Davids boodschap – David vertrekt (32)


Het is eind januari 2016. Weer vier weken doorgekomen, of ‘overleefd’ of ‘weggezet’. Het maakt niet uit. Soms vullen de dagen zich met een leegheid die ik aangenaam vind, soms doet diezelfde leegheid pijn. Tijdens de aangenaam lege dagen kan ik het hebben dat David alleen nog bestaat uit stilstaande beelden, uit foto’s waarvan ik een aantal heb ingelijst en anderen die nog altijd dienst doen als bal in de Davidboom waarvan ik maar geen afscheid kan nemen. “Waarom staat die boom hier nog steeds?” vraagt Daniëlle. “Op die manier houd je jezelf gekluisterd aan David. Je hebt op je arm ‘En weer door’ laten tatoeëren maar op deze manier sta je stil.”

“Ik wil hem houden tot en met 4 april. Kan hem niet loslaten,” antwoord ik. De opmerking verwart me. Al die Davids in die boom vertellen een deel van zijn verhaal. Met een beetje fantasie veranderen ze in bewegend beeld. Dan roepen ze geen verdriet op. Niet meer. Blijkbaar kan zelfs verdriet in deze categorie slijten. Niet loslaten. Dat is iets anders. Ik zal hem nooit kunnen loslaten. Waarom zou ik ook? De foto’s prikkelen herinneringen tot korte filmfragmenten. Ik ben steeds weer blij verrast als het me lukt om een fragment geprojecteerd te krijgen. Soms vrolijk, dan weer droevigstemmend. Soms lijkt het pure poëzie, soms eerder horror. Bijvoorbeeld het fragment van dat scooterongeluk:

‘s Nachts hier in het dorp.
Tegen de richting in gereden.
Frontale aanrijding.
In de ruimte onder het zadel 6 flessen sterke drank.
David 17 jaar.
Politie aan de deur rond 04.00 uur.
Scooter total loss.
Helm aan flarden.
Kind in de war.

In zo’n filmpje schuilt weinig poëzie of het moet de Romantiek van de Dolende Puber zijn. Nee. Horror. Nog steeds rillingen over mijn rug, vooral als ik hoor dat toen hij op de grond lang, onder zijn helm vandaan een soort rochelen klonk alsof hij bezig was te sterven. Maar gelukkig niet. Nog niet. Hij was ‘slechts’ bewusteloos en beneveld. Ik vraag me nog altijd af of hij het opzocht. Maar hoezo? Hoe vaak reed ik op mijn brommer niet tegen de richting in? De wereld is van ons.

Of neem het absoluut poëtische fragment van Spookje, het vliegertje. David zal een jaar of 6 zijn geweest. Aan de horizon nog geen joint of fles sterke drank te bekennen.

We brachten veel vakanties door op Vlieland. En Vlieland betekent vliegeren. We hadden we mooi paars, vierkant vliegertje met een lachend spokengezicht. Op een dag waaide het hard genoeg om Spookje achter het huis op te laten. Het vliegertje steeg blij op. David en ik besloten dat Spookje zo lang mogelijk in de lucht moest blijven. Ik bond het eind van zijn touw aan een vlaggenmast. Die hele middag stond de vlieger hoog in de lucht te schudden van geluk in de wind. We besloten hem ook voor de nacht daar te laten want de wind zou niet afnemen. De volgende morgen was het touw verdwenen. Natuurlijk was het verdwenen. Samen met de vlieger. Een paar uur later riep David me. Hij wees naar het bos, verderop. Daar, hoog boven de bomen stond Spookje blij in de wind te wapperen, zijn touw gehaakt in een van de bomen. Vanaf dat moment keken we regelmatig of Spookje er nog was. Wat een onverwacht feest. Ruim drie dagen en nachten hing Spookje vrolijk boven het bos. Dat was nog eens spannend wakker worden. We renden ’s ochtends vroeg naar het raam om te kijken hoe het met Spookje was. Tenslotte kwam het onvermijdelijke. Spookje verdween alsnog en veranderde in een dierbare herinnering. David had het er later nog vaak over en het beeld van dat paarse vliegertje dat dagen achtereen eigenwijs boven de bomen hing, staat in mijn geheugen gegrift.

“Ik was in shock toen ik hoorde dat hij was overleden,” vertelt Daniëlle als we na haar opmerking over de Davidboom verder praten, “en eigenlijk ben ik dat nog steeds. Er zijn voortdurend van die momenten die ik altijd met hem deelde en die ik nu zonder hem moet beleven.” Op Facebook post ze het volgende mooie bericht, dd. 31.01.2016:

Australian Open finale 2012. Nadal vs Djokovic.

Ik houd David op de hoogte via de app. Hij staat in een pashokje kleding te passen en is samen met z’n vriendin. Vertel m over de ene na de andere weergaloze bal van Nadal of Novak. Er wordt gevochten, ik schreeuw bij ieder punt. Ik stuur ‘m foto’s door van de stand, hij van een nieuwe broek. De wedstrijd is bijna vijf uur onderweg als ik David app dat ‘we’ aan de 5e set beginnen. En dat hij nu echt hard op zoek moet gaan naar een tv. Hij stuurt me een Selfie met weer een nieuwe jas aan. Ik snap t. Ik hou ‘m zo goed als ik kan op de hoogte van de stand. Novak wint uiteindelijk na een zenuwslopend gevecht van bijna zes uur. 
Zo ging ‘t vaak de afgelopen jaren, beetje samen kijken. Ik hier en hij in bed, pashokje of naast me op de bank.

Australian Open finale 2016. Djokovic vs Murray. Ik kijk alleen. Zet mijn pijlen opnieuw op Novak en hoop op een zes uur durend gevecht.”

Zou er een verschil zijn in rouwverwerking tussen vaders en (stief)moeders? Of tussen mensen die hun zinnen kunnen verzetten op hun werk en zij die hun dagen grotendeels binnen het huishouden doorbrengen? Ik sprak onlangs een vriendin en lotgenote die haar dochter verloor toen ze zes jaar was – ruim twintig jaar geleden. Zij vertelde dat zij nog altijd momenten heeft van missen en niet-missen. Ze is het ‘gewoon’ gaan accepteren. Als beeldend kunstenares heeft ze het verlies geïntegreerd in veel van haar werk. Dat helpt. Ze zegt: “Ze is altijd bij me. Maar er zijn ook momenten dat ik me ineens realiseer dat ik niet met haar bezig ben. Dan besef ik tegelijk hoevaak dat dus wel het geval is.”
Na al die jaren.
Zo gaat dat blijkbaar. Hoe ‘overleven’andere ouders hun vergelijkbare verlies? Ouders die niet in staat zijn om het overlijden van hun kind een plaats te geven in hun dagelijkse werk en bezigheden.

Ik vraag Miranda van der Meer, die een aantal jaar geleden haar dochter Sophie verloor, hoe zij dat ervaart. In een eerdere blog (nr 14) heb ik al over Sophie en Miranda geschreven. Na een half jaar min of meer sabattical in Nieuw Zeeland is Miranda met haar gezin ‘min 1’ in december teruggekeerd naar Nederland. “Ik realiseer me,” schrijft Miranda, “dat je het echt zelf moet doen, als ik niet goed in mijn vel zit kan ik dat alleen zelf veranderen. Probeer daarom weer beter voor mezelf te zorgen, daarin gesteund door Sophie die letterlijk heeft gezegd: “Ik wil dat jullie blij zijn”.”

