‘From the Guggenheim New York to the CoBrA Museum Amstelveen’


Kan een persoon de geschiedenis veranderen? Het is een clichevraag – met bijbehorend antwoord. En dat antwoord is altijd weer afhankelijk van het perspectief van waaruit de vraag wordt besproken. Maar toch? In het geval van de kunstgeschiedenis. De na-oorlogse? De tentoonstelling ‘From the Guggenheim New York to the CoBrA Museum Amstelveen’ bewijst het. Want deze tentoonstelling, en wat die teweegbracht, is grotendeels te danken aan de conservator die indertijd voor het Guggenheim deze verzameling aanlegde: James Johnson Sweeney?

Het gaat om de kunstgeschiedenis van de ‘avant garde’ – die indertijd min of meer om de hoek van het CoBrA Museum begon met de eerste tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam waaraan mensen als Karel Appel, Eugene Brands, Corneille, Alechinsky aan deelnamen. We schrijven 1943. Het was een heus historisch moment. Maar dat is de ene helft van het verhaal. De andere helft speelde zich vrijwel parallel af aan de overkant van de oceaan, waar kunstenaars als Pollock, Rothko en niet te vergeten de rasrotterdammer De Kooning hún vernieuwende kunst maakten.

Soulages - Peinture, 195 x 130 cm, mai 1953 een van mijn favorieten  in de expositie

Soulages – Peinture, 195 x 130 cm, mai 1953
een van mijn favorieten in de expositie

Wat was eigenlijk het effect van die ‘vlucht’ van Amsterdam, via Parijs naar New York? En hoe kan het dat er zelfs sprake is van een gelijktijdigheid in ontwikkeling? En is het niet zo dat ‘wij’ hier lange tijd dachten dat ‘wij’ het recht hadden op de term Avant Garde? Meer dan wie ook? Kunsthistorisch gezien is dat natuurlijk een onmogelijke gedachte. Dat is wat deze tentoonstelling ons leert en laat inzien.

Zoals ooit in het Berlijn van tussen de beide oorlogen de Duitse schrijver Kurt Tucholsky schreef: “Es gibt keinen Neuschnee”, zo kan niemand aan een van beide zijden van de oceaan een claim leggen op enige avant gardistische uniciteit. Je kunt hooguit zeggen dat aan deze kant van de wereld de beeldende kunst directer werd beïnvloed door de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en door de sfeer en cultuur van de na-oorlogse jaren dan aan de andere kant. Maar even zo goed was de Tweede Wereldoorlog ook zeer aanwezig in Amerika. Niet voor niets koos Mark Rothko ervoor om vanwege de mensonterende gruwelen van die oorlog alleen nog maar abstract te willen werken.

Vanish (Disparaître), 1959. Oil on canvas, 78 3/4 × 110 1/4 inches (200 × 280 cm).  Zeer bijzondere Alechinsky.

Vanish (Disparaître), 1959. Oil on canvas, 78 3/4 × 110 1/4 inches (200 × 280 cm).
Zeer bijzondere Alechinsky.

Er valt een grote parallelle ontwikkeling te signaleren die zich eerst geïsoleerd leek te voltrekken aan beide zijden van de oceaan en die dankzij de initiatieven van bijvoorbeeld een man als Sweeney werd samengevoegd en verrassend genoeg over eenzelfde soort handschrift leek te beschikken. Je kunt stellen dat Sweeney een cultureel scharnierpunt heeft veroorzaakt, waar CoBrA als het ware in werd opgenomen en uiteindelijk ook als beweging uit elkaar viel. Sweeney heeft gezorgd voor de globalisering van de na-oorlogse avant garde – en daarmee ook een globalisering van de na-oorlogse kunsthandel, met bijvoorbeeld iemand als Leo Castelli in de hoofdrol.

De sfeer was ernaar. De periode was ernaar. De wereld stond ervoor open. Avant Garde weerspiegelde tegelijk de na-oorlogse verwarring en de na-oorlogse hoop op een betere wereld. Niet daarvoor en niet daarna heeft de beeldende kunst zich zo breed zo daadkrachtig, zo confronterend en zo vernieuwend laten gelden.

De vraag of kunst de wereld kan veranderen duikt regelmatig op. Zo heeft CoBrA-kunstenaar Constant tussen de jaren ’50 en ’70 ontwerpen en maquettes gemaakt voor zijn utopische stad New Babylon. Daar moest de mens zich volledig vrij kunnen wijden aan kunst en expressie. Na 20 jaar hield Constant zijn utopia voor gezien en ging weer gewoon schilderen. Bijvoorbeeld het werk Rwanda waarop slachtoffers van genocide te zien zijn. Je kunt je afvragen met welke actie Constant meer heeft bijgedragen aan het veranderen van de wereld. Als je al daarvan kunt spreken.

Jakson Pollock, Ocean Greyness, 1953 Even geen drippings maar een wat mij betreft hele lyrische Pollock. Zó mooi.

Jakson Pollock, Ocean Greyness, 1953
Even geen drippings maar een wat mij betreft hele lyrische Pollock. Zó mooi.

Kunsthistorisch gezien heeft Sweeney de kunstwereld veranderd. En aangetoond dat er vanaf 1943 wereldwijd kunstenaars opkwamen voor een nieuw soort vrijheid die geladen was met een enorme kracht als reactie op de vernietigingsmachine die oorlog heet. Hun kunst was het statement van de vrijheid. De vrijheid van het individu. Van de autonome kunstenaar die het onconventionele in vorm en materie als uitgangspunt gebruikte. Het was ook CoBrA, maar bleek bijna letterlijk van hier tot Tokyo een wereldwijde beweging waar een paar musea een cruciale rol in vervulden: het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Guggenheim van Sweeney in New York.

“A museum should be a vital organism (-). It should constantly prod the obeserver to reach out from the familiair to the unfamiliar,” noteerde Sweeny – met alle gevolgen van dien. Het was niet meer of minder dan revolutionair.

De Kooning - 1955 'Composition'. Speciaal voor Dick, Araun, Els en al die anderen die zien wat ik niet zie. Sorry guys.

