dat het me weliswaar veel doet, maar dat het me minder van mijn stuk brengt dan enkele maanden geleden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het ‘leren omgaan’. Een vriend vertelt me dat de psychologie hiervoor het woord ‘coping’ gebruikt, ‘zelfhandhaving‘ – schitterende term. Ik herinner me dat in de eerste weken na Davids overlijden iemand ook daarover vertelde – toen stond ik er absoluut niet voor open. Mijn verlies was op dat moment te overweldigend, het verdriet te groot. Dat was toen – en ‘toen’ is zo kort geleden; ‘toen’ is tegelijk zo ver weg.
Zo ver, dat het mogelijk blijkt om met iets meer afstand te kijken naar mijn proces. “Er bestaat niet één bepaalde gedragswijze om een probleemsituatie te kunnen hanteren,” lees ik in een verhandeling over coping. “Mensen ontwikkelen een stijl die het beste past bij hun leefwijze en persoonlijkheid. Copingstijlen zijn grofweg te verdelen in ‘actief’ en ‘passief’ ook wel ‘vechten’ en ‘vluchten’ genoemd. Er bestaan verschillende lijsten met copingstijlen. Een veelgebruikte is de Utrechtse Copinglijst:

  1. Het probleem actief aanpakken
  2. sociale steun zoeken
  3. vermijden en afwachten
  4. afleiding zoeken
  5. depressief reageren
  6. emoties en boosheid uiten
  7. geruststellende gedachten.

Welke copingstijl je kiest, is altijd persoonlijk en terug te voeren op je vroegste ervaringen. De meeste mensen hanteren trouwens meer dan een stijl. Op Internet bestaan zelfs ‘copingtests’ waarmee je kunt ontdekken welke stijl het meeste bij jou past. Of passen. Voor de liefhebber, zullen we maar zeggen. En leuk om alvast paraat te hebben voor het geval je kind onverwacht doodgaat.
De uitleg bij de Utrechtse lijst is dat de nrs 1 en 2 de beste, want actieve, stijlen zijn. In deze opvatting over coping is ‘vechten’ het beste wat je kunt doen wanneer je voor een probleem staat. In de aanval gaan, je verstand gebruiken, het probleem in stukken verdelen en voor elk stuk een oplossing zoeken, geldt als uiterst effectief. Zegt men. Het zal best, maar niet als je kind is overleden. De dood van je kind is namelijk geen probleem. Het is een ramp.
Natuurlijk ga je in de aanval – maar je verstand kun je die eerste fase nauwelijks gebruiken (wat iets anders is dan de automatische piloot die direct aangaat en je helpt de begrafenis of crematie te regelen), laat staan dat je ‘het probleem’ in stukken kunt verdelen. Daarvoor is het te groot, te zwart, teveel. In de aanval gaan is wanhopig verzet tegen de dood. Ik weet nu dat je dat niet kan en mag uitschakelen. Je hebt het nodig om te beseffen dat het zinloos is.
Verzet is in deze context iets anders dan ‘vechten’. Verzet is denken dat je dit kunt ‘accepteren’, ‘een plek geven’. Verzet is in eerste instantie niet-accepteren, geen-plekgeven. Zo verwarrend als het leest, zo verwarrend is het.
Verzet kun je uitstellen, maar je kunt er nooit omheen. Het maakt kwetsbaar en breekbaar. Maar what the fuck – je bent al gebroken en tot in het diepst gekwetst, dus wat is het punt? Het beste wat ik kan doen is beseffen dat verzet een fase is – waarbij boosheid en frustratie horen, omdat ik weet dat niemand dan ikzelf dit kan oplossen. En het bijzondere is, dat dat verzet ongemerkt afneemt – omgekeerd evenredig aan het besef dat je kind op geen enkele manier levend te krijgen is.
Het verzet neemt af, is het niet na kortere tijd dan wel na langere. Bijna terloops. Nonchalant. Bijna sarcastisch, cynisch trekt het zich terug. Want niets blijft zoals het is. En het is waar dat alles in beweging is, ook al lijkt het soms niet zo. Niets staat stil. Niemand staat stil. Zelfs in je diepste verdriet sta je niet stil, al meen je dat zelf niet te merken.

Nummer 2 ‘sociale steun zoeken’ heet ook een van de effectiefste stijlen. Troost zoeken, luisterende oren, begrip en steun, samen met anderen manieren bedenken om een probleem op te lossen. Het klinkt mooi. Maar nadat ik weken, maanden troost heb gezocht, steun heb gevraagd en gekregen, helemaal gék ben geworden van alle (ongevraagd) begrip – is het voor mij duidelijk dat sociale steun weliswaar veel warmte geeft, maar dat ik in essentie de verwerking in zichzelf moet laten ontstaan. In de eerste tijd van rouw stond ik daar overigens helemaal niet voor open. Ik vond die sociale steun onmisbaar. En dat was hij ook. Naar mate de tijd helpt om afstand te nemen, groeit de behoefte aan een ander soort sociale steun. Een minder nadrukkelijke, een vanzelfsprekende. En dan nog, ook als dat het geval is, ben ik in essentie op mijzelf teruggeworpen.

Ik zal altijd die vader zijn met dat dode kind. Waar ik ook ben, alleen of in gezelschap, er is altijd het besef er niet volledig te zijn. Zelfs als ik drie weken niet naar zijn graf ben geweest en David even niet top of mind was, blijf ik de vader met een dood kind. Intussen heeft iets in mij ontdekt dat verzet weinig zin heeft. En begrijp ik steeds beter wat het is om ‘om te gaan’ met Davids overlijden. Mijn zelfhandhaving zou je inderdaad kunnen zien als een actief omgaan met dit zwarte gegeven. Met horten en stoten. Het zit niet in me om dit lijdzaam te ondergaan. Zelfhandhaving als overlevingsstrategie. Anders is het niet.
Een van de artikelen die ik las over coping, eindigt met een ‘copinggedicht’. Het is niet het meest subtiele – vooral de laatste regel, maar het spiegelt op een mooie manier de rouwverwerking:

He is Gone (David Harkins)

You can shed tears that he is gone,
Or you can smile because he lived,
You can close your eyes and pray that he will come back
Or you can open your eyes and see all that he has left.

Your heart can be empty because you can’t see him
Or you can be full of the love that you shared,
You can turn your back on tomorrow and live yesterday,
Or you can be happy for tomorrow because of yesterday.

You can remember him and only that he is gone
Or you can cherish his memory and let it live on,
You can cry and close your mind be empty and turn your back,
Or you can do what he would want: smile, open your eyes, love and go on.