“Heb jij bepaalde rituelen rond haar sterfdag?” vraag ik – want ik betrap me erop dat ik met Davids 4e april al bezig ben sinds de jaarwisseling: het is een bijna magische datum.
Miranda: “Sophie voelt op deze dagen altijd dichterbij. Iedereen zegt dan: “Het zal wel moeilijk voor je zijn”, maar zo heb ik haar sterfdag nooit ervaren. Wel onwerkelijk, maar niet moeilijk. Misschien wentel ik me graag in het verdriet, waarin zij dichterbij voelt. Misschien is ze daadwerkelijk dichterbij. Misschien de troostende gedachte dat er deze dag heel veel mensen aan haar denken. Het opstarten van (gedenk)rituelen geeft misschien ook houvast. Ik denk dat jij ook kracht zult putten uit die dag. Moederdag vind ik wel lastig, overigens. Ook kan ik de verhalen over 16 jarigen-diners moeilijk verdragen. Sophie zou in april 16 worden. Ordinaire jaloezie van mijn kant naar andere moeders (zelfs vriendinnen), dat zij wel hun dochter’s 16e verjaardag kunnen vieren.”

Die laatste opmerking is een bermbom in de rouwarbeid van ouders. Er zijn van die momenten waarop je keihard en ‘kei-emotioneel’ de confrontatie met jouw situatie door je strot krijgt gedouwd. Anders wil ik het niet formuleren. Schuurpapier! Wat Miranda hier schrijft over het 16 jarigen-diner is een hele heftige. En het afschuwelijke is dat je het niemand kunt verwijten. Natuurlijk gaat het leven van anderen verder. Net als mijn eigen leven. Maar de confrontatie met mijlpalen of piekmomenten van andere ouders met hun kinderen voelt steeds aan als een bermbom die onverwacht tot explosie komt. Als zoutzuur op de wond. Ik heb dat ook als een vriend vertelt dat hij met zijn zoon, die in dezelfde leeftijd is als David, naar de Biënnale van Venetië is geweest. Samen reizen, samen logeren, eten, kunst beleven, uitwisselen – vader en zoon. Ik gun het iedereen en mijn vriend in het bijzonder, maar op het moment dat hij erover vertelt, snijdt een gekarteld broodmes mijn lijf binnen en draait zich fanatiek om. Fysieke confrontatie met iets dat nooit meer hetzelfde is. Vaak excuseren mensen zich als ze met zo’n verhaal komen. Ik zeg dan dat dat absoluut niet nodig is. En dat ze zich vooral niet moeten inhouden. Maar niet eens zo diep in mijn hart denk ik: ‘ik niet, ik nooit, ik nooit meer’. Miranda noemt het ‘ordinaire jalouzie’ die haar bekruipt en doet zichzelf daarmee verschrikkelijk tekort.

Het is eigenlijk ook nooit goed. Miranda vertelt dat haar man sinds ze terugzijn, zijn oude werk weer heeft opgepakt en nu ’80 uur’ in de week daarmee bezig is. Ik zou graag een blog schrijven over zijn drijfveren om zo hard te werken, in zo’n bijzondere omgeving als het Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis, met op de achtergrond het overlijden van zijn eigen dochter dat hij met al zijn kennis en apparatuur niet kon tegenhouden.

foto 2-3Terug naar Davids boom. Vorige week donderdag kreeg ik tijdens het uitlaten van Bob een intense hypo – wat vreemd is want ik heb geen diabetes. Ik herkende het direct: het zweet dat je uitbreekt, het gevoel van dronkenschap – niet meer je situatie in de hand hebben, zwabberbenen. Ik had het David zo vaak zien ondergaan. Met moeite bereikte ik mijn huis. Dank zij een banaan en veel limonade lukte het me om de situatie te stabiliseren. Door die hypo voelde David dichterbij dan ooit. Nog enigszins wankel ging ik op de bank zitten. Het viel me op dat het licht in de kamer anders dan anders was. Eerst dacht ik dat het aan mijn wiebelige situatie lag. Maar toen zag ik dat de lichtjes in de kerstboom schenen als kleine schijnwerpers. Fel, keihard wit licht. Er waren niet veel andere lampen aan in de kamer dus het witte licht uit de boom domineerde de kamer op een bijna griezelige manier. Vervolgens ging een aantal lampjes weer normaal branden om enkele minuten later toch weer tot de felle stand over te gaan. Wat was dit? Een technisch mankement? Een boodschap van David bij die hypo? Toen gingen plotseling alle lampjes heel kort uit, lichtten daarna weer fel op en gingen ten slotte uit. En. Niet. Meer. Aan. Beeld op zwart. De kamer was donkerder dan duister, ondanks die ene lamp die wel aan was. Ik wist niet wat ik hiermee moest. Ja, uiteraard was een technische verklaring eenvoudig te vinden. Maar vanuit mijn rouwarbeid gezien een uiterst onbevredigend antwoord. Wat wilde David mij duidelijk maken? Want dat hij hierachter zat was wat mij betreft zo logisch als wat. Of eigenlijk: net zo logisch als onlogisch.

Wilde hij het signaal afgeven dat die boom nu wel genoeg was? Dat hij alvast het licht uitdeed en dat ik nu de rest maar moest doen? Gewoon omdat het tot 4 april nog lang duurt en die boom – hoe dierbaar ook – mij weerhoudt van een daadkrachtig ‘en weer door’? Ik vertelde het voorval aan enkele vrienden. Niemand keek er raar van op. Vanochtend sprak ik een van hen opnieuw: “Ik heb er dit weekend over nagedacht,” zei hij, “ik denk dat David je een mild signaal heeft willen geven. Als hij er echt de pest in had gehad, had hij die boom helemaal omgegooid. Daartoe acht ik hem best instaat. Maar nu heeft hij ervoor gekozen om inderdaad alvast het licht uit te doen. Hij vindt het mooi geweest en wil dat jij doorgaat met je leven. Jij moet nu verdergaan met het opruimen van de boom. Er zit niks anders op. Hoe symbolisch wil je het hebben?”

Geen ontkomen aan. Ik moet door. Vind David blijkbaar. Een paar dagen geleden vroeg iemand hoe het met mij ging. “Nieuw jaar, nieuwe kansen,” probeerde ik me onder de impact van die vraag uit te draaien. “Ja,” zei de ander cynisch, “dan zul je wel in beweging moeten komen.” Ik voelde me betrapt. Maar het is waar. Dat gevoegd bij de boodschap van David…

Vanavond maak ik een begin.

 

 

 

 

 

 

David het nieuwe jaar in – David vertrekt 31


Het is enkele dagen voor de jaarwisseling. De telefoon aan de andere kant van de lijn gaat drie keer over. “Louwman Exclusive,” klinkt de aangename vrouwenstem van de receptie van De Luxe Autodealer, “wat kan ik voor u doen?” “Ik wil graag een afspraak maken voor’n proefrit op  3 januari in de Bentley Mulsanne Speed.” “Ik verbind u door,” klinkt het zakelijk en vriendelijk tegelijk.