De Kooning – 1955 ‘Composition’. Speciaal voor Dick, Araun, Els en al die anderen die zien wat ik niet zie. Sorry guys.

Bij de voorbereiding van een expositie over Eugène Brands – waarin onder meer aandacht wordt besteed aan zijn grote kennis van niet-westerse muziek – werd onlangs een cd gevonden met daarop door hem handgeschreven de tekst “Jazz – Jackson Pollock”. Het leek wel zo’n verborgen schat die zich ineens openbaart. Zoals de kluis van Al Capone, waarvan de opening zelfs live werd uitgezonden…

We deden de CD in de speler en luisterden gespannen. Wat zou het worden? Free Jazz? Miles Davis ‘Bitches Brew’, Coltrane? Niets daarvan. Het was de ball-roomjazz van Jerry Roll Morton, boogiewoogie door Count Basie, Lionel Hampton, Fats Waller!
Allemaal jazzmuziek die ook toen al nauwelijks doorging voor hip of avant garde. Stel je eens voor, Pollock die zijn avant gardistische ‘drippings’ maakt, wellicht zelfs Ocean Grayness, op muziek van de ballroomklanken van the Count. Terwijl waarschijnlijk op dat zelfde moment aan de andere kant van de wereld de mannen van CoBrA ’s avonds en ’s nachts in jazzcafé Le Bateau Ivre in de Parijse rue Mouffetard zaten te luisteren zaten naar bijvoorbeeld Chet Baker en inderdaad Coltrane! Wat toch echt een tandje avant gardistischer was. Vond men in Copenhagen, Brussel en Amsterdam. En niet te vergeten, in Parijs waar je vooral moest wonen in stinkende voormalige leerlooierspakhuizen terwijl Europa, na ‘de dronkenschap van de bevrijding’, zich met man en macht aan het herstellen was van de diepe wonden die de Tweede Wereldoorlog had geslagen.

En toen kwam Sweeney. En veranderde alles. De revolutie kreeg haar erkenning.

It was the best of times,
Karel Appel
it was the worst of times,
Willem de Kooning
it was the age of wisdom,
Corneille
it was the age of foolishness,
Jackson Polloc
it was the epoch of belief,
Eugene Brands
it was the epoch of incredulity,
Mark Rothko
it was the season of Light,
Pierre Alechinsky
it was the season of Darkness,
Asger Jorn
it was the spring of hope,
James Johnson Sweeney
it was the winter of despair,
Constant
we had everything before us,
CoBrA
we had nothing before us,
Paris
we were all going direct to Heaven,
New York
we were all going direct the other way—
Amstelveen

 

 

(deze tekst is een bewerking van de speech die ik schreef voor Els Ottenhof, managing director van het CoBrA Museum, bij de opening van de gelijknamige tentoonstelling die deze maanden te zien is).

Dráng, drang tot dóen tot scheppen – Eugène Brands, met de R van Romanticus


Kun je zeggen dat sociaal bewogen mensen een grotere hang hebben naar romantiek dan politiek behoudender types? Ik bedoel de romantiek als filosofisch levensideaal – dus van Rousseau, van Keats en van Casper David Friedrich. Kan dat? En kun je als kunstenaar deel uitmaken van de wellicht stoerste jongensclub uit de na-oorlogse kunstgeschiedenis en tegelijk levenslang geïntrigeerd blijven door ‘the nobel savage’ om met Dryden (en niet Rousseau) te spreken?

Er is al heel wat geschreven over beeldend kunstenaar Eugène Brands. Steeds zijn het dezelfde feiten en feitelijkheden: over zijn eerste jaren als tekenaar, over zijn oorlogsjaren en hoe hij overleefde door onder meer kralen te kleien, over zijn fascinatie voor ‘primitieve’ kunst uit Afrika en Oceanië en voor met name niet-westerse muziek, over zijn kortstondige vrijage met de Cobra-groep, over zijn surrealistische werk, zijn collages, zijn ‘causeriën’ – voor de Vara. Noem maar op.

Bij de voorbereiding van de expositie ‘Brands!’  in Galerie De 7e Hemel merkte ik dat het werk van Brands soms nogal wordt onderschat. Ik kreeg zelfs het goedbedoelde advies om vooral niet teveel Brands tegelijk te exposeren, maar om hem te combineren met een andere, wellicht jongere, kunstenaar die wat expressiever was. Het was voor mij de bevestiging om van ‘Brands!’ een 100% Brands-feest te maken. Je moet Brands’ werk in het echt zien om te begrijpen dat hij in alle opzichten een kunstenaar is ‘in his own right’, met zijn figuratieve werk, dat heel klein en heel ontroerend is en met zijn abstracte werk waarin het ambacht van de schilderkunst zo nadrukkelijk aanwezig is, met zo’n sobere, gedurfde toepassing van basisvormen en met zo’n pracht gebruik van verf: witten, zwarten, roden. Iedereen die, bijvoorbeeld in het Chabothuis, werk van Brands voor ogen heeft gehad, weet wat ik bedoel – voor hen en voor wie de ‘confrontatie’ nog aanwil is er van 30 maart tot en met 3 mei de expositie in Galerie De 7e Hemel. Brands is zonder twijfel een van de interessantste kunstenaars van de 20e eeuw, en hoe dan ook een van de veelzijdigste.

Wat mij betreft verdient hij het ook om nader te worden geduid. Niet op basis van feitelijkheden, daar is al erg veel literatuur over, maar op basis van interpretatie.

In ‘De verborgen wereld van Eugène Brands’ – het standaardwerk over hem – haalt Willemijn Stokvis de anekdote aan waarin de ontdekking dat de wereld rond is, zo’n beetje Alles betekent voor Brands als negenjarige:

‘Mij (-) beving een heerlijk soort duizeling toen ik die avond uit het dakvenster de zilveren sluier van de Melkweg zag oplichten met haar myriaden twinkelende sterren. En ik dacht: de aarde is rond; er is dus onder noch boven; vrij zweeft zij op haar reis door tijd en ruimte.’ ‘Als ik op mijn platje in Amsterdam zat, ging ik in gedachten naar de zon, een withete bol van honderd miljoen graden, een kolkende massa. Zij maakt een schijnbare beweging. Wij draaien. Ik zou zelf de beweging van de aarde willen voelen, maar dat kan niet. Zo is alles. Alles is schijn. De werkelijkheid kunnen we niet beleven.’ ‘De zon, het licht, is op zichzelf al een geheim’.

