David en de agenten – 4.4.15, 23.30 u – David vertrekt (9)


Ze stonden er als silhouetten geknipt uit de nacht: twee jonge mannen in politie-uniform compleet met riem waaraan traangas, pistool, walkie talkie. Indrukwekkend door hun donkerblauwe verschijning tegen de zwarte avond. Indrukwekkend door hun serieuze blik. Vastberaden. Een van hen hield een notitieblokje in zijn hand en stelde controlevragen om zeker te weten dat ze aan het juiste adres waren. Ik vroeg wat ze kwamen doen en dacht direct aan David. Het voelde niet goed. Ze wilden binnenkomen want ze hadden een boodschap die je niet aan de deur afhandelt, zeiden ze. 

David was dood vertelden ze toen we binnen aan de tafel zaten: ‘uw zoon is vandaag overleden’. Ik was de twee trappen naar de slaapkamer opgerend om Daniëlle te roepen: “Je moet komen. David is dood.” Had ik het anders kunnen brengen? Na minder dan drie kwartier vertrokken ze. Opdracht volbracht. In drie kwartier tijd waren de politiemannen veranderd van neutrale gezagsdragers tot boodschappers van het slechtst denkbare nieuws. Ze waren aangeslagen, want leeftijdgenoten van David en dan is het overbrengen van zo’n bericht toch anders, zeiden ze. Dat was lief.

Ze waren via de Meldkamer in contact gekomen met  politiebureau Ferdinand Bolstraat, Amsterdam. Die had alle informatie verstrekt: David was rond 18.00 uur door vrienden gevonden in zijn eigen bed, hij was waarschijnlijk eerder op de dag gestorven, zijn lichaam was in beslag genomen, want het is verdacht en vreemd dat een 23-jarige overlijdt. De boodschap sneed door mijn zenuwbanen en verdoofde elke emotie.

Als gevaar recht op je afkomt, zie je het meestal niet. Je merkt het pas op als het te laat is. (Als je het dan nog kunt opmerken.) Je ziet het niet omdat je het niet kent, dus niet herkent. David had de dood niet zien aankomen. Het leven, dát kon hij herkennen als geen ander. Maar de dood, nee, uiteraard had hij geen idee hoe die eruit zag. Ook niet toen hij erdoor in zijn slaap werd overvallen. Het zou zomaar kunnen dat de dood zelf ook geschrokken was van zijn daad. Maar de dood heeft geen moraal.

Ik sloot de deur zacht achter hen en pas op dat moment drong het drama tot ons door. David was al uren dood. Wij hadden deze dag geleefd alsof hij leefde. Wij hadden over hem gepraat zoals zo vaak, ons verheugd op Tweede Paasdag die we bij hem en huisgenoot Philip in de ‘FeBo’ in Amsterdam zouden doorbrengen voor onze eerste Paasbrunch (uiteraard met mierikwortel, ham en ei – hongaarse gewoonte die hij via mij van mijn moeder had geërfd). We hadden erover gesproken hoe fijn het was dat hij de zaterdag ervoor bij de opening van mijn expositie ‘Aan het Water’ was, samen met Daniël.
We… Hij… We… Hij – nooit meer? Wat nooit meer? Hoezo?

CIMG0003

Een week of vier na zijn schitterende begrafenis ontdekten we dat het ons moeite kostte om die eerste week vol emotie, stress, organisatiedrang, terug te halen en vast te houden in al zijn details. We herinnerden ons de agenten en beseften dat zíj de portiers waren naar Davids dood op die 4e april. Zij openden de poort naar die gruwelijke gebeurtenis.  We wilden ze opnieuw spreken en nodigden ze uit om ons te helpen met de reconstructie van die avond.

Het is woensdagmiddag, 20 mei, 15.00 uur. We zitten thuis aan tafel met beide agenten, die we nauwelijks herkennen in het daglicht. Jongens zijn het. De een, die indertijd het woord voerde, heeft geen dienst. In zijn burgerkleren is hij ineens heel gewoon. Hij studeert nog aan de Politie-Academie. Was de 4e april op stage. De ander is nog niet zo lang geleden afgestudeerd aan de P-A. Ook nu doet de stagiair voornamelijk het woord.