David en de wijsheid – David vertrekt (22)


Af en toe kom je op Facebook tegeltjeswijsheden tegen die net even verder lijken te gaan. Er zijn twee soorten afzenders: gewone gebruikers van Facebook en een soort van professionals die min of meer vergevorderd thuis zijn in oosterse filosofiëen en die met het posten van hun wijsheden grote aantallen mensen een dienst (willen) bewijzen. Meestal heb ik niet zoveel daarmee, maar af en toe betrap ik mezelf erop dat ik wat langer stilsta bij zo’n wijsheid omdat die aan het gemiddelde niveau lijkt te ontsnappen.

Bijvoorbeeld deze:

“In het ergste verlies dat je ooit
hebt meegemaakt, ligt misschien wel
het grootste geschenk verborgen.”

 In het kader van mijn rouwarbeid zet deze quote tot nadenken. Hij lijkt zelfs een helende belofte te bieden. Enkele maanden geleden, kort na het overlijden van David, zou ik uit deze tekst ongetwijfeld hoop hebben geput. Dat is niet zo vreemd: de leegte leek zo zwart en zo allesomvattend dat ik openstond voor welke handreiking dan ook.
Zo’n vier maanden en 20 blogs later merk ik dat ik er toch anders insta, mede dankzij mijn neefje Max die me leerde om me niet vast te bijten in de hopeloze speurtocht naar een manier om het verlies te accepteren. “Je moet leren ermee om te gaan,” is zijn advies als ervaringsdeskundige en lotgenoot. Het voelt als een bevrijding. Simpele woorden, maar ongelooflijk waardevol.

Als ik vanuit dit perspectief kijk naar die diepzinnige Facebook-quote, kan ik een toenemende ergernis nauwelijks onderdrukken. Meer en meer heb ik het gevoel dat ik zit te kijken naar het resultaat van een woordspel dat ergens op een studentenkamer wordt gespeeld. De spelregels zijn heel simpel: neem een emo zelfstandignaamwoord, bijvoorbeeld ‘verlies’ en bedenk een tegenoverliggend begrip dat als het ware het eerste woord opheft, bijvoorbeeld ‘geschenk’. Maak er vervolgens een zin mee  van enig filosofisch gehalte. Tot slot bedenk je een oosters aandoende naam, iets als Njam Njam of Shin Shen en klaar ben je.
Wat me ook ontzettend ergert is de toepassing van die modaliteit ‘misschien wel’. Het kan dus wel. Maar het kan ook niet. Want het is ‘misschien’ en ‘wel’. Waarom is het ‘misschien’ en ‘wel’? Wil dat zeggen dat er ook iets anders in ‘verborgen’ kan liggen? Het lijkt erop. Het kan vriezen en het kan dooien – als het ware (Nederlandse wijsheid). In het grootste verlies kan ook alleen maar meer verlies verborgen liggen – ook al is dat geen tegenstelling het is wel realiteit. Als ik probeer de quote langs een oosters filosofische lat te leggen, zou de vertaling kunnen zijn dat je zelfs uit de klotigste ervaring iets kunt opsteken. Zo lust ik er nog wel een paar. Ooit hadden we bij dat soort dingen een fijne uitdrukking: ‘verneuk de massa, grijp de kassa’. En hoe waar is dat niet? De afzender van de wijsheid geniet grote bekendheid op Facebook als een soort Lou de Palingboer in de boeddhistisch gelieerde filosofie. Zijn quotes zijn niet anders dan geraffineerde reclameboodschappen die de zoekende mens uitnodigen om zijn site te bezoeken en zich in te schrijven voor een van zijn trainingen. Ik voel medelijden met ieder die zich hierdoor laat verleiden.

SONY DSCIk kijk naar Davids portret. Die brede grijns boven zijn witte smoking. Die vrolijke ogen die puur genieten uitstralen. Wat voor rijkdom kan ik in godsnaam opsteken uit zijn dood? Dat omgaan met beter is dan tegen beter in willen accepteren? Dacht het niet. Het is een ‘rijkdom’ die me gestolen kan worden als ik mijn kind ermee terugkrijg. ‘Misschien wel liever arm en levend, dan rijk en dood’ Han Han.
De belangrijkste les die ik leer uit mijn grootste verlies, is dat alleen de warmte van goede vrienden helpt en de wijsheid van een enkele lotgenoot. Maar zeker niet de wc-kalenderwijsheid van een prut boeddhist. Daar kun je maar beter je kont mee afvegen.

Leuk hoor, rouwarbeid. Je kunt af en toe origineel boos worden. En dat lucht ‘misschien wel’ het meeste op.

David en de blowbelofte – David vertrekt (21)


Beloofd is beloofd. Desnoods postuum. Ineens raakt een grote zachte vuist me keihard in mijn maag. Onzichtbare snelbinders trekken me diep in mijn opvouwbare tuinstoel. Ik kan voorlopig absoluut niet opstaan. Mijn benen zijn pap. Of minstens van rubber. Waar mijn lichaam precies is, kan ik nu even niet zeggen. Sorry. Ik moet mijn hoofd niet te veel bewegen of mijn lijf in een andere stand zetten. Afgezien van de enorme hoeveelheid niet op te brengen energie die dat kost, leidt de kleinste beweging al tot een intense misselijkheid.

Een van Davids beste vrienden (DBV) houdt me gezelschap op twee meter afstand maar het lijkt tien keer zo ver. Hij kijkt wat wazig naar Davids graf. En naar mij maar dan met een onderzoekende grijns. Af en toe zegt hij iets, geloof ik, maar dat is erg moeilijk te verstaan – zo ver zit hij van mij af. Ik knik bijna onzichtbaar om hem duidelijk te maken dat ik er nog ben.

De misselijkheid neemt intussen serieuze vormen aan. Ik moet er iets aan doen. Maar wat? Maar wat? Kan ik iets doen? Opstaan. Doe het maar eens. Hoeveel wilskracht heeft een mens nodig om op te staan in deze conditie? Met vereende krachten uit mijn reumalijfje weet ik ten slotte de snelbinders los te krijgen, wiebelig op te staan, voorovergebogen naar de kastanje naast David te strompelen om er te schuilen tegen het brandende zonlicht en… “Ik moet kotsen,” mompel ik tamelijk verstaanbaar tegen de DBV en hang hijgend over een gitzwarte staande grafsteen. Mijn maag lijkt het te begeven maar wacht nog even. Het graniet voelt weldadig koel. ‘Dit moet helpen’, mantra ik tegen mezelf. Maar nu even niet. Ik hurk en zit even later op mijn knieën, mijn voorhoofd tegen het koele zwart gedrukt. Zweet breek me uit.  Gutst in stralen uit mijn haren, mijn voorhoofd, mijn oksels, mijn borst – waaruit al niet? ‘Ik doe het voor jou, vriendje’, blubblubber ik hardop en ik proef iets van spijt in mijn woorden.