In deze tekst zitten enkele elementen die typerend zijn voor de latere Brands. Even typerend is, op zijn 26e, zijn enthousiaste lidmaatschap van het weekblad ‘De Vrijdenker’ – een blad dat zo’n beetje anti-alles was, en tegelijk een grote betrokkenheid toonde met ieder die op de een of andere manier te typeren valt als arbeider en als ‘maatschappelijke verschoppeling’ – dankzij een perfide overheid, dankzij de nazi’s, dankzij de domheid van… noem maar op. De Vrijdenker was het weekblad van de Vrijdenkers-Vereeniging De Dageraad – waarvan eerder bijvoorbeeld ook Multatuli lid was, evenals de dichteres Henriëtte Roland Holst van der Schaik. Goed gezelschap, dus.

Als hij (1938) kennismaakt met het surrealisme en de kunst van abstractie, realiseert hij zich “waartussen zijn diepere gedrevenheid zich bewoog: de aandacht voor het kosmische in de abstractie en de aandacht voor het onderbewuste in het surrealisme.” Eigenlijk is hij deze beide sporen zijn leven lang trouw gebleven. Het ging om ‘abstracte kunst die een langzaam doortrekken van het kosmisch of universeel bewustzijn zichtbaar’ maakt en ‘de drang naar herschepping van het leven in kosmische schoonheid’.

Een bijzonder voorbeeld van deze manier van redeneren publiceerde Brands in De Vrijdenker van 1946 bij een tentoonstelling van het werk van H.N. Werkman: “Maar hier was een maagdelijk wit vlak, (-) en dan komt het grote gebeuren: de wals, onze inktrol. Er ontstaat een vlak, wij krijgen een vorm te zien(-). [Werkman] (-) ontdekte de verrukkelijke, nobele (-) schoonheid van dit onbewust doorgegeven vlak, van deze oervorm”.

Onder het motto ‘Dráng, drang tot dóen tot scheppen’ ontwikkelt hij zich tot Brands-de-schilder van abstracten, de surrealist (‘Vóór alles is het de vijand van de sleur’), de schilder van herkenbare voorstellingen – bijvoorbeeld de serie die in Galerie De 7e Hemel te zien is ‘To my daughter Eugenie’ – en weer tot abstract schilder. Onder welk etiket hij ook werkt, steeds lijkt hij op zoek naar de lichtheid van het bestaan – zelfs in zijn somberste jaren.

Niet voor niets neemt hij bijna zijn leven lang het ‘alles stroomt’ tot zijn motto en vertelt hij bij een van zijn vroegste exposities bij een ‘regenboog met spiralen’ dat dit werk gaat over ‘de levensloop van de mens’ of  ‘het leven dat telkens terugvloeit naar het centrum in een eeuwige kringloop’. Het is het Panta Rhei als scheppend thema: “Men kan niet tweemaal in dezelfde rivier stappen, want het is steeds weer vers water dat u tegemoet stroomt.”

zilveren tuin

Het verbindt hem direct met de 19e eeuwse Romantiek. Met bijvoorbeeld Caspar David Friedrich, Turner, Wordsworth. Ook Turners Panta Rhei vat de natuur die op als een proces van voortdurende verandering en eeuwige creatie. Die Romantiek verbindt Brands ook, al dan niet bewust, met het Sublieme, de goddelijke natuur-ervaring, de ‘overweldigende uitstraling’. En met het besef van de vervreemding door de breuk tussen mens en spirituele realiteit, de ‘oerbron’. Door die vervreemding verliest de mens het zicht op de diepste, oorspronkelijke waarheid. De mens heeft met zijn ratio de schepping gefragmenteerd.
Interessant is dat sinds Burke (1729 – 1797) de discussie over het Sublieme in de kunst eigenlijk nooit is opgehouden, via tijdgenoot Kant komt het onder anderen terecht bij Lyotard in de vorige eeuw met interpretaties als:

  • Het sublieme in de kunst onttrekt zich aan de totaliserende greep van de rede
  • moderne kunst: is laten zien dat er iets is dat men niet kan denken of zien, noch laten zien
  • een subliem werk, wil zeggen: is alles is er – en dat is (dus) alles wat er is
  • kunst kan openheid van het gebeuren bewaren.

Stuk voor stuk gedachten die Brands passen als een, Romantische, jas – zeker als je ze toepast op zijn abstracte werk. Je kunt ook zeggen dat ze de consequenties zijn van de maatschappelijke en culturele visies die Brandt zijn levenlang koesterde.

Drie maskers uit de reeks van ca 500 die Brands tekende voor de Amsterdamse Galeriehouder in Etnografica Louis Lemaire

Drie maskers uit de reeks van ca 500 die Brands tekende voor de Amsterdamse Galeriehouder in Etnografica Louis Lemaire

Ook Brands fascinatie voor het primitieve past in dit perspectief. De ‘primitieve’ niet-westerse muziek en beeldende kunst – waarin je zonder al te veel moeite de romantische belangstelling terugvindt voor de Romantische idee van ‘the Noble Savage’ en uiteraard voor de natuur als plaats waar ‘de’ beschaving en de ratio zich nog niet hebben laten gelden’. Waar (dus) geen sprake is van vervreemding. Meer en ook later dan de overige Cobra-kunstenaars verdiepte Brands zich in de beeldende kunst uit Oceanië en Afrika: kunst als uiting van spirituele realiteit. Hij werkte daarin nauw samen met de Amsterdamse galeriehouder Louis Lemaire. Bovendien gold hij in zijn tijd als autoriteit op het gebied van niet-westerse muziek (tot en met lezingen hierover voor de VARA-radio).