“U spreekt met Jacques Mulder. U wilde de Mulsanne bekijken?” er klonk enige aarzeling in de vraag. “Nou, vooral een proefrit maken. Ik heb namelijk serieus interesse in deze auto. Dat zit zo. Ik win komende donderdagnacht de Oudejaarsloterij van de Staatsloterij en ik ben ontzettend toe aan een nieuwe auto. Mijn Peugeot 203 uit 1995 overleeft de APK niet meer.” “Dat begrijp ik, meneer, Peugeot 203 leuk karretje voor de minvermogende. Mag ik u bij voorbaat feliciteren met uw prijs? Daar kunt u best een paar Bentley’s voor aanschaffen. Of een andere mooi merk. Heeft u al eens gedacht aan de Maserati eventueel een Rolls Royce? Ik heb hier een hele fijne convertible staan…”
“Nou, voorlopig is een genoeg hoor.Wat ik eigenlijk het leukste vind aan de Mulsanne, is dat er standaard twee City Umbrella’s worden bijgeleverd en vooral die Frosted Glass Refrigerated Bottle Cooler with Bespoke Crystal Champagne Flutes.
“Ha! U rijdt dan wel in een eenvoudig Peutertje maar ik moet zeggen, mijnheer heeft smaak. Prima. Dat mogen wij graag horen. Ik zal ook zorgen dat de  Maserati Ghibli 3.0 S Q4 voor u klaarstaat. Gewoon om te vergelijken. Maar eh, ik wil niet onbeleefd zijn, weet u zeker dat u de winnaar bent? Er hebben namelijk vandaag al vijf mensen gebeld die zeggen dat ze donderdagavond de Staatsloterij winnen.”
Shit.
“Oh, dat wist ik niet. Mijn zoon had mij beloofd ervoor te zorgen. Hij is nog niet zo lang geleden overleden en laatst had ik contact met hem en toen vroeg ik of hij ervoor kon zorgen dat ik zou winnen.” Het is even stil in de mond van de heer Mulder. Dan vervolgt hij:
“Tja, dat zeiden die andere bellers ook. Merkwaardig. Laten we afspreken dat u na de trekking nog even belt om uw komst te bevestigen. Dan houden wij de Bentley en de Maserati voor u vast. Is dat een idee?” Ik denk even na. Hij neemt mij niet serieus. Terwijl ik toch in het hiernamaals een hele sterke troef heb. Maar blijkbaar zijn er meer met rechtstreekse contacten aan gene zijde. Lastig. Ik wil niet nu al door de mand vallen. “Ja,” zeg ik zo kalm mogelijk, “dat lijkt me een goed plan. Dan probeer ik nog even contact te zoeken met mijn zoon – al heb ik geen idee wat hij momenteel uitspookt. Goedemiddag.”

Flauw woordgrapje om te zeggen dat je niet weet wat je dode zoon uitspookt. Maar het is eruit voor ik het weet en het zal meneer Mulder waarschijnlijk niet eens zijn opgevallen. Als ik later die avond David in gedachten spreek, vertelt hij me dat hij al een week voor de trekking heeft geprobeerd in de buurt te komen van de computer die de trekking van de Staatsloterij verzorgt, maar dat het toen al dringen was van al die zielen die hun nabestaanden wilden verrassen met de hoofdprijs. “Gekkenhuis, Pap, hysterisch gewoon.” Later was hij nog eens langsgegaan en toen was het bij de Staatsloterij helemaal een mêlée aan zielen die elkaar het licht niet in de ogen gunden. Maar goed, hij zou de 31e zijn best voor me doen, hoewel ik het hem niet kwalijk moest nemen als… En zo voort. Harde wereld. Dat je kind overlijdt is nog tot daar aan toe. Maar dat het vervolgens niet eens zijn taak als schutsengel fatsoenlijk kan uitoefenen, nee. Nog enkele dagen te gaan en dan is het Oudjaar.

Op 2 januari bel ik de autodealer en zeg het voorgenomen bezoek af. Met excuus van David. “Geen probleem,” zegt meneer Mulder, “ik ken het gevoel. Ik heb ook niks gewonnen, maar ik heb ook geen gestorven familielid. Succes met uw barrel uit 1995.” “Hoepel op, sukkel,” antwoord ik vriendelijk en druk hem weg.
De man in de kroeg aan wie ik dit verhaal vertel kijkt mij verbijsterd aan. “Heb je dat echt gedaan?” vraagt hij ongelovig. “Helaas niet,” beken ik, “maar ik had wel een Staatslot en mijn zoon is echt dood.” “Life sucks, jongen,” zegt hij. Ik knik. Ja, life sucks. Death ook, trouwens.

Oudjaar. Mijn volwassen leven lang bak ik op 31 december oliebollen. Ik heb een mooi recept dat zorgt voor oliebollen die bijna pure patisserie zijn. Dit jaar vraag ik me af of ik nu wel of niet oliebollen zal maken. Ik ben met Oud & Nieuw alleen (heb een aanbod voor een feestje afgeslagen) en om nou rond begin maart nog steeds met een schaal oliebollen te zitten – nee, dat is geen opbouwende gedachte. Toch blijft het wringen. Waarover maak ik me nou eigenlijk druk? Hoe belangrijk zijn die stomme  oliebollen voor me? Zit ik nou niet expres een potje zielig te doen? Ik deel mijn twijfels met een vriendin, die heel wijs adviseert om ze gewoon wél te maken. “Het is toch traditie voor je? Waarom zou je jezelf straffen? Ik zou ze gewoon bakken en wat je overhebt hang je straks als vetbolletje in de boom,” zegt ze. Shit, wat doe ik moeilijk. Natuurlijk heeft ze gelijk. Door die oliebollen te maken, geef ik mezelf een taakje voor de middag, maar ik maak mezelf ook duidelijk dat het geen zin heeft om het niet te doen omdat die 31e een zware dag is. Immers, David. Ik weet eigenlijk zeker dat hij dit geneuzel  allemaal lulkoek vindt. Dus ik maak mijn 26 oliebollen en voel me daarna opgelucht en trots. Desondanks zeil ik even later weg in een uit graniet gehouwen droefheid. Want, inderdaad, David. Kutzooi.

Op een van de laatste dagen van het oude jaar bezoek ik de overzichtstentoonstelling van Isa Genzken in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Het is een fascinerende verzameling objecten vol maatschappijkritiek op een ‘gründliche’ typisch Duitse manier. Ergens, in de loop van de expositie kom ik deze vensters tegen. foto 1Ik ben al lang gefascineerd door dit soort objecten waarmee je ruimte afbakent en tegelijk nieuwe ruimte creëert. Het is eigenlijk een definitie van architectuur. En van het leven op zich.
Architectuur: stel je staat in een wijds landschap, zonder gebouwen dus je kunt kijken zo ver je wilt. Dan zie je in de verte iemand aankomen die een lange paal in de grond steekt. Vanaf dat moment wordt het landschap in tweeën gedeeld. Een vreemd lichaam is in het landschap geplaatst en dat is direct niet vrijblijvend. Stel je bouwt in dat landschap een huis van drie verdiepingen. Vanaf het moment dat het geraamte staat, een deel van de open ruimte in beslag neemt, gebeurt er iets bijzonders. Binnen de ruimte van het landschap ontstaan nieuwe ruimtes. Straks zullen bijvoorbeeld op driehoog wellicht kinderen spelen. Was te drogen hangen. Spullen worden opgeslagen. Er ontstaan nieuwe wetmatigheden in die nieuwe vorm. Zo is er ineens de mogelijkheid om van etage naar etage te gaan met een vanzelfsprekendheid die niet bestond toen het huis er nog niet stond. Neem wolkenkrabbers. Ik vind het helemaal niet vanzelfsprekend dat die er ‘zomaar’ zijn. Telkens als ik een zie, besef ik hoe bijzonder het is dat iets een functie krijgt vanuit zijn wezen in een omgeving – de open ruimte – waar dat eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend is. In de open ruimte bestaan geen lift die je in een paar seconden naar de 35e etage brengt. De open ruimte kent geen etages. De vensters van Genzken laten dat proces zien in zijn meest uitgebeende vorm. Bovendien verleiden ze de kijker tot nieuwsgierigheid en ervaren: toen deze opstelling er niet stond, was dit een witte muur die grenst aan een parketvloer waar iedereen langsliep zonder er aandacht aan te schenken. Nu de vensters er staan nemen nieuwsgierige bezoekers de tijd om door elk van de vensters naar dezelfde muur en vloer te kijken. Er ontstaat een andere ervaring van de ruimte. Het is alsof je kijkt door iemands ogen.
Het leven op zich: ieder leven dat ontstaat, is bezig ruimte in te nemen. Vanaf het prilste begin en de geboorte tot de dood aan toe. Hoe ouder je wordt en hoe groter je nieuwsgierigheid is, des te meer vensters zich openen, des te meer antwoorden je vindt op je vragen, des te meer je toeneemt aan betekenis voor anderen. De ruimte die David bezig was in te nemen, de vensters die hij opende, was nog relatief klein en tegelijk al behoorlijk groot. Iedereen die hij toestond om door zijn vensters naar de open ruimte van het leven te kijken, ontdekte de waarde van sociale vaardigheden, leerde van zijn interesse in menselijke contacten, ervoer zijn kracht als bindende factor en werd geïnspireerd door zijn talent als debater en als hockeyer.