Ook tamelijk hallucinerend: onze 'deelname' aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ook tamelijk hallucinerend: onze ‘deelname’ aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ik ben al honderd jaar niet in een coffeeshop geweest. David had zo zijn vaste adressen, heb ik intussen begrepen. Bij mij in het dorp is geen coffeeshop. Terwijl er hier ontzettend veel wordt gedeald. Zelfs om te hoek van mijn huis. Gelukkig beschikt Bussum over de beste coffeeshop van ‘t Gooi en omstreken. Vroeger wist ik alles van wiet en hash, nu voel ik me een hopeloze amateur. Tot overmaat van ramp spreekt de jongen achter de counter mij te beleefd aan: “Meneer kan ik u helpen?”  Zelfs in mijn korte broek en afgedragen polo ben ik een meneer. Achter de jongen hangt een strak uitgevoerde menukaart. “Ik wil graag wiet die niet te sterk is, maar die ook wel wat doet,” zeg ik stoer. De jongen houdt even later een Tupperwarebakje onder mijn neus. Daarin prachtige henneptoppen. Ze ruiken goddelijk. Ik word er zo vrolijk van dat ik er een wil beetpakken. “Dat mag niet, meneer. Alleen ruiken,” wijst de jongen me terecht en trekt het bakje terug. Ik krimp tot kindhoogte. Dan zie ik op de menukaart Gele Libanon. Mijn hart vreugdedanst. Jeugdsentiment. De oude Bedford van Ernst S. duikt op; hij had een waterpijp in de vloer geschroefd zodat we altijd overal konden blowen zonder gezien te worden. Den Haag here we come. Geen idee wat er verder van Ernst is geworden, vast iets anders geniaals. “Heb je toevallig ook rooie Libanon?” vraag ik hoopvol. “Nee,” zegt de jongen geduldig, “die had je vroeger wel maar dat is nu een zeldzaamheid.” “O,” zeg ik, “nou geef dan maar de Gele.” Dan bedenk ik dat ik ook het goeie papier moet hebben en filtertjes. “Extra breed of normaal?” vraagt de jongen. “Ik weet het niet,” zeg ik in alle eerlijkheid, “volgens mij is breed wel prettig als je een joint maakt met wiet.” “Ja, dat gebruikte ik ook toen ik nog blowde.” zegt de jongen vertrouwelijk. Ik probeer in te schatten hoeveel ik wiet nodig heb voor een joint. Ik schat dat ik er vier mee kan maken. Voor alle zekerheid vraag ik het maar niet.

Heb me goed voorbereid. Twee opvouwbare stoelen, kleine tafel, fles water, Japanse zoutjes, Fishermens Friends, sixpack gekoelde Amstel, laptop voor het geval ik tot Bijzondere Gedachten kom. De DBV laat weten dat hij onderweg is. Ik neem een slok bier en rol alvast een kleine joint met een paar korrels Gele Libanon. Het rookt heerlijk weg en al snel voel ik me een halve meter boven de grond hangen. Wow, dat belooft veel goeds – heb blijkbaar niet veel nodig. Spontaan pak ik de laptop en schrijf een gedicht voor David:

Zorgvlied

Soms zie je hier mensen
Staan verzonken
In diep, desnoods devoot
Gepeins tot je langsloopt en
Ziet dat ze een bericht
Op hun telefoon lezen sinds
Jij hier ligt heb ik nooit
Meer wat van je gehoord.

Behoorlijk diep. Zodra de DBV er is concentreer ik me op de volgende joint. “Er zijn dingen die je nooit verleert,” complimenteert de DBV me even later. Dat doet me goed. Ik heb hem gevraagd hoeveel ik erin zal verwerken. Ik denk dat een halve knop toch genoeg moet zijn. Hij fronst. “Dat lijkt me rijkelijk veel,” zegt hij en ik proef enig medelijden in zijn blik. Gottogot, amateur. Ik verkruimel ongeveer een kwart knop boven de tabak. “Lachajem, David,” denk ik trots terwijl ik de ingehouden wierook voorzichtig uitblaas. Het is dan wel postmortaal, deze blow bij mijn kind, maar dat maakt niet uit. “Ik ben benieuwd hoe David dit vindt,” zegt de DBV uren later geconcentreerd turend naar het graf. “Bedoel je dat ik niet de wiet had moeten nemen?” vraag ik onzeker. “Nee, nee, dat moet je zelf weten hoor. Maar wiet komt nou eenmaal wel anders binnen dan hash.” Hij kijkt me geamuseerd aan.

Ik trek mezelf aan de zwarte grafsteen omhoog. De misselijkheid is iets gezakt, maar het transpireren gaat door op volle kracht. Het is niet te stoppen. Ik stroom leeg. Dan gaat mijn telefoon. Die ligt een dagmars van hier op het tafeltje. Ik waggel erheen. Mijn tong een uitgedroogde lap zeemleer die protesterend probeert overeind te komen. Het lukt me enkele woorden uit te brengen. Geen idee hoe dat klinkt. Kan niet veel zijn. Het is Albert, een van mijn Beste Vrienden. Heb hem gisteren verteld over dit blowproject en afgesproken dat hij even langskomt om te zien of ik het aankan. Albert vraagt wijselijk niet naar mijn staat van zijn.

Ik laat de telefoon min of meer uit mijn vingers vallen en blijf zwaaiend staan op mijn rubberen benen in de hete zon. Wacht ik hier op een teken of zo? Moet David zijn hand door de donkere tuinaarde steken en wuiven? Moeten de beide olijfboompjes die ik hier heb geplant ineens gaan ruisen van een wind die verder nergens anders zichtbaar is? Kan er godverdomme niet even een wonder gebeuren? Door en door nat ben ik. “Gaat het?” informeert de DBV bezorgd. “Je moet wel drinken hoor.” Drinken! “Ga anders weer even in de schaduw zitten,” adviseert hij ervaren. Schaduw. Schaduw. Ja dat is wel een goed plan. Schaduw. Ik scharrel met mijn stoel naar een beschaduwd plekje onder Davids Kastanjeboom, ga zitten en blijf lang steken in die houding tot ik bedenk dat ik eigenlijk rechtop moet zitten. Tering, wat ben ik misselijk. Nauwelijks zit ik rechtop of een ongecoördineerde hand duwt mij vanuit mijn binnenste zijwaarts. Ik hang als een dweil over de rechterleuning van de tuinstoel en wordt vanzelf verder voorover gebogen. In vijf of tien warme golven leeg ik mijn maag – best soepel en elegant pal naast het graf van een van Davids buren. De DBV kijkt verbaasd toe en staat behulpzaam klaar met de waterfles. “Wacht maar even,” glubmompel ik. Mijn gedachten even diffuus als een pot watten. Voor mijn gevoel duurt het uren voor ik weer enigszins hersteld ben. Ik kom niet meer uit de schaduw van de kastanje.