Tijdens hun opleiding krijgen ze training met acteurs in het brengen van slecht nieuws, vertelt hij. De avond van de 4e april werken ze voor de tweede keer samen. Rond kwart over elf komt het verzoek van de meldkamer of ze ‘Amsterdam’ willen bellen. Aldus. Ze overleggen of ze deze klus samen oppakken, of dat ze een ervaren collega vragen om de plaats van de stagiair in te nemen. Ze besluiten het als team te doen. Ze vragen informatie op over de bewoners van ons adres. Want je moet wel bij de juiste mensen terechtkomen. Ze besluiten dat de stagiair het woord zal voeren. En stappen in hun auto. Er zijn amper tien minuten verstreken. In de auto nemen ze de gegevens nog een keer door. Ze voelen de spanning toenemen.
“Ja”, zeggen ze, “het was spannend, we wisten niet wie of wat we zouden aantreffen en vooral niet hoe jullie reactie zou worden – het kan van alles zijn, mensen kunnen kalm blijven maar ze kunnen ook bij wijze van spreken met stoelen gaan gooien. Het was maar een korte rit naar uw huis. We belden aan en u deed open. We waren blij dat we u niet uit bed moesten bellen. Het was lastig, moeilijk.”

Ik herinner het me nog. Zoals ze daar stonden. Zoals ik daar stond. Afwachtend, benieuwd maar tegelijk gealarmeerd, want dit is al de derde keer in een paar jaar tijd dat ik op een raar tijdstip met de politie te maken krijg. De eerste keer omdat mijn vader ‘s nachts in gevecht met demonen zijn hele slaapkamer aan diggelen had geslagen, wat voor enig burengerucht had gezorgd. (“Is uw vader wel vaker in-adequaat?” vroeg de politieman door de telefoon.) De tweede keer omdat David op zijn scooter met een vriend achterop ‘s nachts tegen de richting in had gereden en prompt werd geschept door een auto die van rechts kwam. En dan nu de derde keer. Scheepsrecht – niemand heeft me ooit verteld dat de derde keer de dood tot gevolg heeft.

“Hoe vonden jullie onze reactie,” vragen wij. “Gelukkig werden er geen stoelen gesmeten,” antwoordt de stagiair vriendelijk. “Jullie waren kalm. Ik herinner me dat u (hij kijkt Daniëlle aan) emotioneler was dan u (kijkt mij aan, onderzoekend).” Ik voel me geroepen om te vertellen wat er in mij omging. Het was de verdoving van ongeloof. Dat gold voor ons allebei. Hun bezoek, de boodschap die ze brachten was zo verpletterend dat het onmogelijk was om er een emotie aan te verbinden, vertel ik.
Ze knikken. Ze hebben geleerd dat dat kan gebeuren. “We vinden dat jullie het heel erg goed gedaan hebben, die avond,” zeg ik. “Jullie bleven kalm, je nam je tijd.” Ik zeg niet erbij dat zij tegelijk voor altijd het keerpunt in ons bestaan blijven. Ik voel tranen achter mijn ogen branden.  4 april, 23.30 uur komt weer levendig terug. Maar vanuit een ander besef. We kunnen Davids dood nu niet meer ontkennen, zoals we die eerste momenten wel deden. Dit is de realiteit. En we hebben er zelf om gevraagd.

We vertellen over de begrafenis. Over de kist met David in de dispuutskelder aan de Oude Zijds, over de tocht door de grachten en de Amstel naar Zorgvlied met 7 boten. We laten ze de rouwkaart zien en de dankkaart. Aandachtig lezen ze de tekst. Voor het eerst zien ze een foto van David. Ze kijken er lang naar.  Ze zien een leeftijdgenoot met een brede grijns op zijn gezicht – midden in het leven.
Ze luisteren naar ons verhaal. Aandachtig. Ze stellen geen vragen. Wat moeten ze ook vragen? Wat we aan elkaar vertellen zijn antwoorden op niet-gestelde vragen.
“Hoe voelde het na afloop? Toen jullie weer terugreden?” vraagt Daniëlle. “We waren opgelucht. Het was meegevallen. De spanning viel van ons af.” Terug op Bureau Naarden waren ze direct aan de slag gegaan om een team te formeren dat naar Davids moeder zou gaan. Ze besloten dat in elk geval een vrouwelijke collega mee moest. Zelf bleven ze op het bureau. Hun chef ving ze op, haalde koffie en liet ze hun verhaal vertellen.
“Dat was de nazorg?” wil Daniëlle weten. “Ja, dat was het,” zeggen ze.
Zo kan dat dus gaan. Ze lijken er niet mee te zitten. Wij wel want wij interpreteren vanuit onze eigen situatie. Ik herinner me een prachtige reclamecampagne van lang geleden met de kopregel: “Is er koffie na de dood?”