Het zijn allemaal fascinerende facetten van een van de veelzijdigste Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw. Die het wat mij betreft verdient om anders, integraler, geduid te worden. Deze tekst is een voorzichtige aanzet daartoe en voor alles een uitnodiging om Brands te her-ontdekken vanuit een gelaagder en spiritueler perspectief dat zijn werk ver uittilt boven zichzelf.
Rilke – ook niet ‘vies’ van het alles-stroomt en laat-romantische natuurideeën – noteerde over het kleurgebruik van Cézanne:

Nog nooit is zo duidelijk zichtbaar gemaakt hoezeer het schilderen zich tussen de kleuren voltrekt, hoe men ze volstrekt alleen moet laten, opdat ze zich over en weer tegen elkaar uitspreken. Hun omgang onderling: dat is de gehele schilderkunst. Wie daar tussendoor praat, wie voorschrijft, wie zijn menselijk overleg, zijn esprit, zijn kunst als pleitbezorger, zijn lenigheid van geest ook maar ergens laat meespelen, verstoort en vertroebelt reeds haar handeling.”

Het lijkt bijna letterlijk of Brands hier zelf aan het woord is. Over het sublieme in zijn eigen werk tegen de achtergrond van zijn onmiskenbaar Romantische visie.

Te lezen: ‘De verborgen wereld van Eugène Brands’, Willemijn Stokvis, Thieme Art 2010
Te zien:
‘Brands!’ de levenslange zoektocht naar de essentie van de essentie
van 30/3 t/m 3/5
Galerie De 7e Hemel
Kerkstraat 10 Bussum
www.galeriede7ehemel.nl

 

 

‘Opduiken’: over duiken, dieren, opa Henk en hoe die uiteindelijk alles met elkaar te maken hebben.


Opening expositie ‘Opduiken’ Stephanie Leblon en Noortje Zijlstra, 16 februari 2014.
Het was een mooie vernissage, met uiteraard prachtig werk en veel mensheid. Op veel verzoek hierbij mijn openingswoord. En bij wijze van experiment, alleen tekstueel. Want het is de bedoeling dat je zo nieuwsgierig wordt dat je de komende dagen niet anders kunt dan te komen naar De 7e Hemel, Kerkstraat 10, Bussum. Het kan nog tot en met 22 maart. 

Deze zeer bijzondere expositie bestaat op het eerste gezicht uit twee, of eigenlijk drie totaal verschillende onderdelen. We hebben de schilderijen van Stephanie Leblon. We hebben de dieren, de foto’s en de objecten van Noortje en we hebben de installatie die Noortje heeft gemaakt met werk van haar opa. Ik zal u laten zien dat er een groter onderling verband bestaat dan u wellicht op het eerste gezicht vermoed.

Een jaar geleden kwam ik Stephanie op het spoor via de site Galeries punt NL waarvoor ik een maand lang een dagelijkse column schreef. Op een dag zag ik een schilderij dat ik vervolgens niet meer uit mijn hoofd kreeg. Ik zag iemand die bezig was te vallen. Of misschien ook niet. Misschien was hij een handstand aan het oefenen. Het was in elk geval iemand die ondersteboven geschilderd was.  Zijn benen gestoken in regenlaarzen. Een intrigerend werk. Het was mijn eerste kennismaking met het werk van Stephanie en, naar later bleek, het begin van een voorzichtige vriendschap die in de loop van de tijd verder groeide. Ik nodigde mijzelf bij haar thuis uit,

Want één ding stond voor mij vanaf het begin vast: ik moest en zou die Leblon in Nederland introduceren. Wat mij fascineert in haar werk is de bijzondere manier van schilderen. Eerlijk gezegd vind ik dat Belgische schilders beter kunnen schilderen dan Nederlandse. Dan de meeste Nederlandse. Ik heb het daar vaak over. Met Belgische kunstenaars en met Nederlandse. Ik denk ook dat ik weet waardoor dat komt. Aan de NL academies ligt het accent op het conceptuele, de uitvoering – het schilderen als pure ambacht – is eerder het gevolg van het concept dan andersom. In België wordt nog echt lesgegeven in het schilderen als ambacht. Nou woont Stephanie ook nog eens in Gent, dus als het ware in de schaduw van Het Lam Gods de polyptiek geschilderd in 1492 door Jan van Eyck en zijn oudere broer Hubert, in opdracht van Joos Vijd, voorschepen van de stad Gent, en zijn echtgenote. Zoals u wellicht weet bevindt het zich in de Sint-Baafskathedraal te Gent.
Stephanie benadert haar werk met dezelfde ambachtelijke toewijding als de Van Eycks. Maar daarmee houdt de vergelijking op. Want ze is uiteraard geen middeleeuwer. Ze heeft de vrijheid om na te denken over de onderwerpen die ze schildert. En daarin maakt ze het zichzelf niet makkelijk. Toen ik haar vroeg naar het waarom van de reeks die hier nu hangt schreef ze mij het volgende:

“In mijn vorige reeksen was ik steeds bezig met de waarneming. Wat zie je? Hoe is dit ingekleurd door emotie? De eerste reeks( 2008- 2009) ging rond paranormale onderzoekers die met meettoestellen van alles trachten te bewijzen. Ze proberen het niet zichtbare vast te leggen. De reeks( 2010- 2011) gaat over slapende figuren. Met je ogen toe zie je veel, door onze dromen.

De reeks (2011-2013) is vertrokken vanuit de gotiek. Het concept van die bouwstijl bestaat uit het bepalen van de kijkrichting. Elke steen dient om onze blik naar boven te richten. Ik heb de verticaliteit omgezet in verticale penseelstreken. En dan daarbij ook soms het element van de plastiekzakken aan toegevoegd, waar je troebel doorkijkt. (u vindt hier twee uit deze serie in e galerie) Bij de nieuwe reeks, schrijft Stephanie, wou ik directer werken. Minder gelaagd in de betekenis. Door de duikers heb je twee ruimtes in het schilderij. Boven en onder water. De figuur boven water heeft een vaste vorm, het lichaam onder water verbrokkeld in fragmenten. Door het water zie je hetzelfde maar dan helemaal anders. In de vorige reeks was het beeld meer een drager van het concept , maar nu wordt dat meer de verf. Ik werk steeds meer met transparante lagen boven elkaar, en ook de verftoets benadert meer de beweging en transparantie van het water. Het lichaam is solider qua verfgebruik. Het thema van water vind ik zo rijk omwille van de dualiteit. Het positieve, vrijheid , reinigende, helende werking en anderzijds het dreigende, dodelijke aspect.”