Na een alsnog tamelijk stonede autorit waarin ik voortdurend word gepasseerd door verschrikkelijk hard rijdende auto’s, ik rijd keurig 100 eh… 90, nee 80, lukt het me steeds beter weer enigszins helder na te denken. Ik voel me hardhandig ritueel gereinigd. Binnenstebuiten gekeerd, mijn vervuilde lichaamsvocht aan alle kanten uit mijn poriën geperst tot ik mijn kleren kon uitwringen. Dit was behoorlijk voorbij het denken. Voorbij het weten.
Deze stonede middag is het hoogtepunt van mijn rouwarbeid, van het leren omgaan met Davids dood. Zo helend. Gezuiverd van het residu van verdriet en wanhoop. Ontdaan van de pijn van het verlies en het gemis. Ook al is Hij niet aan Zijn Graf verschenen, David heeft me vanmiddag verlost. Ik weet het zeker. Of heb ik het zelf gedaan?

 

 

 

David en Max – David vertrekt (20)


Toen Max hoorde van Davids overlijden moest hij huilen. Dat is bijzonder, want Max en David hebben elkaar niet zo heel vaak ontmoet. Max is mijn aangetrouwde neef, oudste van vier kinderen en op dit moment 19 jaar. Verschil met David: vier jaar. Toch betekende Davids dood veel voor Max, afgezien van het geringe leeftijdsverschil. Het was voor Max binnen tamelijk korte tijd opnieuw een harde confrontatie met de dood. Zeven jaar geleden overleed zijn vader, Rob, net zo onverwacht als David nu.

De eerste maanden na Robs dood zagen we elkaar regelmatig. Ik realiseer me nu dat ik me toen net zo ongemakkelijk voelde als veel mensen op dit moment wanneer ze proberen mij een hart onder de riem te steken. Het verdriet dat over het gezin spoelde was intens en groot. Vertel maar eens aan kinderen van 12, 10, 7 en 5 dat hun vader is overleden. En wat voor gesprekken voer je als buitenstaander met ze? Zelfs met Max als 12-jarige was het moeilijk om erachter te komen hoe hij de situatie ervoer. Een tijdje zag en sprak ik hem wat vaker, maar na de eerste drie, vier maanden sinds Robs overlijden leek het leven beetje bij beetje zijn normale loop te nemen en al gauw zagen en spraken we elkaar weer alleen op verjaardagen. Die gesprekken gingen nooit erg diep, zoals dat gaat bij verjaardagen. Je informeert naar elkaar – school, sport, voortgang, gezondheid – en sporadisch naar het leven na Robs dood. Zijn antwoorden waren aarzelend, ontwijkend, bescheiden optimistisch. Net zoals ik nu op dat soort vragen terughoudend antwoord, want wat moet je er in godsnaam mee? “Ja, het gaat wel.” “Ja, het blijft lastig.” “Ja, ik mis hem ontzettend, vooral omdat er zoveel vragen onbeantwoord blijven.” En “Ja, je krijgt hem nergens mee terug.” God, wat haat ik vooral die laatste tekst. Veel verder kom ik niet. Geen zin. Ook niet instaat om er meer van te maken want ik weet eigenlijk niet precies wat ik nou wel of niet voel. Leegte, ja. Soort van zinloosheid. De ene dag meer dan de andere. De ene week meer dan de andere. En, ja, kutkutkut, ik krijg mijn kind inderdaad nergens mee terug.

David en Rob hebben elkaar overigens een keer enkele dagen meegemaakt tijdens een korte kampeervakantie. Ik herinner me vooral veel kinderen en eindeloos en uitgelaten jeu de boulen met veel wijn en sigaren. David probeerde er ook een. Jaren later had ik het nog wel eens met hem over die vakantie: het was voor David de eerste intensievere kennismaking met de familie van zijn tweede moeder met wie hij op dat moment ook bezig was een band op te bouwen. Hij had er goede herinneringen aan overgehouden, vertelde hij. Vooral dat sigarenroken met de mannen onder elkaar.

Max en David hebben elkaar een paar keer ontmoet, op verjaardagen of als we ergens met de hele familie uit eten gingen. David was onmiskenbaar de oudste van de kinderen. Ook al was hij min of meer buitenstaander er ontstonden nooit ongemakkelijke situaties. Integendeel, David praatte met iedereen die dat wilde. En voor zover ik me herinner, het meest met Max en iets minder met de IMG_1033andere twee Grote Neven Tim en Ivo. Stiekem bewonderde ik mijn zoon, die zomaar bleek te beschikken over het vermogen om in dit vreemde gezelschap aardig te zijn voor iedereen en oprechte interesse op te brengen. Het was voor mij een van de eerste signalen van Davids nogal grote sociale vaardigheid, die later in de weken rond zijn overlijden zo vaak werd geroemd.

Het is zondag, 29 juli 2015, buiten raast en rukt en Rambo’t de historische zomerstorm vlak voor onze deur bomen uit hun voegen. In de luwte van de woonkamer vieren we de verjaardagen van Davids broer, Daniël, en zijn Tweede Moeder, Daniëlle. Ook Max en zijn familie is er. Als ‘s middags de storm is leeggelopen naar windkracht 9 loop ik met Max en Bob door het parkje tegenover ons huis. Bob kwispelt tegen de neerslaande regen en de gierende wind. Voor ik het weet raken Max en ik in een gesprek zoals alleen lotgenoten dat kunnen hebben. We delen onmiskenbaar dezelfde ervaring en emotie. Ik merk dat Max graag vertelt over de jaren na Robs dood. Hij kan zich bovendien als geen ander in mij verplaatsen zonder in cliché’s te vervallen.
Max wekte indertijd ieders bewondering door zijn gymnasium af te ronden zonder doublures. Alsof er geen gestorven vader bestond. Nu studeert hij in Nijmegen. Hij vertelt dat hij achteraf die gymnasiumtijd ziet als een soort vlucht. De vlucht ‘naar voren’ zoals dat in managementtermen heet. Hij herinnert zich Robs begrafenis levendig. Maar vooral de periode daarna waarin ze samen als gezin met een beeldend kunstenares een kunstwerk voor Robs graf maakten. De kunstenares woonde op ruim anderhalf uur rijden.  Ze zijn er een keer of vier naartoe gegaan om aan het kunstwerk te werken. Die gezamenlijkheid, het praten over het object, het daar delen van het verdriet, het laten ontstaan en concretiseren van hun diepste emoties had een helende werking. Toen het werk af was, en ritueel geplaatst op het graf van zijn vader, bleef de routine van het met elkaar praten over Rob en over het verdriet lange tijd bestaan. Veel met elkaar praten, delen – vertelt Max – heeft het gezin geholpen om door die eerste jaren heen te komen.