Het is intussen 6 januari. In de aanloop naar Oud & Nieuw noteerde ik dat ik doodsbenauwd was voor het nieuwe jaar: hoeveel ellende zou er nu weer over mij heenrollen? Ik kon slechts door de donkerste vensters naar 2016 kijken en bittere grappen maken die alleen ik begreep. Maar het werd vanzelf 1 januari, en 2 en 3 en 4 enzovoort. Bijzonder genoeg voelde 1 januari anders aan dan de dagen ervoor. Er waren geen gitzwarte vensters meer waarin de somberste vooruitzichten spiegelden. Er was geen angst. Geen verdriet. Alsof ik mijzelf door een sleutelgat had gewurmd en terecht was gekomen in een andere tijd/ruimte-ervaring. Alsof de symboliek van Oud & Nieuw die nacht als een wolkenkrabber de open ruimte van mijn leven had ingenomen en mij had meegevoerd naar de hoogste etage, boven de wolken in zuiverend zonlicht. Met hoopgevend uitzicht.
Dit is eigenlijk geen tekst voor mij. Ik metafoor niet graag tenzij functioneel. Nog minder heb ik sinds Davids overlijden iets met horoscopen, tarotleggingen, uit- of intredingen of wat dan ook. Wellicht komt het doordat de Maan dezer dagen in het teken van de Kreeft staat – je weet het niet, hè?

Desondanks is het intussen 6 januari en ik heb besloten dat het nieuwe jaar het best bekeken en ervaren kan worden als door de open vensters van Genzken. “En weer door in 2016.”
Zo begint het nieuwe jaar: met de schoonheid van mijn roestbakje dat straks zijn APK niet meer haalt, met 4 april de eerste herdenking van Davids overlijden en verder met veel open ruimte om van te genieten. We zien wel wanneer life weer sucks.

 

 

 

2015 herzien


De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 24.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 9 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

David’s December – David vertrekt (30)


Goede voornemens: 31 december, 00.00 uur.
Stilstaan bij het afgelopen jaar: 31 december 00.00 uur.
Stilstaan bij het nieuw jaar… Ik moet er niet aan denken.
Oud & Nieuw is zo symbolisch, vol traditie en betekenis dat je bijna erin gaat geloven – terwijl het natuurlijk een dag is als alle andere, 24 uur inclusief zonsopgang en -ondergang. David was op die avond nooit thuis. Natuurlijk niet. Voor hem was het partytime. Dus schoot ik altijd namens hem een vuurpijl af en wenste hem in gedachten alle geluk van de wereld.

2014 was een heftig jaar: ik had mijn leven compleet en hardhandig binnenstebuiten gekeerd (plus de levens van veel dierbaren). Bovendien moest ik afscheid moest nemen van een van mijn fijnste projecten ooit: galerie De 7e Hemel. Dat leverde een verbitterd Oud & Nieuw op waarvan ik achteraf zou kunnen zeggen dat het boordevol aanwijzingen zat voor het afgelopen rampjaar. Maarja,  achteraf met de ‘wijsheid’ van nu.
Nog even en 2015 kan worden afgesloten. Vrienden informeren hoe het nu gaat en hoe we de feestdagen denken door te komen. Of sturen goedbedoelde, onhandig geformuleerde wensen als “We hopen dat je wat moois van 2016 weet te maken”. Bedankt. De waarheid is dat ik scared as hell ben voor het nieuwe jaar.

In zo’n ‘hoe gaat het nu’-gesprek kreeg ik onlangs nog een Davidanekdote cadeau. Een kennis deed enkele jaren geleden een klusje in mijn huis. David was daar ook, samen met een vriendin. “David kwam naar mij toe en vroeg of ik hem even vijf euro wilde lenen. Hij zou het de volgende dag terugbetalen. Ik heb het geld nooit gekregen. Toen ik hoorde dat hij was overleden, dacht ik direct ‘naar die vijf euro kan ik nu ook wel fluiten’.”
Hoe bot kun je zijn? Ik pakte mijn portemonnee en gaf direct vijf euro aan de kennis met ‘excuus van David’. De kennis voelde zich duidelijk ongemakkelijk maar accepteerde het geld. Het leek op die wrange mop die mijn moeder graag vertelde: Sam is geld schuldig aan Moos en moet het uiterlijk de volgende dag betalen. Hij kan er niet van slapen. Saar, vrouw van Sam, vraagt wat er is. Hij legt het uit. ‘Is dat alles?’ vraagt Saar. ‘Ik los het op.’ Ze belt Lea en zegt: ‘Mijn Sam moet aan jouw Moos morgen geld geven. Maar dat heeft hij niet.’ En hangt op. ‘Zo,’ zegt Saar tegen Sam, ‘opgelost. Nou kan hij niet slapen.’
Toen bij David Diabetes was geconstateerd, vier jaar oud, belde ik mijn ziektekostenverzekeraar. Ik wilde weten of de ziekte consequenties had voor zijn verzekering.. Er ontspon zich een surrealistisch gesprek waaruit bleek dat aanvullend verzekeren onbespreekbaar was. Ik werd steeds bozer. Ten slotte riep de man aan de andere kant van de lijn: “Maar begrijpt u het dan niet, we verzekeren toch ook geen brandend huis?”
Mijn kind, vier jaar oud, brandend huis. Ik heb dat gesprek nooit van mij kunnen afschudden. Het kwam op volle sterkte terug die avond op 4 april toen om half twaalf de twee agenten aan mijn eettafel plaatsnamen en vertelden dat David ‘s ochtends was overleden. Brandend huis tot de grond toe afgefikt.