Tot zover Stephanie. Ik voel me niet geroepen om deze beschouwing te willen overtreffen. Maar ik nodig u graag uit met hernieuwde blik haar schilderijen te ontmoeten.

Het ergste wat mij als galeriehouder kan overkomen is dat we hier bezoekers krijgen die binnenkomen en die binnen twee minuten weer buitenstaan. Ik heb weleens overwogen om zulke mensen in hun nekvel te grijpen en ze achteruit naar binnen te sleuren om ze in een van onze kelders ten minste 24 uur vast te houden terwijl ik ze zonder ophouden les geef in het kijken naar kunst. Dat zal ze leren.

Het mooiste wat mij als galeriehouder kan overkomen is dat een mailtje binnenkomt van iemand die zegt: ‘wat leuk dat jullie in bussum een galerie hebben geopend, mijn opa woont daar ook en die doet iets met kunst en ik wil graag iets voor mijn opa doen en mag ik eens langskomen en bij de weg, ik ben beeldend kunstenaar.’
Nou moet u weten dat wij bijna dagelijks de meest uiteenlopende types hier aan de deur krijgen met de raarste smoezen om ons naar hun werk te laten kijken. Maar je opa als tactische pion misbruiken, nee, dat hadden we nog niet meegemaakt. Reden om die Zijlstra toch maar eens uit te nodigen. Dus stapt er op een dag iemand van zo’n vier meter lang met een neuspiercing naar binnen en zegt: “Ik ben Noortje.” Eerlijk gezegd waren we direct zeer gecharmeerd, maar dat zeiden we natuurlijk niet want je mag een boek niet beoordelen naar zijn cover.

Noortje deed haar verhaal over haar opa, waarover dadelijk meer. Daarna bekeken we samen haar site. “Wat een mooi werk!” riep ik. “Meen je dat echt?” vroeg ze.

Ik begreep daar niks van. Hoe kan iemand zo twijfelen aan zijn eigen werk. Maar het was ook het toverwoord. Want voor mij zijn de beste kunstenaars te herkennen aan voortdurende twijfel over het werk dat zij maken. Nu is het zover. We hebben hier Noortje in verschillende uitvoeringen. Noortje met baard. Baard zonder Noortje (1baard7canvassen), de haren stuk voor stuk opgeplakt. Het kostte een jaar om al die haren uit de baard los te maken en stuk voor stuk op te plakken. Is dat passie? Verslaving aan baard? Of een combinatie daarvan? Het is in elk geval werk dat je tot je moet laten doordringen, bij mijn weten heeft nog nooit iemand zich zo indringend met gezichtsbegroeiing beziggehouden.

Minsten zo bijzonder zijn Noortjes bewerkte dieren. Toen ik haar vroeg naar het hoe & waarom was dit haar antwoord:Tis vooral een grote liefde voor dieren waarom ik werk maak over en met dieren. Tis meer de vraag/ boodschap erachter: hoe gaan we met dieren om? Die ik naar voren wil brengen. Mijn thema’s zijn vaak mijn fascinaties voor bepaalde zaken; zo heb ik veel werk gemaakt rond “de baard”, algemene maatschappelijke kwesties als “weet wat je eet” en hoe gaan we met dieren om. Maar ook persoonlijke gebeurtenissen zoals het krijgen van een neefje of nichtje zie je terug in mijn werk. En verder: Omdat het de mens is die zo IDIOOT met de dieren om gaat en niet anders om. Daarbij ben ik een grote dierenliefhebber.”

Tot zover Noortje. Tegelijk kun je moeiteloos vaststellen dat dit werk, om met Stephanie te spreken zo rijk is “omwille van de dualiteit. Het positieve, vrijheid , reinigende en anderzijds het dreigende, dodelijke aspect.”

Ik kom daar dadelijk op terug.Vervolgens is er Noortjes hommage aan haar opa. ‘Opa’ tekent zijn levenlang. Gaat nog altijd naar zijn schilderclub en vindt in alle onbescheidenheid dat hij bij wijze van spreken rechtstreeks afstamt van Rembrandt. Opa heeft in Noortje de ideale kleindochter – nota bene een full time beeldend kunstenaar. Noortje eert Opa hier in de galerie met de prachtige pyramide (heel symbolisch en dualistisch) van tekeningen zoals hij die jaren achter elkaar maakte. Met enorme precisie en, het moet gezegd, met haast vooroorlogse ambachtelijkheid.

Naarmate de jaren vorderen is Opa kleiner gaan werken, maar nog altijd met dezelfde strakke hand. Naast de pyramide ziet u een reeks waarvan hij een kast vol heeft. Hij pakt zijn werkjes steevast zorgvuldig in en geeft ze af en toe als speciaal geschenk weg. Of stuurt ze op naar Noortje, die ze intens koestert. Daarnaast ziet u aan de muur boven de verwarming de laatste werken van Opa. Mooie miniaturen, en nog altijd even strak getekend. Maar Opa doet nog meer. Hij schrijft ook gedichten. Ware hartekreten zijn het. Noortje vindt ze om allerlei redenen heel bijzonder. Daarom stelt ze ze hier ook tentoon. Maar uiteraard doet ze er iets speciaals mee. De bezoeker, dus u ook, mag de gedichten kopiëren op de copier die naast de gedichten staat, en meenemen naar huis.

Die drie, of eigenlijk vier, onderdelen vormen samen de installatie ‘HJ14 niet te koop’. Het is een hommage aan een schitterende man van 88 jaar die uiteraard vindt dat hij dit ook helemaal heeft verdiend. En terecht. Tegelijk gaat dit werk over de tijdelijkheid. Zo is eigenlijk alles wat u hier ziet een hommage aan de tijdelijkheid van het leven. Het is de dualiteit van het leven. U vindt het terug in de schilderijen van Stephanie die naast vrijheid en reiniging evengoed verwijzen naar de eindigheid. U ziet het in de dierenserie, waarin Noortje de dood als het ware voorziet van een tweede leven – als je dat zo kunt zeggen. En de dualiteit is terug te vinden in de hommage aan haar grootvader.