Ik begrijp hem en zie parallellen. Deze weken zijn ook wij druk met het maken van een kunstwerk voor David. In de Glasblazerij van het Nationaal Glasmuseum, Leerdam, werkt kunstenares Marinke DSC_1171van Zandwijk aan een schitterende serie van 15 ‘rugzakken’ die vanaf eind augustus Davids graf zullen sieren. Uiteraard zijn wij er nauw bij betrokken en denken we mee met het tot stand komen van het kunstwerk. Ook ik ervaar dit als helend, als een noodzakelijke bijdrage aan mijn verwerkingsproces. Ik vermoed dat met het plaatsen van het kunstwerk voor mij deel I van mijn rouwarbeid erop zit. Voor zover er delen I, II en meer bestaan.
Max en ik zijn intussen aangekomen bij de kop van het havenhoofd. De windkracht 9 jakkert en joelt om onze oren en jut het water op tot kwaadaardig zwarte golven. Het is fijn om hier met Max te staan in een uniek soort gezamenlijkheid. Ik vertel hem dat ik zoveel moeite heb met begrippen als  ‘accepteren’ of ‘plaats geven’ maar dat ik ze soms zelf ook gebruik. “Ik heb ook een hekel aan die woorden,” vertelt hij met wind mee. “Ze dekken niet de lading. Voor mij is het meer leren omgaan met de dood en met het verlies.” Ik val stil en laat de wind door mijn gedachten loeien. ‘Omgaan’ valt als een kostbaar geschenk in mijn ziel. Het woord laat me niet meer los. Het klaart de sombere luchten, de onneembare versperringen die ‘accepteren’ tot nu toe voor mij vormde en die ik maar niet kon afschudden. Ineens zie ik hoe dogmatisch accepteren eigenlijk is. Zo onverbiddelijk. Zo niet te doen. Zo onhaalbaar omdat het zo eendimensionaal is. Natuurlijk, het lijkt allemaal semantiek. Maar dat is het niet. Achter, in, onder het woord – tussen de letters in bevindt zich het individuele aspect. Dat zo weinig ruimte laat. Maar leren omgaan met de dood van je kind of van je jonge vader, betekent dat je jezelf alle ruimte geeft en alle ‘verplichtingen’ van je afschudt: om verdriet te hebben als je verdriet voelt, om niet te twijfelen als je verbaasd vaststelt dat je ook heel goed kunt functioneren ondanks het gemis, om de overledene te missen als je hem mist, zelfs om met plezier terug te denken aan de tijd voor het overlijden zonder verdrietig vast te stellen dat er nooit meer plezierige herinneringen bij zullen komen.

We lopen terug terwijl de wind lijkt af te nemen. Max vertelt dat hij deze vakantie weer even thuis woont en deze weken minstens twee keer per week het graf van Rob bezoekt. Er staat een bankje vlakbij waarop hij gaat zitten en zijn tijd neemt – ook om over heel andere zware onderwerpen na te denken. Dat is mooi. Ik vergeet te vragen of hij dat ook deed toen hij nog op school zat, maar ik krijg de indruk dat dat niet zo was. Het is niet belangrijk. Het past bij omgaan met de dood dat je de vrijheid hebt om aardse noodzaken naast je neer te leggen.
Omgaan met de dood geeft je de vrijheid om de overledene waardevrij te eren en in ere te houden. Max heeft mij dichter bij David gebracht dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Zo gaat dat tussen lotgenoten. Ook al is de een 19 jaar en de ander 64. Max is cool.

My man Max - paar jaar geleden

My man Max – paar jaar geleden

David ‘close to the bone’ 2 – David vertrekt (19)


“If something you say or write is close to the bone, it is close to the truth in a way that might offend some people,” The Oxford Companion.

Verdomme David, ik ben terug bij ‘Af’. Ruim drie maanden na jouw vertrek is het beloofde NFI-rapport gekomen. Die drie maanden lang heb ik woorden gezocht om uiting te geven aan mijn pijn en verdriet, om iets van jouw dood te begrijpen, om er evenwicht in te vinden. Maar zelfs zonder NFI-rapport zijn er teveel open einden. Bijvoorbeeld dat je vertrok in je slaap terwijl ik sliep. En doorsliep. Niets maakte me wakker, niets voelde ik – vaak heb ik me afgevraagd waarom niet. Je hoort altijd van die verhalen dat er op zo’n moment iets wordt gevoeld, of dat men bijvoorbeeld wakker wordt met het besef dat er iets aan de hand is. Mij gebeurde het niet en ik kan daarover behoorlijk chagrijnig worden. Ik kan geen enkele andere reden bedenken dan dat jij net zo verbaasd was over je eigen overlijden. Het was een overval – een hit & run. Zo onverwacht dat je op geen seconde erbij stil hebt gestaan om ons een signaal te sturen uit jouw prille hiernamaals.
IMG_3471Terwijl ik doorsliep lag jij daar voorover met je neus in je kussen, je armen gespreid. Om de een of andere reden sijpelde er wat bloed uit je neus. Nu is dat kussen een dierbaar aandenken. Ik heb het al vaker verteld en beschreven. Het schijnt bij rouwarbeid te horen dat je vaak hetzelfde moet zeggen en schrijven. Dan ‘slijt het’. Nou, ik kan je zeggen: voorlopig slijt er helemaal niks.

Je bent dus overleden op die 4e april en je wordt meegenomen naar het VU voor nader onderzoek. Naakt en anoniem in een zwarte bodybag. Wij mogen je niet zien. Je logeert in het mortuarium. Een label bungelt aan je grote teen. Je rechter grote teen: D.J. van Wel, 04.11.’91. Meer heb je niet aan.

Het duurde een paar dagen voor we te horen kregen dat nog meer onderzoek nodig was. Er zouden kweekjes worden gemaakt in Den Haag door het NFI, zei de rechercheur van dienst. Iemand van 23 jaar hoort namelijk niet zomaar dood te gaan. Er werd onderzoek gedaan naar ‘een mogelijk niet natuurlijke dood’. Ruim vijf dagen na je overlijden kregen we je eindelijk te zien. Je was aangekleed in de kleren die we hadden afgegeven aan de uitvaartleidster (“Ik ga me aankleren,” zei je vroeger). Ik legde mijn hand tegen je wang. Je voelde zo ontzettend koud. Zo kil, zo niet jezelf en zo ver weg. Ik moest me bedwingen om niet naast je in je kist te kruipen, tegen je aan te liggen en je warm te maken. (had ik het maar gedaan). Je haren raar gewaaierd om je hoofd.