Dan zijn we klaar. Zij zijn – opnieuw – opgelucht. We nemen afscheid als goede vrienden en blijven aangeslagen achter. De dagen daarna vallen we terug in de emotie van toen. Dit was geen vrijblijvend gesprek. Het was te essentieel. Het ging over teveel. Nu pas beseffen we wat we die 4 april, 23.30 uur hebben gehoord. Er valt niets meer te ontkennen. David is dood. Definitief. Ik kan die agenten helemaal niks kwalijk nemen.

1518020_1386295468367642_983730895440094195_n

David Travolta

 

 

David en Philip – David vertrekt (8)


Dit blog is voor en van Philip, Davids huisgenoot en dikke, dikke vriend. Philip en David kenden elkaar nauwelijks toen Philip hem uitnodigde een kamer bij hem in het appartement in de FeBo – de Ferdinand Bolstraat – te huren. Maar er was iets tussen hen dat het gevoel gaf dat het wel goed zat. Al gauw bleek dat een understatement.

David kon al snel niet zonder Philip. En omgekeerd. Het was een vriendschap in steen gebeiteld. Het huis aan de FeBo werd een begrip. De anekdote gaat dat vaste vrienden een eigen manier van bellen hadden en dat zodra de bel niet in de een of andere code klonk, David en Philip eerst uit het raam keken om te zien wie er voor de deur stond. Was het iemand waarin zij geen zin hadden, dan ging de deur niet open.
Zo is er een boek vol te schrijven over deze unieke vriendschap, die met zijn warmte ook uitstraalde over de vaste vriendengroep die zich al snel ontwikkelde. Het was dan ook een mooie combinatie: David, de brutale, charmante, goedgebekte, aanvankelijk slordige – en Philip, de schuchtere, hoekige, aarzelende, meer georganiseerde. Beiden hielden van sport: hockey, voetbal. En van televisieseries die ze graag alleen met z’n tweëen vanaf de bank bekeken. Als David het weekend bij ons doorbracht, was dat meestal tot en met Studio Sport. Daarna moest hij echt weg om samen met Philip naar de nieuwste aflevering van televisieserie Divorce te kijken. Het was de mooiste vriendschap ever.

Hoe mooi, blijkt uit de toespraak die Philip hield op Davids begrafenis. Het is een tekst die leest en klinkt als de mooiste poëzie. Hier staan woorden en zinnen waarvan de meeste liedjesschrijvers nog wat van kunnen leren. Lees zelf maar. En geniet:

David,                                                                                                           DSC_1194
mijn favoriete huisgenoot,
mijn enige, tevens mijn dagboek,
en ik de jouwe.

Wij hebben zoveel mooie herinneringen,
zoveel dingen die ik me niet kan inbeelden zonder jou.

Onze plannen om volgend seizoen samen te gaan hockeyen zullen er helaas nooit van komen.
We zouden hoe dan ook promoveren en in onze gedachten hadden we elke wereldgoal al uitgestippeld. Die ga ik uiteraard nog voor je maken! En als het mag met je nieuwe stick.
Die staat nog op 0.
Afgelopen woensdag heb ik al met je team mogen mee trainen.
Ik weet zeker dat je trots was geweest op de opkomst, mijn  conditie, de solo van Felix en je vader die kwam kijken. Hij heeft genoten.
Philip en David

Philip en David

Gelukkig heb ik wel jarenlang met je mogen wonen.
Met je gevochten en met je geknuffeld. Zo veel beleefd zoveel besproken.
Voor mij was niemand zoals wij.
Ik zal elke dag op je wachten, zo rond een uur of 6, als je chagrijnige hoofd de deur binnen komt en binnen enkele seconden met een grote grijns mijn laatste energie steelt om vervolgens te vragen of ik niet even op “thuisbezorgd” kan gaan kijken. We hebben het onszelf zo fijn gemaakt op de FEBO.                                                         Philip

Ik ga het zo missen.
Ik mis nu al je afro in de ochtend,
je gezeur in de keuken en
zelfs de potjes Fifa voor het slapen.
Maar het meeste mis ik de tijd die we nog voor ons hadden. 
Eindelijk waren we zo goed op weg.
Op 14 april 2012 begon ons avontuur. het had nooit zo snel mogen eindigen, maar ik hoop dat je over 3 dagen naar me kijkt en met me proost op de 3 mooiste jaren van ons leven.