Zo komen de ogenschijnlijke uitersten op een heel bijzondere manier samen.

Eigenlijk droom ik ervan om, als ik ooit overlijd, te worden bewerkt door Noortje. Zet mij op, Noortje. Geef me een heroïsche houding als kaarsenstandaard en, als ik het dan toch voor het zeggen heb, geef me een schilderij van Stephanie in handen waarop je mij – herkenbaar aan mijn zwembroek – een duik ziet nemen.
Ik nodig jullie graag uit om al dat moois nu te gaan genieten. En pas op, iedereen die binnen vijf minuten vanaf nu vertrekt, weet wat hem te wachten staat.

De Koppoter en de toeschouwer – Erik Buijs en het brons


“Mijn eerste koppoter ontstond tijdens het maken van mijn dagbeelden. Daar gunde ik ‘t mijzelf om zonder ideeën of kunst te willen maken, toch beelden te produceren. Toen heb ik veel geleerd over het bereik van mijn beeldentaal. Ik ben er erg voor als het ‘verhaal’ begint bij het beeld. De toeschouwer kan dan zijn eigen verhaal maken,” vertelt beeldhouwer Erik “ik maak geen objecten, ik maak beelden” Buijs.

Koppoter? Ja. Koppoter. Als kinderen hun eerste mensachtigen tekenen, is dat meestal een hoofd op pootjes. Als Erik Buijs zichzelf toestaat om ‘zonder ideeën of kunst te willen maken, toch beelden te produceren’, kan dat (dus) ook uitmonden in een Koppoter.

kopie koppoter 1000 dpiIn deze Koppoter. Eigenlijk doe ik hem onrecht aan door hem hier af te beelden. Want, zoals dat gaat met niet ‘plat werk’, je moet er met je neus bovenop kunnen staan, er omheen draaien, stiekum even met een voorzichtige vinger contact maken. En vooral het meesterschap ontdekken waarmee dit beeld is gemaakt en uitgevoerd in brons. Vooral dat laatste, wat mij betreft, in combinatie met de kleitechniek van Erik.

Zijn beelden zijn of uitermate glad, gepolijst en dan vaak uitgevoerd in Neolith of aluminium, of ze zijn precies het tegenovergestelde – als het ware met grote halen opgezet, expressief tot op hun botten. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het telkens een hele doordachte beslissing is op welke manier hij zijn beelden wil uitvoeren. Op dit moment is in Galerie De 7e Hemel (Kerkstraat 10, Bussum) een expositie van Eriks werk te zien en dat is ontzettend de moeite waard. Gewoon om naar te kijken uiteraard, maar vooral ook om stil te staan bij het verschil in expressie van de toegepaste materie. En dan is de Koppoter een prachtig voorbeeld, waaraan je precies ontdekt wat de kracht is van een visie op materiaal.

Want, laten we wel zijn, brons is over het algemeen een metaal waarmee behoorlijk duffe beeldjes worden gemaakt: danseressen, liggende naakten en vooral van die symbolische samenstellingen (cirkels, acrobaat-achtige constructies) die het goed doen als relatiegeschenk van de ene burgemeester aan de andere. En kijk, dan is daar dus Erik Buijs die zijn ongepolijste stijl juist (of misschien wel expres) toepast op dat duffe brons dat daardoor ineens ongelooflijk spannend wordt en niet gering bijdraagt aan het expressieve karakter van de Koppoter. En van zoveel andere beelden die Erik in brons vertaalt. Ja, ik weet het, Erik is niet de enige die zo met brons omgaat. Maar zijn Koppoter is niet door iemand anders gemaakt – het beeld kan ook alleen maar door hem zijn gemaakt. Dat ontdek je ook als je in De 7e Hemel kennismaakt met al zijn ander werk. Het is Eriks ‘beeldentaal’. En beeldverhaal.

Overigens is een bezoek aan zijn site ook een leuke introductie. Maar de Koppoter in het echt de hand schudden, daar kan geen foto of site tegenop.
En verder moet je, zoals Erik dat ’t liefst heeft, er zelf je eigen verhaal bij maken. Ik verzeker je, dat gaat moeiteloos.

De expositie ‘Beeldfest’ met werk van Erik, Anne van As en Fenneke Hordijk is nog te zien tot en met 9 februari 2013. Uiteraard in ‘de interessantste galerie van ‘t Gooi’: Galerie De 7e Hemel, Kerkstraat 10, Bussum.

Speech bij opening ‘Beeldfest’, 5 januari 2014 – Fenneke Hordijk, Erik Buijs, Anne van As


Zo’n twee jaar geleden was ik toe aan hond. Zomaar uit het niets. Dat was even schrikken, maar ik zette door. En aangezien ik de aanstichter ben van dit ‘kwaad’, laat ik Bob – zo heet hij officieel – ook het meeste uit. Ik geniet daar ontzettend van, zelfs bij de vreselijkste stormen. Gelukkig heeft Bob, die eigenlijk Jezus heet, maar dat is een ander verhaal, de pest aan regen zodat ik nooit nat word. Gaandeweg heb ik ontdekt dat werkelijk veel honden lijken op hun baasjes. En omgekeerd. Ineens zie je dat.

Ik wist het natuurlijk altijd al, maar vanuit het perspectief van de hondenuitlater valt het ineens extra op. Natuurlijk gaat het niet altijd op. Zo heeft mijn Bob schitterende lange flaporen. Toen ik de afgelopen week bezig was met het inrichten van deze expositie drong zich af en toe dezelfde gedachte op. Ik leg mij nader uit.

Voor het eerst in het bestaan van de galerie, deed ik de inrichting samen met de kunstenaars. Ik doe dat eigenlijk liever niet, maar gelukkig viel het allemaal erg mee, niemand ging huilen, en in de beste samenwerking ontstond deze schitterende expositie. Wat intussen gebeurde, qua hond en baas, was dat ik meer dan ooit inzag waarom Erik deze beelden maakt, waarom Anne haar schilderijen en gewassen tekeningen en waarom Fenneke… Het antwoord is even simpel als ingewikkeld: Anne, Fenneke en Erik ‘zijn’ hun werk. En eigenlijk is dit de kern van deze speech, dus ik kan net zo goed hier ophouden. Maar ik wil het graag even toelichten.