Het onderzoek naar jouw doodsoorzaak zou dus drie maanden duren, kregen we te horen. Kutzooi! Drie maanden. Godzijdank ontdekten we zelf binnen twee weken de werkelijke oorzaak van je overlijden: het ‘dead in bed syndrome’. Een regelrechte ‘sniper’ die in Type 1 Diabetes sluipt onder de dekking van een te lage bloedsuiker en die geen sporen achterlaat na zijn laffe daad: fatale hartritmestoornissen zijn niet vast te stellen na iemands overlijden. Het was en is te onbevredigend. Want over het syndroom zelf is weinig bekend, behalve dat het zich voordoet. Gemiddeld bij 2 op de 10.000 Type 1 Diabeten. Ben je mooi klaar mee. Het verkeerde lot uit de verkeerde loterij. Gefeliciteerd meneer Van Wel, u heeft de Jackpot: u gaat dood en wel nu! Fantastisch toch? Vertel de kijkers eens wat er door u heen gaat.

Het officiële autopsierapport blijft die maanden als een schaduw boven ons en je graf hangen. We proberen intussen zo goed mogelijk dit uitgeholde leven in te vullen. We praten. We analyseren. Ik blog. Alles om te begrijpen dat je dood bent. Drie maanden lang stuiteren we eindeloos als het zilveren balletje door de flipperkast van de dood, die het design heeft van een mortuarium met veel roestvrij staal – hartstikke cool.
Dan krijgen we bericht dat het rapport klaar is. We maken een afspraak met de recherche. Het OM stuurt alvast de conclusies op. Die luiden dat er alleen geconcludeerd kan worden dat er geen conclusies te maken zijn. Zo goed heeft de dood-in-bed-sniper zijn werk gedaan.

Op het politiebureau lezen we beide rapporten waarin stap voor stap wordt uiteengezet wat er is onderzocht. En hoe. We belanden in een slechte film en realiseren ons dat, terwijl wij ons druk maakten over jouw begrafenis, jij in je verzegelde anonieme bodybag uit het VU MC werd vervoerd naar het NFI in Den Haag. Daar sneden gelatexte handen je open om daarna in voorgeschreven volgorde al je organen, hart, hersens van je lichaam te ontkoppelen, te wegen, open te leggen en te analyseren – ‘op doorsnede’. Hoe langer ik erover nadenk, des te afschuwelijker het wordt. Ik heb je hersens, je hart en je organen bij wijze van spreken zien groeien,  er nooit bij stil gestaan dat ze op een dag materiaal voor een patholoog anatoom zouden zijn. Welke ouder doet dat wel?
Nadat je aldus uit elkaar was genomen, ben je weer als een bouwpakket terug in elkaar gezet. Godverdomme David, je was al dood maar door jou zo te uit elkaar te halen, alles letterlijk los te koppelen – ‘close to the bone’ – en vervolgens functieloos terug te plaatsen en administratief te verwerken – voelt het alsof je opnieuw bent overleden. Het is horror. Mijn kind een functieloos bouwpakket.

Je was in elk opzicht gezond, behalve dan die kut-diabetes. Al je organen zagen er goed uit. Bijzonder is dat je longen groter zijn dan ‘normaal’ en dat je hersens ook zwaarder zijn. Verder blijkt je schildklier ontstoken – dat komt vaker voor bij mensen met type 1 Diabetes. Maar nergens is een signaal dat ‘conclusief’ is. Misschien maar goed ook, maar tegelijk onbevredigend. Het maakt achteraf gezien het jou uit elkaar snijden en in elkaar zetten zo overbodig. Iemand vroeg me of wij eigenlijk toestemming hadden gegeven voor jouw autopsie. Ik realiseerde me dat het niet zo was. ‘De’ officier van justitie had bevolen om je nader te onderzoeken. Dat kan blijkbaar zonder overleg of toestemming. Net zo als dat wij je pas na je autopsie mochten zien.

Natuurlijk, ik weet ook wel dat het zo moet, dat het niet anders kan. Dat alleen een systematische analyse de weg is naar een mogelijke visie. Maar verdomme niet bij jou! Verdomme niet bij jou. Gewogen en helemaal goed bevonden. Objectief dood dank zij een syndroom dat geen spoor achterlaat behalve een dwaalspoor.
Ik heb het gevoel dat ik de afgelopen drie maanden helemaal over moet doen. Ik moet me opnieuw door de dagen slepen. ‘s Ochtends verlangen naar de avond zodat deze dag ook weer snel voorbij is. Ik hang in zo’n enorme transparante bal waarin je een berg kunt afstuiteren, over water rollen. Ik schiet dus heen en weer tussen de flippers in die flipperkast – als ik genoeg stuiter kan ik levens verzamelen. Heb ik genoeg levens, dan krijg ik een bonus: een van de letters van jouw naam. Zo schrijf ik stuiterend jouw naam in flikkerende flipperkastletters. Het is het hoogst haalbare.

 

 

 

 

David ‘close to the bone’ 1 – David vertrekt (18)


Vooraf heb ik gezegd dat ik de pijn die ik mogelijk voel, zal koesteren en vertalen als de pijn van het
verlies van mijn kind. Op het moment dat Schiffmacher mijn huid straktrekt tussen zijn zwarte gelatexde vingers en hij de trillende, ronkende naald op en in mijn huid duwt, weet ik dat ik aardig wat zal vertalen. We hebben besloten om de tattoo aan te brengen op de linkerkant van mijn borst. Schuin boven mijn hart. ‘Closest to the bone, sweeter is the meat’ mompelt Schiffmacher, en ramt de naald secuur stuiterend over een van mijn ribben. Ik houd mijn adem in: dan is die idiote pijn nog enigszins draagbaar.

Rouwarbeid draait altijd om herinneren als compensatie voor verlies. Je kunt ook weinig anders. Als een leven stopt, komt er een eind aan elke handeling die nog had kunnen, of had moeten, plaatsvinden. Dat maakt verlies zo ondraaglijk en niet te vatten. De dood snijdt elke band en elk verband genadeloos door. Er blijft weinig anders over dan keer op keer het verleden te reconstrueren, hopelijk nieuwe verbanden te ontdekken, te verdwijnen in het verdriet dat het herinneren opwekt en metaforen te bedenken die je hopeloosheid illustreren. Iemand die ook aan de rouwarbeid is, schreef me: “Het is of je een steile trap oploopt, die maar geen einde lijkt te hebben. Je loopt maar en je loopt en het lijkt maar geen einde te hebben.” Anderen vouwen 1000 kraanvogels uit flinterdunne origamivelletjes ter nagedachtenis aan overledenen, geïnspireerd op een Japanse legende die vertelt dat je vervolgens een wens mag doen als je klaar bent met vouwen (MH17: Het verdriet van Nederland – documentaire van Michiel van Erp).
Omdat er niets anders te doen valt, groeit het herinneren in kracht, in belangrijkheid. Dagen, soms weken en maanden achter elkaar zijn we hard aan het werk om elke herinnering aan David uit te diepen, betekenis te geven, desnoods op te schrijven om hem maar niet kwijt te raken. We koesteren onze herinneringen. Klauwen onze nagels achter het triviaalste beeld. Het maakt niet uit. We weten misschien wel beter maar we kunnen niet anders.