Regelmatig kwam Davids broertje, Daniël, op de FeBo om samen met David en Philip potjes Fifa en andere games te spelen. Het waren de mooiste middagen voor Daniël. En voor David. En voor Philip. Daniël genoot van die grote jongens. Hij genoot van de geur in het huis: combinatie van verschaald bier, rook en Davids Jean Paul Gaultier. Hij genoot ervan om met David over de Albert Cuyp te wandelen en een broodje kroket te eten. Of poffertjes.

Voor Davids uitvaart leverde Philip drie nummers in die zijn gevoel en zijn relatie met David symboliseerden. Als ik dit blog schrijf is het intussen zo’n 7 weken later. Philip vertelt me dat hij deze liedjes nog elke dag draait: “ze zijn zo mooi,” vertelt hij. Hieronder per lied enkele tekstfragmenten. Maar wat je beter kunt doen is de hele versie even ophalen op YouTube.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik was het maanden al van plan
Maar pas toen iedereen gezegd had dat het niet kon ging ik lopen
Kijk me lopen toch, hier loop ik dan.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik heb de meningen geteld
En heb bedacht dat het niets uit maakt
Want als men niks vind word zelfs dat nog als een mening je verteld.

Vandaag ben ik gaan lopen
En waar ik loop is van nu af aan een weg.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik maak me klein bij elk geluid
Ik ben veel banger dan ik was, toen ik nog stil stond
mag zo wezen, maar ik kom eindelijk, ik kom eindelijk voorruit.

link naar liedje

Toen ik je zag
“Ik dacht nooit aan morgen, vandaag was lang genoeg
Totdat ik jou zag en ik dacht ineens aan morgenvroeg

Ik hield niet van de liefde, voor mij was er geen vrouw
Totdat ik jou zag en ik hield zomaar ineens van jou (-)

Ik kon om niemand lachen, ik was tot niets in staat
Nu ben ik dag en nacht een zon omdat ik weet dat jij bestaat
Ik bleef altijd binnen, echt vrolijk was ik niet
Nu loop ik zelfs te fluiten en ik kijk of ik jou ergens zie

Je hebt niet in de gaten wat je allemaal met me doet
Dat kun je ook niet weten, ik heb je pas één keer ontmoet
En toen heb je mij misschien, niet eens gezien

Want je hebt niet in de gaten wat je allemaal met me doet
Dat kun je ook niet weten, ik heb je pas één keer ontmoet
En toen heb je mij misschien, niet eens gezien.”

Link naar liedje

“The Truth”, DR. DOG –
The truth don’t stop
It makes you move
Round and round
Like the moon
It’s coming down
The truth don’t stop
(-)
The truth don’t stop
Another day (-)
It’s coming downThe truth don’t stop
It’s really coming
The truth don’t stop
It’s falling hard
The truth don’t stop (-)
Thunder and lightning
Let the rain fall
Let the rain fall
Let the rain fall

link naar liedje

 

David en de rouw – David vertrekt (7)


Het verwerken van rouw is vooral hard werken. En toegeven: aan je verdriet, aan je tranen, aan je angst, aan het gevoel van leegheid in en om je heen, aan je eenzaamheid, je wanhoop. Rouw-deskundige Manu Keirse spreekt in dat verband van ‘rouwarbeid’. Ik tegenwoordig ook. Rouwen doe je vooral in jezelf, en vaak verlang je ook naar eenzaamheid. Tegelijk is het goed om mensen om je heen te hebben die zomaar op bezoek komen of bellen. Hoe meer, hoe liever. Maar hoe dan ook: het blijft gewoon keihard werken.

En hoe jammer het is dat er geen traditie meer bestaat in kledinggebruik tijdens de rouw? Niet zo heel lang geleden kleedde je je in het zwart. Er bestonden allerlei kledingcodes voor de mate van zwartheid en de duur van de rouw. Het dragen van een zwarte band is uit die code overgebleven – een traditie die nu nog voornamelijk bestaat bij sportclubs: voor een overleden clubgenoot draagt zijn of haar team bij de eerste wedstrijd een rouwband. Davids hockeyclub deed dat: zijn huidige maar ook zijn oude club in Naarden. Dat was mooi en aangrijpend. ‘Door rouw te visualiseren, schep je voorwaarden voor troost.’ lees ik in een krantenartikel.