Het is niet zo dat ik het werk van Fenneke, Anne en Erik niet kende voordat we hier gingen inrichten, zeker niet, maar door het inrichten en de gesprekken die we erover voerden ontdekte ik die ‘synthese’ tussen maker en werk, die in hun geval echt zo treffend is. In de aanloop naar deze expositie heb ik mij een aantal keren afgevraagd of ik er wel goed aan deed om deze drie kunstenaars met elkaar te combineren. Zoals wel vaker was het vooral een geval van intuïtie.

Ik begon met Fenneke’s werk te visualiseren in deze ruimte. Fenneke maakte de drie grote werken die je hier ziet. Het werk hier op de centrale muur is het oudste van de drie en naar mijn mening is het behoorlijk monumentaal. We hebben er ook uren over gepraat. Mooie gesprekken. Zoals altijd gesprekken met kunstenaars voor mij tot de boeiendste behoren. Een van Fenneke’s uitspraken is dat zij verliefd is op papier – en op potlood. Haar ‘doeken’ zijn als het ware liefdesverklaringen aan het materiaal. Ik denk dat alleen vanuit zo’n houding zulk werk kan ontstaan. Zo is zij haar werk.

Maar goed, juist omdat dat werk zo monumentaal is, realiseerde ik me dat een hele galerie vol daarmee gemakkelijk te monomaan zou kunnen zijn.  Ik wilde er iets tegenover stellen, iets niet ‘plat’, iets dat het gewicht van de ‘Fennekes’ zou ‘ontzwaren’ en het tegelijk in zijn waarde zou laten. Op een dag stuitte ik op de beelden van Erik en wist meteen dat ik dat zocht. Als je het werk van Erik voor het eerst bekijkt, zie je vooral ‘koddige’ figuren. Als je beter kijkt, zie je dat zijn beelden veel en veel meer zijn dan dat. Het zijn karakters, zoals je karakters in verhalen hebt. ‘Round characters’. Veel ervan hebben bovendien iets corpulents en zijn alleen al daarom sterk verbonden met hun maker…

Maar afgezien daarvan, vertelt Erik zijn verhalen met zijn beelden. Zo geeft hij ze een titel mee die er werkelijk toe doet en die op een verhalenbundel niet zou misstaan. Bijvoorbeeld: ‘Reus die zichzelf klein wenste’ of ‘Ommezwaai’.  Het zijn niet zomaar titels, het is tekst die integraal deel uitmaakt van het beeld. En als tekstmens ben ik daar extra gevoelig voor. Net zoals Fenneke haar liefde verklaart aan het papier, kun je zeggen dat Erik zijn liefde verklaart aan de materie van de vertelling – ja, dat is een doordenkertje.

Het is natuurlijk een beetje, zoals de Duitsers dat noemen, ‘hineininterpretieren’, maar als je weet dat Erik op de Veluwe woont, is het niet zo moeilijk om je voor te stellen dat je tijdens je wandeling daar zijn beelden in levenden lijve door het struweel ziet struinen, terwijl Erik, gezeten op een omgevallen boom, al kleiend ‘schrijft’ aan alweer een weergaloze ‘koppoter’.

Want – even voor de duidelijkheid en voor het geval het je was ontgaan – Erik maakt dus razend knap werk. Qua synthese tussen maker en materie. Even terug naar mijn visualisatie. Ik ‘had’ nu Fenneke, ik ‘had’ nu Erik. Maar ik miste nog wat. Toch nog iets voor aan de muren. Op een dag noemde Erik het werk van Anne van As, die ik vooral kende van haar gewassen tekeningen van gemaskerde honden. Lang verhaal kort. Anne bleek mijn ‘missing link’.

Anne is, binnen haar stijl, ongelooflijk veelzijdig. Dat zie je hier ook om je heen. Zij heeft duidelijk iets met dieren, maar ook met landschappen en met planten en bloemen. Maar dat is niet het belangrijkste. Vooral heeft ze, net als Fenneke en net als Erik, ‘iets’ met de materialen waarmee ze werkt. Met de uitdagingen daarvan. En vooral met de uiterste beheersing ervan. Anne schildert in een volstrekt eigen handschrift – waar volgens mij heel wat kunstenaars stinkend jaloers op zijn – laag op laag op laag. En het mooie is, dat hoe ze dat ook doet – het eindresultaat steeds zo kwetsbaar knap is.

Kwetsbaar transparant. Ze is bijna letterlijk zelf haar werk. Zelfs als ze een dreigende wolf over de lila sneeuw op je af laat rennen. Zeer bijzonder is ook haar reeks minischilderijen. Die serie landschappen, kwetsbaar in hun kleurgamma, die haast kleurrijker zijn dan haar grote geschilderde werken. Ik vind dat wel grappig: hoe kleiner het werk des te kleurrijker. En ook hier begrijp je heel goed waarom juist Anne dit werk maakt.
Zo is dit een expositie met werk dat op het eerste gezicht wellicht weinig met elkaar te maken heeft, maar dat juist vanuit zijn eigenheid, vanuit de verhalen die het vertelt, vanuit de verschillende handschriften complementair is aan elkaar.

En dat hoe dan ook steeds opnieuw ontstaat uit de onmiskenbare liefde van de maker voor zijn materiaal.
Dat voel je.
Het is zo tastbaar als maar kan.
En het is behoorlijk emotioneel.
Het is kortom een feest van beelden en afbeeldingen, waarin je de symbiose van de maker en zijn/haar werk voortdurend terugziet.
Het is een feest om het hier in De 7e Hemel te beleven.
Het is ons Beeldfest.

Apport!

zie: www.galeriede7ehemel.nl

2013 in review


The WordPress.com stats helper monkeys prepared a 2013 annual report for this blog.

Here’s an excerpt:

The concert hall at the Sydney Opera House holds 2,700 people. This blog was viewed about 16,000 times in 2013. If it were a concert at Sydney Opera House, it would take about 6 sold-out performances for that many people to see it.