David heeft zijn eigen boom gekregen. Uit wit karton heb ik rondjes geknipt en daarop foto’s geplakt: van hem alleen, met Daniël, met Daniëlle, met Manouk – zijn eerste Grote Liefde, met mij (die gedenkwaardige keer dat ik zijn stropdas knoopte). De piek is een witte engel met als hoofd de foto waarop hij, stevig blowend, glunderend de wereld inkijkt. Ik hoop dat zijn ziel zich net zo gedraagt. Op verzoek van Daniël hebben we er ook een paar kerstballen bij gehangen: “Anders is het geen kerstboom, Pap.” Ik zit graag naast die Davidboom. De ruim 30 verschillende foto’s geven me rust, maken me op een bepaalde manier ook blij. David is hier even dichter bij mij.

foto 1-6

Kerst, Oud & Nieuw: het is alles leunen op idiote symboliek. De geboorte van het Kerstkind als basis van een boom die een overledene eert: begin en eind verstrengeld in een rare verbondenheid. Met een wrange bijsmaak: niemand weet of dat Kerstkind ooit echt is geboren maar die dood van dat andere kind, mijn kind, die is wel echt. Fucking echt. “Als ouder van een gestorven kind heb je levenslang,” zegt iemand tegen me. Ja, zo voelt het inderdaad. En waarschijnlijk zal dat Kerstkind mij daaraan elk jaar opnieuw herinneren. Het Kerstkind als Portier van de dood.

“You are born and then you die”.

Over vier maanden is het alweer april en overlijdt David wat mij betreft pas werkelijk. Het afgelopen jaar heb ik hem levend gehouden met deze blogs, met herinneringen, met het bouwen aan zijn graf. Schijnbewegingen. Meer was het niet. Noodzakelijke schijnbewegingen om het gevoel van een definitief afscheid uit te stellen. Ik vermoed dat ik het aankan om hem op 4 april echt los te laten, ondanks het ‘levenslang’ dat hem tot aan mijn dood en ‘ver daar voorbij’ aan mij kluistert (citaat uit Toy Story, favoriete film van David en mij. Ook: ‘Jij bent een raar mannetje!’ Buzz tegen Woody) .

Zo ontdek ik per blog wat rouwen en rouwarbeid eigenlijk inhoudt. Het is klaarkomen met teleurstelling, met je ontdekking van het onvermogen om een dierbare overledene terug te krijgen. Mijn verdriet gaat minstens voor de helft daarover. Onmacht die ontstaat uit verzet tegen iets waartegen het zinloos is om je tegen te verzetten. Naarmate de tijd verstrijkt groeit dat besef. Daar kunnen gemakkelijk maanden overheen gaan. Of een jaar. Of langer. Zolang je je verzet, houd je de overledene gevangen. Hoe liefdevol je rouw ook is. Ik sta mijzelf toe om tot 4 april 2016 David voor mijzelf te houden – hoewel hij waarschijnlijk vindt dat het nu al mooi is geweest.

 Als iemand mij vorig jaar op 31/12 om 00.00 uur had gezegd: “Je zoon gaat dood over een maand of wat en verder is het ook nogal een kutjaar voor je…” hoe had ik dan gereageerd? Ik denk dat ik vol ongeloof en voor alle zekerheid achter elkaar een fles champagne naar binnen had gewerkt. Het idee dat achter de deur van het nieuwe jaar een verdord en deels verbrand landschap schuilging. Waar gieren klapwiekend met smeulende vleugels vochten om brokken verkoold vlees. Waar op een begraafplaats in de verte een vlag wapperde waarop Davids portret…
“Wat doe je met Oud & Nieuw?” Nou, eh… gewoon.  Ik zie er verschrikkelijk tegen op. Omdat Davids sterfdatum dan langskomt. Maar vooral omdat ik geen enkel vertrouwen heb in het nieuwe jaar. Natuurlijk heb ik ‘de bodem van de put’ bereikt met Davids overlijden, dat garandeert echt niet dat 2016 een schadevrij jaar wordt. Ik denk dat ik Davids motto uitroep tot thema van 2016.

Hij komt in elk geval langs op eerste Kerstdag. Veel van zijn vrienden zijn hier ’s middags en als die er zijn, is David er ook. Op tweede Kerstdag gaat hij meestal met zijn moeder en zus naar de bioscoop. Vaak naar de nieuwste Harry Potter of In De Ban van De Ring. Met Oud & Nieuw zien we hem nooitt. Dan is het partytime in Amsterdam. Maar om 00.00 uur komt er altijd wel een appje van hem binnen.

“En weer door”
in 2016
en ver daar voorbij…

 

 

 

David in December – David vertrekt (29)


Het is vrijdagavond een jaar geleden. Miezerregen. Daniël en ik staan bij het busstation om David te halen. Zoals gewoonlijk zitten er nauwelijks mensen in de rode bus uit Amsterdam. Dat maakt het wel makkelijker om David op zijn vaste plek te herkennen: in het achterste deel van de bus; jongen met omgekeerde pet op zijn hoofd, vette krullen, bruin windjack. Hij zwaait. Op zijn gezicht is verder geen spoor van emotie te ontdekken.

Dagelijks zie ik die bus rijden. En altijd zit ergens achterin een David: omgekeerde pet, windjack. Tegenwoordig kijk ik maar een andere kant op als de rode bus langskomt. Er zijn zo van die dingen die ik liever ontken.

Daniël rent David tegemoet die behalve zijn rugzak een enorm voorwerp omhuld door vuilniszakken met zich meedraagt. We hebben dit jaar voor het eerst lootjes getrokken en ieder moet ten minste een surprise maken. Ik vermoed, ik hoop dat dit Davids surprise is.
We proppen ons in de kleine Peugeot waarvan nog maar een portier fatsoenlijk open en dicht gaat, en rijden naar huis.
Die avond vieren we de leukste Sinterklaas ooit. Even vergeten we andere zaken die ons bestaan dwarsbomen en bedreigen. We hebben allemaal ons best gedaan op de surprises en gedichten. Zelfs Daniël. Maar vooral David. Uit de vuilniszakken haalt hij een levensgrote ‘pick axe’, het fameuze pikhouweel uit computergame Minecraft dat Daniël en hij zo vaak spelen. We weten niet wat we zien, zo prachtig is het ding gelukt. Dan leest Daniël het bijbehorende gedicht voor en ik te gloei van trots. Het is David gelukt een echt goed, ritmisch, rijmend gedicht voor Daniël te schrijven. Wat een feest. De voorgaande jaren heeft hij nauwelijks moeite gedaan om voor Sinterklaas zijn best te doen. Dit gedicht en deze surprise maken dat in een keer goed.
David vertelt later dat hij met Philip zo’n drie dagen is bezig geweest om de pick axe in elkaar te zetten. We hebben hem nog steeds en koesteren hem, samen met de herinneringen aan die avond.

De afgelopen maanden kon ik alleen maar met angst en beven denken aan december. Als ik me ergens niet op verheugde, was het deze ‘feestmaand’. Hoe moesten we nu Sinterklaas vieren? Hoe kon deze Sinterklaas überhaupt de vorige evenaren, laat staan overtreffen met David zo aanwezig in onze herinnering? Dit is de ‘hoofdfilm’ van mijn geheugen – vanaf zijn aankomst met de rode bus, de miezerregen, tot de onthulling van de pick axe en het voorlezen van het gedicht.

DSC_0912

Een paar weken geleden vroeg Daniël om hem te helpen met het maken van de surprise voor school. Hij wil een PS4-controller maken, maar heeft geen idee hoe dat moet. Fanatiek stort ik me drie weken lang op kippengaas, repen papier, behanglijm en plakkaatverf. Het zorgt als ware bezigheidstherapie voor veel afleiding. s Nachts denk ik de volgende stappen uit en kan niet wachten tot het weer dag is.