Maar er zijn geen kledingvoorschriften meer, zodat je jezelf kunt terugvinden bij de kassa van de supermarkt en je volkomen vervreemd voelen van alles en iedereen ‘die-maar-doorleeft’ terwijl jij op zo’n moment vooral herkend wilt worden als rouwende. Daniëlle, Davids stiefmoeder, had die ervaring toen ze met drie kratjes bier bij de kassa stond voor alle vrienden van David die na zijnIMG_1651overlijden onze tuin bevolkten in een prachtig rouwend samenzijn – soms ruim 60 man. Ze had het gevoel dat andere mensen bij de kassa ongetwijfeld dachten dat ze een feestje gaf die avond… Had ze rouwkleding gedragen, dan was er hopelijk anders over gedacht. Bij gebrek aan zo’n traditie, aan ‘voorwaarden voor troost’, word je als rouwende nog veel meer op jezelf teruggeworpen.
Hoe raar het ook klinkt, vooral in gezelschap. Want daar ben je als rouwarbeider je juist het meest bewust van de leegte: een vorm van gemis waardoor je je ‘anders’ voelt: wel aanwezig, niet compleet.

Steun van buiten is belangrijk. Maar niet altijd even makkelijk. Een vraag als “En, hoe gaat het nu?” wordt in alle oprechtheid gesteld. Maar wat moet je ermee? Meestal zeg ik dan naar waarheid: “Kut. Maar verder oké.”
“Ja, dat begrijp ik,” luidt het ongemakkelijke antwoord.
Maar valt het te begrijpen? Ik begrijp het zelf nauwelijks. Post blijft ongeopend. Al meer dan een maand heb ik geen televisie meer gekeken, op twee voetbalwedstrijden na. Ik moet er ook niet aan denken: de opgefoktheid van DWDD, de oppervlakkigheid van de meeste andere programma’s – het zal wel, ik ben het voor dit moment zat. Kranten: niet interessant. Ik slaap matig. Wandel te vaak met tegenzin met Bob, de liefste hond van de wereld. Rook teveel. Kan hele dagen op de automatische piloot leven. Ben het liefste thuis en ook weer niet. Loop dagenlang met het laatste beeld wat ik van David heb op mijn netvlies: zielloos in zijn kist in het uitvaartcentrum. Het is hem niet, het is hem wel. Het is wat ik niet wil zien, niet wil herinneren – maar juist die herinnering laat zich niet wegstoppen. Precies waarvoor ik bang was.
De wereld verkleinen – het schijnt een fase te zijn in de rouwarbeid. Dat is de ‘kutkant’ die telkens weer nieuwe facetten blijkt te hebben. Dit zijn geen ‘voorwaarden voor troost’. Evenmin een (goedbedoelde) opmerking als: “Ik zal maar niet vragen hoe het met je gaat.” Dat is het lastige van rouwen: je weet niet wat je wilt. Je bewoont de leegte die je van binnen voelt en tast om je heen. Naar wat is geweest. Naar steun en troost. Terwijl je weet dat je er vooral alleen doorheen moet.

Het ‘oké-zijn’ ontstaat in dit proces door mezelf afleiding toe te staan. Bijvoorbeeld door het schrijven van deze blogs. Door mee te denken over communicatie met mensen die met hart & ziel aan hun eigen bedrijf werken. Door te zorgen dat Daniël, Davids broertje, zijn zorgen vergeet. En door samen te praten. En te ontdekken dat wij veel overeenkomstige ervaringen en emoties delen, ondanks dat we elk ons eigen soortelijk gewicht hebben in dit proces.
Zullen de dingen slijten? Het mag van mij, als het maar niet de herinneringen aan David zijn. Want het zullen er nooit meer worden.

Wat maar niet over lijkt te gaan, is de moeheid. Eerst dachten we het te kunnen verklaren door te zeggen dat we moe waren door de eerste, tot de rand gevulde, adrenalineweek sinds Davids dood. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van. Die moeheid was fysiek. De moeheid die ons nu in zijn greep houdt, gaat oneindig veel dieper. Die kruipt achter mijn ogen, maakt mijn blik letterlijk zwaar, vertroebelt mijn hersens zodat ik gesprekken vaak uit mijn tenen moet trekken. Die moeheid sluipt door mijn hele systeem, mat het af door herinneringen aan David te projecteren met de pijnlijke boodschap: dit wordt nooit meer méér.