Hoe slechter ons geheugen, des te kwetsbaarder de herinnering. Niet zonder reden laten nabestaanden een portret schilderen van de overledene, of bedenken een kunstwerk dat bijvoorbeeld een plaats krijgt in een plantsoen. We stellen een daad om de herinnering ‘levend’ te houden, als subsituut voor het (abrupt) afgebroken bestaan van iemand. Om het verlies te compenseren. Om ‘nooit te vergeten’. Maar de daad staat altijd in de schaduw van de gebeurtenis zelf – is vooral een uiting van onmacht. Tegenover de dood sta je ook machteloos, elk protest daartegen benadrukt dat feilloos.
De mensheid gaat daarin trouwens behoorlijk ver. Er hoeft maar ergens iemand een beetje zinloos in elkaar geslagen te worden, of er wordt op de plaats delict een tegel met een lieveheersbeestje in de stoep gelegd. En een mars gehouden. Zelf vind ik dat ook behoorlijk zinloos, maar er zijn genoeg mensen die zo’n mini-monument nodig hebben: ‘om nooit te vergeten’ en om lucht te geven aan hun collectieve verontwaardiging. Maar we vergeten zo snel. Alles wat ons overkomt, kunnen we ook niet onthouden. Onze herinnering selectief als ons geheugen. Bovendien is al dat ge-herinner generatiegebonden. En dat is goed. Maar tegelijk jammer. David ligt begraven op een van de mooiste begraafplaatsen die ik ken. Omgeven met graven van mensen die in hun tijd bekend, zo niet beroemd waren: schrijvers, schilders, musici, academici. Niet eens hun namen maken nog herinneringen wakker. Over een aantal jaren zal het met David niet anders zijn. Maar nu nog niet. Niet zolang ik leef. Of zijn broer. Of zijn stiefmoeder.

Mijn kind is dood. En dat wil ik niet: verzet in allerlei vormen hoort bij rouwarbeid. Vandaag gaat mijn rouw niet over wat ik voel of vind. Het gaat over het besef dat een leven is geëindigd dat niet had mogen eindigen. Niet kon eindigen. Niet klaar was om te eindigen. Want er was nog zoveel te doen in dat leven, dat nog maar net was begonnen. Het gaat dus niet om mij, het mag niet over mij gaan. Ik doe er niet toe. David doet ertoe. David moet, wilde, kon nog zoveel. Hoe kan het dan dat plotseling niet meer moet, wil, kan? Hoe kan het dat ik het niet voelde aankomen? De gedachte dat ik sliep op het moment dat hij overleed. En ik daarvan niets merkte. De gedachte dat hij uren en uren op zijn bed lag, weerloos voorover op zijn bed en kussen. En ik dat niet voelde. De gedachte dat ik die hele dag alles deed, mensen sprak, met mijn kop in de zon zat en dacht dat het leven helemaal goed was. Terwijl mijn kind zielloos eenzaam in zijn Amsterdamse kamer lag. Onopgemerkt tot ruim 12 uur na zijn overlijden. Hoe onverdraaglijk kan iets zijn?
Ik moet iets bedenken waardoor ik hem zo dicht mogelijk bij mij houd. Dat mijn verzet vormgeeft. Dichterbij dan mijn krakkemikkige geheugen toestaat. Voor altijd. Letterlijk aan mij gebonden. Wat mede uit mij voortkwam, eis ik terug in een krachtig symbool. Kinderlijk letterlijk misschien, maar als je het hebt over het verwerken van verlies maakt dat helemaal niets uit. In rouwarbeid is alles toegestaan. Als het maar helpt. Mijn eerste gedachte is een hanger te kopen van een Davidster. Het wordt een tattoo: een krachtiger statement kan ik niet bedenken. Een vriend van me zegt later: “Dat is de eerste tattoo in mijn leven waarin ik me helemaal kan vinden. Hij heeft iets opstandigs, iets van een bloedbroederschap. Wat er ook gebeurt, dit pakken ze me niet meer af.”

Dus lig ik hier bij ‘Tattoo Pirate’ Schiffmacher op de behandelbank. Mijn hoofd diep weggedrukt op foto 3-1een keukenrol. Mijn borst ontbloot. Ik heb hem thuis al geschoren voor alle zekerheid. Op Internet heb ik een prachtige Davidster uitgezocht. Een waarbij je goed ziet dat hij is samengesteld uit twee driehoeken. Een ook die het grafische karakter van de Davidster nog eens extra benadrukt in dubbele lijnen. Het kan me niet grafisch genoeg zijn. Dank zij die dubbele lijn mag ik bovendien twee keer dezelfde sensatie van Schiffmachers prikpen doormaken. Het geeft niet. Het is maar een beetje lijden. Bovendien is het zelfgekozen lijden. En allerminst zinloos.
Schuin rechts boven mij hangt een meer dan levensgrote gouden Christus tegen de muur. De armen gespreid. Het lichaam overdekt met allerlei graffiti. Terwijl Schiffmacher mij professioneel martelt, kijk ik naar die gouden Christus. Ik vermoed een symboliek die ik niet kan overzien. Ik denk vooral, om het bijbels te houden, dat Hij Ziet dat het Goed is. Niet dat ik die Goedkeuring nodig heb.

Net als ik merk dat doorademen slimmer is om de aanslagen uit Schiffmachers venijnige drill-, klop- en hamerboortje te overleven zegt hij: “Zo, beste man, meer kan ik er niet van maken.” (dat zei G”d indertijd ook tegen Adam toen Hij hem had geschapen.). Het is volbracht en Schiffmacher zag dat het goed was. Het is perfect. In amper twintig minuten heb ik een van de mooiste symbolen die ik ken op mijn borst getatoeëerd gekregen. Het is mijn verzetsdaad tegen de dood. Mijn kind, close to my bone. Ik ben er verschrikkelijk trots op. 

 

 

David en het verdriet der vrienden – David vertrekt (17)


11 juli. Vandaag, drie maanden geleden, brachten wij David naar zijn ‘laatste rustplaats’ op Zorgvlied. Hij werd van het uitvaartcentrum gereden naar Borgia aan de Oude Zijds. Daar tilden we zijn kist voorzichtig op schagen in zijn dispuutskelder. Wij, vrienden, familie, collega’s en dispuutgenoten, schreven droevige en soms zelfs vrolijke woorden op de kist. Die verder was overladen met bloemen en met het shirt van ‘zijn’ Ajax, waarop de handtekeningen van alle spelers. Zo bleef hij een uur of twee bij ons en onze herinneringen.

Daarna legden we hem in een grote sloep in een zee van bloemen en voeren met klein, indrukwekkend konvooi door de grachten over de Amstel naar Zorgvlied. Het was behoorlijk koud. Er stond veel wind. Godzijdank het bleef droog tot we aankwamen bij Zorgvlied.