We besluiten om met ons drieën lootjes te trekken en surprises met gedichten te maken. Direct is een ding duidelijk voor mij: ter ere van Davids inspanningen vorig jaar ga ik dit jaar al mijn energie erin steken. Dus naast de controller stort ik me op een remake van de onnavolgbare raket uit Kuifjes Mannen op de Maan en maak ik Trojaans paard. Heerlijk om te doen. Meer en meer verheug ik me op de komende 5e december. In plaats van met mijn hoofd tussen mijn knieën te zitten, borrelen de mafste ideeën op. Dit wordt mijn eerbetoon aan Davids Sinterklaas. Zoveel moeite als hij vorig jaar heeft gedaan voor zijn surprise en gedicht, zoveel inspanning wil ik dit jaar minstens leveren. Er is een doel, er is een datum, er is inspiratie – voor het eerst sinds lang. Ik verheug me.

Dan is het zover. We hebben allemaal ons best gedaan. Er zijn surprises. Er zijn gedichten. Er is marsepein, pepernoten en pizza. We zeggen: “David is er vanavond bij,” en meer niet. Want het is goed zo. Ander ritueel is niet nodig. Ook niet na afloop als de surprises hun geheimen hebben prijsgegeven, de gedichten zijn voorgelezen. We zeggen niet: “Weet je nog vorig jaar…,” of “Dit zou David ook leuk hebben gevonden…,” of “Ik mis hem toch wel.” Later die avond vraag ik me af hoe dat toch kan. Een antwoord kan ik niet vinden. Behalve dat ik merk hoe opgelucht ik ben: we zijn dus in staat om verder te leven. We geven het ‘nu’ alle voorrang en dat is een hele stap. Een maand geleden was dit ondenkbaar geweest, toen was 5 december een datum om liefst over te slaan, hard voor weg te lopen.

Het geeft vertrouwen in de komende weken. Kerst en Oudjaar zijn niet ver weg meer. Ik maak plannen voor een speciale Davidboom. Weer een project om me in uit te leven. Vanochtend kwam een zinnetje langs, uit het niets: “Ik had een zoon.” Dat voelt aan als een andere fase in mijn rouwarbeid. Het is berusting, mijn verzet tegen zijn dood lijkt in sommige opzichten voorbij. Er is ruimte voor andere zaken. Ik wil geloven dat David mij die ruimte geeft: “Pap, ga nou maar door,” ik hoor het hem zeggen terwijl hij in de rode bus stapt die hem terugbrengt naar zijn gelukkige leven met Philip, met Borgia, met Budget Energie, met zijn talloze vrienden.

 

 

David – armen om je heen – David vertrekt 27


Sinds Davids verjaardag voelt het alsof ik opnieuw loop over het drijfzand van de maanden hiervoor. Elke stap is een teveel en verschrikkelijk vermoeiend. Elke letter een vertraagd gevecht. Zou het kunnen dat rouw iets anders is dan verdriet? Over rouw kun je zeggen dat het gaat over terug- en vooruitdenken. En ‘dus’ dat de rouwende maar beter in het hier & nu kan staan – dat soort helpende ideeën.

Verdriet gaat over iets anders. Verdriet is niet te vatten in verleden of toekomst. Verdriet gaat over verlies. En, verdomme, verlies gaat ontzettend over het hier & nu. Eigenlijk over niks anders. Verlies is de leegte voor het ontstaan van het heelal. Waar je ook bent, met wie en wanneer. Het is niet de boeddhistische leegte, de afgrond die alle angst bij je losmaakt, maar die uiteindelijk voor de ultieme verlichting zorgt. Verlies van je kind is de leegte die door niets is in te vullen. Verlies is wat je voor jezelf houdt, omdat het niet uit te leggen is. Rouw, ja, rouw kun je delen met anderen. Als je dat al wilt. Maar verlies, nee.

Het valt me op dat veel begrippen met een negatieve lading beginnen met ver-: verlies, verdoemd, verongelijkt, verliezen, vergeten, verstoppen, verachten, verlopen. Goed, je hebt ook: verzinnen, verwonderen, vergelijken, verstuiven, verversen, verloven en ga zo maar door, maar dat is een andere categorie. In elk geval constateert het woordenboek dat het voorvoegsel ‘ver-‘ een verandering van iets aangeeft. Nou, dat kun je in het geval van ‘verlies’ en ‘verdriet’ en ‘vergaan’ niet ontkennen. (Sorry, eens leraar NL, altijd.)

En weer door. Natuurlijk heb ik geen alleenrecht op dit verlies. Ik merk dat veel mensen die David hebben gekend, te maken hebben gekregen met verdriet en verlies. Soms vertellen ze het, soms schrijven ze mij erover, soms organiseren ze een feest ter nagedachtenis. Hoe raar het ook klinkt: dat maakt mij gelukkig. Het zijn armen om mij heen en om David. Het maakte de leegte leefbaarder – maar tegelijk pijnlijker.

Beste Han,

U kent mij niet, maar ik heb uw zoon wel gekend. Samen met David zat ik in een commissie van Lanx, Ik ken David als een heel spontane, lieve en enthousiaste jongen. Het verschrikkelijke nieuws hoorde ik toen ik aan het reizen was. Op dat moment was ik in Indonesië. Ik kon het niet geloven. Het voelde oneerlijk. Ik was aan het reizen, van het leven aan het genieten terwijl dit gebeurd was met Daaf. Ik heb vaak aan hem moeten denken & ik vond het fijn dat ik alles via Facebook kon volgen. Echt een prachtige begrafenis. Gisteren ben ik samen met mijn vriendin naar het graf geweest. Ik wilde hem nog wat geven: een geelrood armbandje dat ik heb gekregen van een monnik in Ankor wat in Cambodja ligt, toen ik een wierookje voor Daaf aanstak. Ik heb het aan een van de twee boompjes vastgemaakt. Ik wilde u het verhaal ook vertellen, want voor mij was het een heel bijzonder moment.

Inmiddels aangekomen in Cambodja wilde ik graag iets doen voor Daaf. Tijdens een bezoek aan Angkor waar het krioelde van de Aziatische toeristen, vond ik tussen alle drukte een klein verscholen tempeltje. Er waren geen toeristen. Er was rust. Er zat alleen een monnik bij een Buddha. Ik besloot hier een wierookje aan te steken & barstte uit in huilen. De monnik naast mij voelde op de een of andere manier wat ik voelde en ik zag ook tranen in haar ogen. Vanwege de taalbarrière probeerde ik met handen en voeten uit te leggen wat er was gebeurd maar tevergeefs. Toch was het een heel fijn moment. Ze troostte me en veegde met haar monnikskleed mijn tranen weg. Een heel bijzonder moment. Ze gaf me het roodgele armbandje dat ik nog 5 maanden bij mij heb gedragen en ik nam mij voor dit aan Daaf te geven zodra ik terug was.

Heel confronterend om gisteren dan echt zijn rustplaats te zien. Wel een fijn gevoel dat hij een mooie plek heeft onder een mooie boom. De glazen rugzakjes, de peuken in de asbak & het halfvolle biertje waren een erg mooi gezicht.

Ik wil u nog alle sterkte wensen met dit verlies!

Liefs,

Eva

 Armen om je heen. Zo voelt dat. Zo warm. Armen om David heen. Ik heb een hoofd vol momenten, elk eindigend met mijn armen stevig om hem heen – als ik ze over kon doen…

Zoals die enige keer in ons leven dat we samen op wintersport gingen om te snowboarden en David allang met die irritante sleeplift op de top van de heuvel was aangekomen en op mij zat te wachten terwijl ik beneden voortdurend na een meter of vijftien uit dat ding donderde en terug moest naar Af om vervolgens alweer en zo een keer of tien – toen ik ten slotte boven kwam zat hij daar als 8-jarige in de sneeuw te huilen met allemaal mensen om hem heen. david
Ik had nog gezegd: “Ga jij maar vóór mij naar boven, dan vang ik je wel op als je er onderweg uitvalt.” Euvele tekst. Hij heeft me er sindsdien vaak mee geplaagd. Ik sloeg ik mijn armen om hem heen, maar nu en hier zou ik dat zo graag willen overdoen en intenser en hem een eeuwig leven beloven want ik beloof nou eenmaal graag dingen die geen mens kan waarmaken, hoewel tegenwoordig een stuk minder vaak want zelfs ik leer van mezelf.