Er zullen geen weekends meer zijn waarin David eindeloos potjes Fifa speelt met Daniël en vervolgens gaat bijslapen op de bank in de woonkamer. Maar we zien ze levendig voor ons. Er zullen geen vrolijke apps meer komen waarin hij trots laat zien hoe hij werd geëvalueerd op zijn werk, waarin hij Daniëlle weer eens vraagt om een kortlopende financiële bijdrage, waarin hij mij vraagt hoe het met mij gaat… Maar we zien ze levendig voor ons. Het is fantoompijn. Te tastbaar. En zo slopend.

Rouwen is leren accepteren, lees ik vaak. Ik zoek de kaders van dat accepteren: de rationele kan ik moeiteloos bedenken vanuit mijn ‘ego’ en zelfs toepassen als het moet, maar de weg naar de onderliggende laag – die pas echt gaat over accepteren op zielsniveau, daar heb ik nog geen oplossing voor gevonden. Zolang ik daar nog niet ben, blijft het missen van mijn kind pijnlijk snijden als weerhaken in mijn vlees. En beleef ik overal waar ik kom de pijnlijke afwezigheid van mijn kind, waar vroeger de aanwezigheid zo zorgeloos vanzelfsprekend was. De innerlijke aanwezigheid.
Erik van Zuydam schrijft vanuit boeddhistisch perspectief over ‘accepteren’ mooie woorden: “Het ego/de ratio is niets meer dan de activiteit van wegduwen of verlangen. Het is nooit neutraal, het is altijd aan het duwen en trekken, het is nooit stil. Het is altijd bezig met iets, altijd plannetjes aan het beramen, altijd iets aan het bekokstoven, altijd bezig met een wordingsproces, (-). Alleen stilte is werkelijk in staat om de dingen er laten zijn. Alleen vanuit het perspectief van (innerlijk) bewustzijn kun je de dingen er volledig laten zijn. Bewustzijn kan niet anders dan alles er laten zijn, want bewustzijn kent geen verzet. Het is open, beschikbaar, transparant.(-) Acceptatie is geen vaardigheid die je kunt toepassen, het is de totale afwezigheid van iedere vorm van bemoeienis. Acceptatie is niets anders dan de afwezigheid van verzet. En de afwezigheid van bemoeienis en verzet staat gelijk aan de afwezigheid van ego. Bewustzijn zou je kunnen zien als een voortdurende toestand van verwelkomen, het geeft immers ruimte aan alles wat wil verschijnen. En bewustzijn is wat je bent. Dus wat je in essentie bent dat IS acceptatie, dat is de stille open ruimte waarin alle sensaties komen en gaan.”

Door meditatie is het mogelijk om de diepere lagen in jezelf te bereiken. Ver weg van het ego dat spelletjes met je speelt, dat voortdurend voorwaarden stelt en oproept, dat je afhoudt van het bereiken van je essentie. “Kom je wel dicht genoeg bij je emoties?” vraagt mijn psychiater terwijl hij mij ziet huilen. Zo’n vraag zou een boeddhist nooit stellen. Mediteren is de oplossing, zo voelt dat nu. Iemand missen zoals een ouder zijn gestorven kind, is uiteindelijk ook verzet. De zin hierboven: “Acceptatie is niets anders dan de afwezigheid van verzet,” is het mooiste antwoord op mijn vraag over accepteren op zielsniveau. Je moet maar durven.

David ‘caught in the act’ David vertrekt (6)


Voor de spiegel staan met je ogen dicht. Dan. Razendsnel. Je ogen open. Je ogen dicht. En hopen dat je kunt zien hoe je er met dichte ogen uitziet. Toen de selfie nog niet bestond was dat een spannend avontuur. Matisse’s man die voor de spiegel staat en niet zijn gezicht en voorkant ontmoet maar zijn achterhoofd en rug. Intrigerend beeld.

In navolging van Picasso – die voor de Paris Match een reportage had gemaakt, waarin hij schilderde met licht – maakte CoBrA-kunstenaar Eugène Brands in de na-oorlogse jaren een serie foto’s die berustten op hetzelfde principe: je neemt een simpele zaklantaarn, een verduisterde kamer, een flitslamp en uiteraard een fotocamera.