We hielden onze toespraken, we herinnerden hem liefdevol, vertelden anekdotes, zagen hem voor ons, zo levendig – amper een week dood, we huilden, we lachten, we luisteren naar muziek die hem met ons verbond. Bijna een uur later tilden we hem op voor de laatste wandeling naar zijn plek in de ‘Engelsche Tuin’ – een van de mooiste, intiemste pleintjes op Zorgvlied. Bij het verlaten van de aula – het regende nog steeds – zongen de Borgianen hun dispuutslied. Nee, niet zongen. Ze slingerden tekst en noten hard tegen wind en regen in. Als een collectieve schreeuw van verdriet.

We droegen David door de stromende regen over de paden van het prachtige park tussen een haag van familie, vrienden, collega’s en bekenden door. Het was mooi om hier met zovelen te zijn. Wat meer konden we voor hem doen?
In de Engelsche Tuin legden we David op de dwarsbalken boven het gat in de grond dat zijn graf zou worden. Het nieuwe thuis voor zijn lichaam, onder de liefdevolle hoede van een bloeiende kastanjeboom. Hoe onwerkelijk. We haalden de touwen onder de kist door en tilden hem voorzichtig op zodat anderen de balken konden verwijderen. Even zweefde hij tussen hemel en aarde, net als zijn ziel veertig dagen lang zou doen.

Hand-over-hand, secuur, vierden we synchroon de touwen – ons bewust van onze verantwoordelijkheid. De kist voelde loodzwaar van 23 jaar leven. Het kon ons niet lang genoeg duren: dit was ons laatste contact. Toch nog veel te snel bereikte David de grond. We wachtten even. Er was moed voor nodig om de touwen op te halen. Onze taak was volbracht. Het was zo definitief. We trokken traag de touwen terug en bleven staan, onwennig: was dit echt? We deden enkele stappen naar achteren als een schilder die zijn werk van een afstand beoordeelt. Ons verdriet intens zoals we het nog nooit hadden beleefd.

verdriet, te indrukwekkend, te mooi en zo hoopvol
Ineens hield de regen op. De wind ging liggen. De zon scheen. Alsof David wilde aangeven dat het ergste achter de rug was. Dat het goed was, wilden we geloven tegen beter weten in. Want niks was goed.
Zoveel pijn. Zoveel verdriet. Zo indrukwekkend. Wie van ons was hier überhaupt op voorbereid? We images-17verkeerden in een shock. De pijn die we voelden, de herinneringen die zich met weerhaken in ons vlees vastklampten, de tranen die we huilden, de leegte in ons – Davids dood joeg ons uit ons Paradijs. Schopte ons genadeloos de volwassenheid in.
images-20Zie ons. Zoveel verslagenheid om het verlies van de vriend die we diep in het hart hadden gesloten. Met wie we zoveel deelden. Ieder zijn eigen David. Het voelt als verdriet dat eeuwen oud is. Alsof wij – onze zielen – eeuwenoud zijn. Zo inspireerden we rond 1500 Vlaamse Meesters als Van Eyck, Van der Goes, Van der Weijden. Onze mantels scharlakenrood naar de mode van die tijd, onze tranen transparant, verzonken in het gepeins van de herinnering, onze ogen nauwkeurig geschilderd starend in het niets. Onze mondhoeken granada-diptych-right-wing-the-holy-women-and-st-johnvertrokken. Onze zielen verbonden met elkaar en met hem. Voor altijd. Verdriet went niet. Het is als de tranen op het schilderij: ze drogen nooit.

De dagen en weken daarna pakten we ons leven weer op. Bereidden ons voor op onze tentamens. Probeerden de vrolijkheid te hervinden en te hervatten. En de onbezorgdheid. Er waren feesten. Bals. Barbecues. Babes. We werden ouderwets dronken als in de beste dagen van ons Paradijs. Soms lukt het om deze gruwelijke Davidsdag te verstoppen achter een dijk vol alledaagsheden. Soms. Want er zijn ook vrienden voor wie de wond te schrijnend is. Bij wie de studie achter raakt. Want David – steeds weer. Er zijn er die élke alledaagsheid te zwaar vinden. Want David. Een zoekt professioneel steun. Een ander blijft David sms’en. Een volgende leest dagelijks alle mails die hij en David naar elkaar stuurden.

Vorig weekend, drie maanden na zijn overlijden, brachten we op Zorgvlied de letters en cijfers aan op de betonnen rand van zijn graf. Zijn naam. Zijn geboorte- en sterfdatum. En de laatste twee wonderlijke regels uit ‘Psalm’, het gedicht van Rutger Kopland: ‘Maar alleen de wind weet de plek/die wij waren, waar en wanneer.’

DSC_1100
David is de wind als zijn ziel ruist in de bladeren van de bomen. We ontdekken dat Davids overlijden onbeschrijflijk verschilt van het overlijden van ouderen. We praten er niet meer zo vaak over, maar er zijn DSC_1104situaties waarbij we merken dat we allemaal dezelfde wond hebben. Bijvoorbeeld als we samen zijn en iemand zomaar uit het niets zegt: “Shit, hier had David bij moeten zijn.” Op dat moment verandert de sfeer en duurt het even voor we verder kunnen. Het zijn gedachten die we allemaal al hadden, maar die ineens te confronterend zijn als iemand ze uitspreekt. Het went nooit.
DSC_1095We bezoeken hem regelmatig. Soms in groepjes. Vaker en liever ieder apart om hem voor onszelf te hebben. Om hem te vertellen over dat laatste tentamen dat goed ging, of niet, over de reis die we maken, over de sloep die we hebben gekocht waarmee in zaken willen gaan (en die we ‘David’ dopen), over dat we hem zo godsgruwelijk missen. Vooral dat. Dan ruist de kastanje naast zijn graf. Het is goed om daar bij hem te zijn. Meer is nooit meer mogelijk. We dragen David allemaal met ons mee. Hij was in zoveel opzichten méér dan een vriend.

———————————————————–o-0-0-0-o——————————————–

11 juli. Ik ben jarig vandaag. Voor het eerst zonder David. Ik bekijk foto’s van een jaar geleden. We waren op vakantie in Frankrijk. En zo gelukkig – juist vanwege David. Ik kan de foto’s niet aanzien zonder enorm verdriet te voelen. Vandaag laat ik een tattoo prikken (verjaardagscadeau): een Davidster, ter nagedachtenis aan het kind dat mijn leven zo intens kleurde. Ik kan niet wachten tot de naald zijn inktspoor trekt en de pijn van de leegte laat voelen. Leegte die zelfs met inkt niet op te vullen is. Het went inderdaad nooit. Gelukkig hebben we Davids vrienden: een mooiere erfenis kon hij ons niet nalaten.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 575 andere volgers