En dan is er dat moment zo’n jaar of twee geleden. Het kan zijn dat ik er al eerder over heb geschreven in deze blogs. Telkens zie ik die film voor me. Toen ik enige tijd niet thuis woonde, zocht David mij regelmatig op. Vaak direct na zijn werk. Lang duurden die bezoekjes nooit – typische familietrek: ik kan er ook niet tegen om iemand langdurig in een ziekenhuis op te zoeken.
David haalde me op om buiten te lopen, te roken, ergens een patatje te eten, te roken en vervolgens afscheid te nemen. Het was donker. En behoorlijk koud. We namen afscheid halverwege zijn route naar de trein. Omhelsden elkaar – ik genoot intens van zijn omhelzingen – en namen afscheid. “Sterkte pap. ik kom gauw weer.”
“Dag Daav. Dank je.”
Ik zie moeiteloos voor me hoe hij van mij vandaan liep, zijn zwarte rugzak over zijn bruine jas, pet omgekeerd op zijn hoofd. Dat sjokkende en tegelijk zelfverzekerde loopje. Ik had achter hem aan moeten rennen: “Daav, wacht, ik loop even met je mee,” waarna ik mijn arm over zijn schouder had geslagen, hem stevig tegen me aangedrukt en zo samen naar het station was gelopen of misschien wel hem gewoon nooit meer losgelaten. Het beeld verdwijnt niet: dat joch dat oversteekt en min of meer wordt opgeslokt door de avond. Dat sjokkende joch. Dat zelfverzekerd sjokkende joch. Dat joch met die pet op zijn kop. Die pet op die vetgemaakte schitterende krullen. Dat joch dat eigenlijk nooit klaagde maar er wel altijd was. Dat joch – mijn zoon.

En, voorbij het leven in de gruwelijke leegte van het verdriet, de herinnering aan dat moment ’s ochtends in het rouwcentrum waar ik hem voor het eerst zie sinds ik weet dat hij dood is. Vier ellenlange dagen wachten op iets dat er niet meer is en toch wel. Ik herken hem nauwelijks, daar in zijn kist. Zijn haar ligt er raar bij. Zijn gezicht is anders. Zijn ogen zijn gesloten maar zelfs dan de zijne niet. De kou slaat van zijn lichaam – vers uit de koelkamer. Mijn god wat een gruwelijk moment. Pas veel later zal ik ontdekken hoe het komt dat hij er zo merkwaardig bijligt. Ik wil, ik moet, ik zal die kist in. Ik wil, ik moet, ik zal naast hem gaan liggen, mijn armen om hem heenslaan en koud worden van zijn kou maar intussen mijn warmte aan hem overdragen. Want ik weet echt wel dat mijn kind dood is, maar dan hoeft hij het toch niet zo krakend koud te hebben? Ik wil, ik moet, ik zal – niks. Ik sta machteloos naast de kist en neem alleen heel even zijn hoofd tussen mijn handen. Het is ons laatste fysieke contact. Die middag ontmoet ik hem opnieuw. Godzijdank heeft hij nu iets meer kleur op zijn gezicht en voelt hij minder aan als zojuist uit een gletscher gehouwen. Niet veel later schuiven we het deksel op zijn kist. Ik kan hem niet aankijken. Het is zwaar, zo zwaar. Ik sluit mijn kind af van dit bestaan. Definitief. Hoe afschuwelijk wil je het hebben? Nooit, nooit meer mijn armen om hem heen.

Er is een ‘leegte die hij achterlaat’. Die zich vult met verdriet. Ik denk dat het zo zit: rouwen is weliswaar hard werken, maar te doen en zelfs op een gegeven moment te beheersen en uiteindelijk achter je te laten. Maar dit verdriet is van een andere orde, een andere dimensie. Voorbij alles wat je kunt bedenken. Voorbij het hier-en-het-nu. Voorbij taal… Die 4e november heeft de leegte weer zo tastbaar gemaakt dat het voelt als de eerste weken na zijn dood. Puur drijfzand.

Het is al laat. Ik sta op, doe mijn schoenen aan, mijn jas en probeer Bob op te laten staan voor de laatste ronde. Hij kijkt mij aan en blijft ongehoorzaam liggen, wat ik ook zeg. Ik laat het maar. Als niet, dan niet.
De volgende ochtend breng ik Daniël naar school. Met het gevoel van dit blog nog in mijn lijf sla ik mijn armen om hem heen en houd hem stevig vast. Hij trekt zich snel los: “Ja, pap, laat maar zo kom ik nog te laat.” Even later zie ik hem verdwijnen in de massa kinderen, rode rugzak over zijn schouders, een loopje dat me bekend voorkomt. Een moment is er geen leegte.

Davids verjaardag – David vertrekt (27)


“Wat doen jullie die dag?” is de meest gestelde vraag van de afgelopen weken. Hoe dichterbij de 4e november komt, Davids verjaardag – hij wordt 24 -, des te minder ik weet wat we gaan doen. In elk geval hangen we slingers op. Misschien steken we een paar kaarsen aan bij zijn foto en zingen wat we altijd zongen bij het verjaardagsritueel: David in zijn kamerjas waaruit zijn sterke hockeykuiten steken komt uit zijn zolderkamer de trap af en we zingen Lang Zal Hij Leven en niet te vergeten De Kop Van De Kat en dan nog iets in het Engels onder leiding van Daniël.

geboortekaartje David

geboortekaartje David

Godverdomme wat een cynische tekst: Lang Zal Hij Leven.
Lekker lang, ja. En Leven? Hooguit voortleven in onze herinnering. Ik kan daar kansloos boos over worden. David is voortaan een Voortlever. Nou, gefeliciteerd. We zingen niet. Het komt niet eens in ons op.
Ik denk dat we een bos bloemen kopen, waarschijnlijk witte die we ’s middags meenemen naar Zorgvlied. Misschien hangen we ook wat slingers op bij het graf. Dat zullen de omringende grafhouders bijzonder op prijs stellen. Ze hebben al geïnformeerd wanneer die ordinaire vlag op het graf weggehaald wordt. Nou, voorlopig niet, dames en heren.

Zorgvlied. We steken sterretjes aan en zingen van De Kop van De Kat

Zorgvlied. We steken sterretjes aan en zingen van De Kop van De Kat die Jarig is En Zijn Pootjes vierden Feest. De ‘rugzakken’ steken schitterend af tegen het herfsttapijt.

Het kwam al ter sprake in die eerste beladen week na Davids dood: straks komen de feestdagen – piekmomenten die een test zijn voor het rouwproces in het eerste jaar, het tweede jaar, het derde en vierde en vijfde – en nog vele jaren. Met Davids verjaardag openen we vandaag het hele feestpakket: sinterklaas, kerst, oud & nieuw. Weinig om je echt op te verheugen. Veel om met behoorlijke tegenzin tegemoet te zien. De vraag is natuurlijk hoe verstandig dat is, voorzover hier al sprake is van ‘verstandig’.