Samen met de Amsterdamse fotograaf Lemaire (zoon van de galeriehouder in etnografica met wie Brands ook nauw samenwerkte) maakte hij zich de techniek van Picasso eigen. Hij ontdekte dat een van de belangrijkste onderdelen was, het op het allerlaatste moment inflitsen van het beeld.
Brands was onder meer een begenadigd tekenaar. Dat zie je goed op zijn lichtschilderijen. Hij kon ‘op de tast’ de mooiste (vis)vormen tekenen met licht. Bij het lichtschilderen moet je de sluiter van je camera voor langere tijd openzetten.
Maar er komt nog een ander bijzonder gegeven bij. Stel dat je bij daglicht een straat fotografeert met een lange sluitertijd, dan zorgt die ervoor dat alles dat bewegend langs de camera komt, niet wordt vastgelegd. Dat effect zie je ook bij de lichtschilderijen. En dat maakt ze ongelooflijk boeiend. Op elk schilderij zie je namelijk Brands – precies aan het eind van het hele proces van het lichtschilderen. Al zijn voorafgaande bewegingen zijn opgeslokt in de (sluiter)tijd. Op dat laatste moment wordt hij als het ware bevroren, zodra hij kort wordt belicht door de flitser. Als kijker ben je zo, meer dan bij welk ander schilderproces, getuige van het allerlaatste moment van de schepping door de kunstenaar.

Dichterbij kun je niet komen. Dat geeft de lichtschilderijen een bijzondere intimiteit. En het biedt de kijker telkens opnieuw de gelegenheid om zich af te vragen waar de tekeningen eigenlijk zijn begonnen en hoe de volgorde van het raadselachtige proces is geweest. Je blijft kijken en je blijft proberen te begrijpen. Het is als het leven zelf.

Eugene Brands gevangen aan het eind van het schilderproces

Eugene Brands gevangen aan het eind van het schilderproces

David werd zo’n 12 uur na zijn overlijden gevonden, liggend op zijn buik – zijn neus diep gedrukt in zijn hoofdkussen, zijn armen gespreid. Ik heb hem helaas zo niet mogen zien. Vanwege de autopsie en ambtelijke regels zagen wij hem pas zes dagen na zijn overlijden. (Dat zit ons verschrikkelijk dwars. Maar daarover gaat deze tekst niet. Dat komt nog wel.) We moeten het dus hebben van de verhalen van zijn huisgenoot en de vrienden die hem hebben gevonden. En van een andere, stille getuige.

Het kussen waarop David heeft gelegen, draagt als een lijkwade de sporen en zelfs heel herkenbaar de neusafdruk van David. Eerst hield ik het weggestopt in een anonieme grijze vuilniszak. Te confronterend. Ik had er geen moment goed naar gekeken, maar wist dat ik het in elk geval nooit weg zou gooien. Een paar dagen geleden nam ik het kussen toch in mijn handen, hield mijn hoofd er tegenaan, probeerde hem te ruiken. Even zo dicht mogelijk bij hem zijn.
Naarmate ik langer keek, en vertrouwd raakte met Davids sporen op het kussen, besefte ik dat ik hier de David uit de laatste seconden van zijn leven in mijn handen had. Misschien zelfs de eerste momenten van zijn niet-leven. Daardoor is dat kussen de kostbaarste en dierbaarste herinnering aan een leven dat met licht geschilderd was.

David had het leven in lichtende lijnen getekend, zoals maar weinigen kunnen. Voor ons, voor zijn vrienden en Philip zijn huisgenoot (“ik mis je gemopper in de keuken…”), voor zijn Borgia en voor zijn collega’s. Toen de laatste lijn getrokken was, flitste het levenslicht nog een keer bij. En zoals Brands op zijn lichtschilderijen is gevangen exact aan het eind van het scheppingsproces, het meest intieme moment, zo is David op zijn kussen ‘caught in the act of life’. Of wellicht beter ‘caught in the exit of life’. Intiemer bestaat niet. Dramatischer evenmin.

Op zijn eigen, onnavolgbare manier had David van zijn leven een uniek lichtschilderij gemaakt. En daarmee velen geraakt. Net als bij Brands blijft het intrigerend om de lijnen van dit leven te volgen en het ondraaglijke moment van intimiteit te ervaren, of wellicht zelfs te vieren, van het eind van deze schepping. We blijven kijken en we blijven proberen te begrijpen. Ook na zijn Hemelvaart.