Click here to see the complete report.

Strijklicht in beeld en tekst – Johan Tahon en Justine leClerq


‘We’ zijn beroemd om onze luchten en om het toepassen van het licht. Of het nu gaat om Rembrandt of om hedendaagse fotografen als Rieneke Dijkstra en Erwin Olaf – het zijn de meesters van het licht. Je kunt ook zeggen: ze zijn het licht meester. Ieder virtuoos op zijn eigen manier. Licht, dat is iets om je leven aan te wijden. In beeld. In tekst. 

Natuurlijk licht heb je in zo ongelooflijk veel soorten. Elk met zijn eigen waarde en beleving. Bijvoorbeeld het avondlicht in het najaar, met zijn krachtige laagstaande zon – is totaal anders dan het bijzondere licht met een sneeuwlucht. Het merkwaardigste licht, eigenlijk het ‘gemeenste’ licht vind ik het strijklicht. Ik weet niet of het aan de tijd van het jaar ligt, maar het komt me voor dat het momenteel vaker te zien is dan op andere momenten in het jaar.

Strijklicht stort zich bij wijze van spreken vanaf zijn zijkant op voorwerpen. Of op je huiskamer en keuken. Waardoor je meer dan anders ineens ziet op welke plekken je de laatste tijd minder aandachtig in de weer bent geweest met je stofzuiger, je plumeau, je stofdoek of je 1000dingendoekje. En het rampzalige is, dat het op zulke momenten ook geen zin heeft om te gaan poetsen. Dan wordt alles alleen maar erger. In die zin is strijklicht intens en gemeen.

Gelukkig het heeft ook een goede kant. Doordat het voorwerpen zo  ‘scherp’ aanlicht – geeft het aan die voorwerpen ook iets extra. De schaduwwerking verdiept, de contouren verscherpen – de dialoog met het voorwerp wordt directer, confronterender.

Johan Tahon Op Faceboek is een mooie actie aan de gang. Iemand plaatst er een afbeelding van een kunstwerk dat hij bewondert. Als jij dat werk vervolgens ‘liket’ krijg jij de naam door van een andere kunstenaar. Vervolgens kun je die op zijn site bezoeken en als je dan daar werk vindt dat je aanspreekt dan kun jij dat weer op Facebook zetten. Op die manier ontstaat een even prachtig als grillig virtueel museum. Ik reageerde op de oproep van beeldhouwer Erik Buijs, die mij vervolgens een link gaf naar het werk van de Belgische beeldhouwer Johan Tahon.

Tahon maakt echt fantastisch werk. Het is monumentaal, het is museaal. Het confronteert, bevraagt de kijker, vertelt een verhaal. Kortom, Tahon moet – Tahon doet je goed.
Nu moest ik dus een werk van op Faceboek zetten. Dat was behoorlijk lastig. Toch vond ik er een. Nota bene een zonder titel, wat in het universum van Tahon best bijzonder is, want hij strooit graag met mysterieuze titels als: “Semen (Ich. Detail)”, of “Nan-Ping I”. Maar mijn keus heeft geen titel meegekregen.

johantahon_obsc_website

Het werk bestaat uit een kop, bijna letterlijk getrokken uit grijzige klei. Rond de kop is een eenvoudig rood draadje wol gestrikt. Het is een kale kop, het gezicht heeft een peinzende uitdrukking. De kop rust op een soort lange nek. Het is een ontzettend expressief beeld.
Bovendien is het gefotografeerd in … strijklicht. En hier is het niet gemeen of meedogenloos. Hier is het zacht en hard tegelijk. Het strijklicht draagt intens bij aan de expressie van het titelloze beeld. Even nadrukkelijk als achteloos. Het licht voegt zoveel toe, dat ik er ontzettend nieuwsgierig naar ben om het werk te zien in heel plat, alledaags licht. Het zal dan ongetwijfeld ook prachtig zijn, maar toch…

Justine leClerq Datzelfde licht, of eigenlijk diezelfde sensatie kan zich ook afspelen op papier. En dat is best bijzonder. Want licht dat een object omspeelt, ja, dat kan iedereen zich voorstellen. Maar licht dat taal bespeelt, dat als het ware deel uitmaakt van het universum van een boek – dat is minder voor de hand liggend. Zo af en toe kom je dat tegen. En dan moet je ervan genieten. Dat is een opdracht, maar het is bijna ook vanzelfsprekend. Het vanzelfsprekende van dat strijklicht in taal – laat zich lezen in het nieuwste boek van Justine leClerq.

In haar verhalen staan de bewoners van de zelfkant centraal, de ‘normale’ mensheid is verbannen naar de periferie.  LeClerq neemt je als lezer mee in de wereld van junks, hoeren, dealers, zwervers op een onnadrukkelijke manier. Zodra je begint te lezen in ‘Wegens geluk gesloten’ maak je deel uit van haar vanzelfsprekende universum. Het licht strijkt terloops over de woorden, over de karakters die je vooral leert kennen uit hun dialogen. Want dat is het bijzondere aan deze bundel verhalen (en het knappe van haar schrijverskunst): Justine leClerq biedt de ‘zelfkanters’ aan als een registerende camera. Het is een  ‘you see is what you get’ stijl. (Ze bewondert niet voor niets Bukowski). Wat je waarneemt is wat je leest – geen karakteromschrijvingen, geen uitweidingen over het weer of over het uiterlijk van de personen in de verhalen. Niks daarvan. Dialogen. En niet meer. En beslist niet minder.

Met haar camera schrijft leClerq de belevenissen op. Kleine gebeurens – met de intensiteit van een zwart/witfilm in de beste Hitchcock-traditie. Dat is het strijklicht waardoor haar karakters even nadrukkelijk als terloops tot leven komen. Ze lijken te bestaan op dat ene moment dat het licht over hen strijkt. Die terloopsheid maakt de verhalen net zo luchtig als indringend tegelijk.

Dat boek moet je dus lezen: ‘Wegens geluk gesloten’ kost maar 17,50 en is te koop in elke zichzelf respecterende boekhandel.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 369 andere volgers