Overigens is het vandaag ook precies 7 maanden geleden dat David overleed. Een dubbele gedenkdag van de ergste soort. Zeven maanden die te snel gingen en tegelijk te traag. Zeven maanden om te wennen aan het idee dat je kind is vertrokken met onbekende bestemming om nooit meer terug te keren. Zeven maanden eenzaamheid. Terwijl ik ‘s ochtends met de hond door het knisperende herfstbos wandel zie ik ineens een nieuw puzzelstuk in de wreedheid van zijn dood. Elk kind heeft het ‘recht’ of misschien zelfs de ‘plicht’ om zijn ouders in te halen en op een bepaalde manier voorbij te streven. Zoals met zoveel dingen, is hem die kans ook ontnomen. Ik had het hem zo verschrikkelijk gegund.

Rouwen betekent helemaal niet ‘verwerken’, of ‘loslaten’ of ‘accepteren’. Het is vooral je krachtig verzetten tegen iets waarvan je weet dat je je er niet tegen kunt verzetten. Tegen beter weten in (in het beste geval) behouden wat is geweest met alles wat je in je hebt.
Eckhart Tolle adviseert in ‘De Kracht van het Nu’ om je te concentreren op het ‘hier-en-nu’. Al het andere is lijden aan tijd: verleden, toekomende. Bovendien is al het andere je ego dat aanhoudend bezig is je te ver- en misleiden door je over vrijwel alles te laten somberen, over inzitten, zorgen maken, boos zijn, rancuneus, jaloers, achterdochtig, wrokkig. Niet-helpende gemoedstoestanden – die je in bijna alle gevallen over jezelf afroept. Ellende waar je nooit vat op hebt, maar die, als je er de ruimte aan geeft, je leven behoorlijk kunnen vergallen. En dat van je naasten.

In bijna alle gevallen want: niet de dood van je kind.
Tolle verwijst onder meer naar het Boeddhisme dat eeuwen geleden al tot deze conclusie kwam en aantoonde dat het geen enkele zin heeft om dat soort emoties toe te laten. Het beste wat je kunt doen, is leven in het hier-en-nu. Een leven zonder verzet. Zonder angst. En dat is minder cliche dan het wellicht lijkt. Hoewel Tolle nergens het begrip ‘omgaan met de dood’ letterlijk benoemt, verwijst hij er wel indirect naar:

“Als je echt niets kunt doen om je hier-en-nu te veranderen en je kunt je ook niet aan de situatie onttrekken, aanvaard je hier-en-nu dan totaal door al je verzet te laten varen. (-) Dat heet overgave. Overgave is geen zwakheid. Er zit grote geestelijke kracht in. Alleen iemand die zich heeft overgegeven, heeft geestelijke macht. Door overgave bevrijd je jezelf innerlijk van de situatie. Dan kan het gebeuren dat de situatie verandert zonder dat je er iets voor hoeft te doen.”

Zo beland je als rouwverwerkende in een bijna semantische modus waarin je stuitert van ‘acceptatie’ via ‘loslaten’ naar ‘overgave’. Omdat ik mezelf voortdurend afvraag hoe ik verderkom in mijn rouwarbeid, of ik het überhaupt kan beheersen danwel dat het mij beheerst – is het voor mij ook belangrijk om de woorden te vinden die dat proces beschrijven. ‘Acceptatie’ voelt aan als grotendeels rationeel handelen: ik neem het besluit om dit op deze manier te doen; ik accepteer dat iets is zoals het is, stel het niet meer ter discussie. De vraag is of ik dat met hart & ziel ook werkelijk vind. Dat geldt eveneens voor ‘loslaten’. In termen van Tolle zijn beide begrippen vormen van verzet of de (rationele) reactie daarop. Jezelf overgeven is het loslaten van die tak aan die hele hoge boom en je laten vallen in het vaste vertrouwen dat je val je bevrijdt: van alles waarmee het ego je voortdurend mee in zijn greep probeert te houden. Makkelijk is dat niet. Maar moet dat dan?

Een kennis die hoogvoelend is en ‘dingen weet en ziet’ vertelt me op een dag dat David niet heeft geleden, geen verdriet heeft gevoeld en geen pijn heeft gehad toen hij overleed. “Hij was een heel kort moment verbaasd en boos,” zegt de kennis. “Maar hij wil dat je weet dat het goed met hem gaat. Hij wil dat jij niet over hem inzit. De beste manier om dat te doen is je totaal overgeven aan zijn dood. Op een dag voel je dat je echt afscheid van hem gaat nemen. Je schrijft hem een brief, die neem je mee naar het strand, je graaft een kuil, steekt het papier aan en je viert jullie afscheid. Drink er een glas wijn bij. Daarna dek je de kuil af en doe wat je denkt dat je moet doen. Op dat moment sluit je het rouwen af en kun je verderleven met David naast je, maar zonder de pijn die je voelt.”

Ik knik. Weet niet zo goed wat ik hiermee moet. Het overvalt me dat iemand zomaar zulke dingen tegen me zegt. Ik vind het eerlijk gezegd een soort Libelle-oplossing, hoe goed bedoeld ook. “Wanneer moet ik dat doen? Op zijn verjaardag?” vraag ik een beetje knullig. “Het is geen moeten – dan ben je aan het plannen en dat is nou juist niet de bedoeling. Er ligt geen dag vast daarvoor. Als je uitgaat van een leven in het hier-en-nu denk je er ook niet zo over. Dan weet je dat dat moment er op een dag is en dan weet je ook wat je te doen staat. Dat is voor jou het belangrijkste: het gaat niet erom dat je David loslaat – je moet zelf loslaten, jezelf loslaten, stoppen met beredeneren, beginnen met jezelf alle ruimte te geven en alle vrijheid.”

Mensen hebben meningen. Goede bedoelingen. Leven mee. En dat is fijn. Soms heb ik er iets aan. Vaak niet. Niet uit onwil. Maar alles wat anderen aandragen is niet wat ik ben. Of voel. Of ervaar. Het verwerken van verlies is zo persoonlijk, zo gebed in het verleden wat je hebt opgebouwd met de overledene. Zo prive. Lijden aan het verlies van je kind is jouw lijden. Lijden aan het verlies van die ander is jouw lijden. Hoe anderen met hun verlies omgaan is in feite hun zaak. Dat klinkt hard, maar het is zo. Het verlies dat de ander doormaakt, kan per definitie nooit jouw verlies zijn. Horen hoe iemand anders omgaat met het verlies van zijn of haar kind kan hooguit een moment van herkenning opleveren.

Intussen zit ik hier mijn best te doen om mijn verlies vorm te geven en te begrijpen. Het vieren van Davids verjaardag is een kleine stap. Maar, in welke richting? Een vriendin vertelt me over iemand die jaren geleden haar kind verloor. Ze kan intussen prima leven, maar de verjaardagen van haar overleden kind zijn bijna onoverkomelijk. “Godzijdank komen zijn vrienden langs, zelfs na al die jaren, en alleen al door er te zijn, helpen zij haar de dag door te komen. Ze moet er niet aan denken om het zonder die jongens te doen,” vertelt mijn vriendin. Ik knik en voel een ijzeren band knellen om mijn borst. Hoe je je ook overgeeft, het gaat dus nooit over. Naïef te denken dat het wel zo zou zijn. Lang zal hij eh… leven.

 

PS: iedereen die ons vandaag steunde met al die lieve, hartverwarmende post: heel erg bedankt. het is mooi om jullie aanwezigheid te ervaren, ook al is het niet fysiek.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 582 andere volgers