David’s hemelvaart David vertrekt (5)


Vandaag 41 dagen geleden overleed David. 23 jaar oud. Volgens bepaalde opvattingen verblijft de ziel na het overlijden tussen de 40 en 42 dagen op aarde voor hij overgaat naar een volgend stadium. In die 40 dagen inventariseert hij het leven dat hij heeft geleid. Als je vanaf Davids overlijden rekent, valt zijn aardse afscheid op Hemelvaart. We vinden dat een mooie symboliek. Daarom hebben we vandaag, Hemelvaartsdag, met een aantal van zijn vrienden, dispuutgenoten, collega’s op Zorgvlied afscheid van hem genomen: gepast, vrolijk en met een kratje bier.

De afgelopen weken waren zwaar. Voor ons, Han, Daniëlle en Daniël en voor veel anderen. Het zal nog wel even duren voor we rust hebben gevonden in het idee dat David nooit meer fysiek in ons leven zal zijn. Tegelijk markeren de ruim 40 dagen voor ons ook een grens. Het “En weer door” staat voorbij die grens levensgroot geschreven. Hoewel er nog genoeg momenten en situaties zullen zijn waarbij we niet weten hoe we weer ‘door’ moeten, proberen we ons leven enigszins op te pakken.

Als wij op Zorgvlied zijn, of bijvoorbeeld bij de wedstrijden van Davids hockeyclub, heb ik vaak het gevoel dat hij – ruisend met de wind in de bomen – naar ons kijkt. In elk geval bij ons is. Daarom hieronder een gedicht van Rutger Kopland (uitgesproken bij zijn eigen begrafenis). Lees het en bewaar het bij David in je hart. En vergeet vooral niet elke dag te leven!

Psalm
Dan zullen deze geluiden wind zijn,

als ze opstijgen uit hun plek, dan
zullen ze verwaaien, zijn ze wind.

We hebben geademd en onze adem was
als zuchten van adem om een huis,

we hebben gepreveld en onze lippen
prevelden als een tuin in de regen,

we hebben gesproken en onze stemmen
dwaalden als vogels boven een dak.

Omdat wij onze naam wilden vinden.
Maar alleen de wind weet de plek
die wij waren, waar en wanneer.

(Rutger Kopland, uit: Geduldig gereedschap, 1993)

 

DSC_0959 DSC_0979 DSC_0995 DSC_1000 DSC_1006 DSC_1007

 

 

 

 

David, de €rfenis van je tante… David vertrekt (4)


Je kunt op allerlei manieren doodgaan. Je kunt er zelf voor kiezen. Je kunt van ouderdom sterven, door pure pech zoals David, of je zoals mijn vier jaar oudere zus op haar 54ste deed: aan de idiote combinatie van een tweede niet-functionerende donornier, gangreen, sclerodermie en buikvliesontsteking. Ik kan een of twee defecten hebben gemist. Sinds haar dood heb ik altijd gedacht dat ik nu wel alles wist over stervensprocessen en overlijden…

 Na een korte carrière als violiste en een nog korter huwelijk dat eindigt met de fatale hersenbloeding van haar echtgenoot op paasochtend (!) raakt Em gevangen in het web van haar ziektes. De sclerodermie maakt het onmogelijk om nog viool te spelen laat staan om de veters in haar schoenen te strikken. Haar eerste donornier is afgestoten, de tweede laat lang op zich wachten en als die er eenmaal is wordt dat ook geen succes. Ten slotte woont ze meer in het ziekenhuis dan in haar eigen huis. Ik heb nauwelijks contact met haar. Maar op een dag krijg ik een uitnodiging van het ziekenhuis om samen met mijn ouders langs te komen. Die zijn dan al rond de 80 jaar, wonen op een uur autorijden en zijn allang niet meer fit.

“Ik wil het met u hebben over uw dochter en zus,” zegt de dienstdoende arts. “Het gaat steeds slechter met haar en we vermoeden dat ze binnen enkele weken zal overlijden. Ze krijgt nu sondevoeding en ze zal binnenkort aangesloten worden op de morfinepomp. Hoe snel zij daarna overlijdt weet ik niet precies, maar het zal niet lang meer duren.”

Mijn ouders knikken verdwaasd. Mijn moeder kijkt verdrietig voor zich uit en reageert niet op de rechterhand van mijn vader die zich zacht om haar hand krult. Ik heb geen idee wat ze nu denken. Wat moet je ook met zo’n mededeling die niet eens zo onverwacht komt. Maar die desondanks behoorlijk triest is: het gaat om een 54-jarige. Het gaat om je kind. Onder de 70 hoor je niet dood te gaan. Nouja, iets jonger is nog acceptabel, maar niet iemand van rond de 50.

“Wij hebben een verzoek aan u,” gaat de man verder en hij kijkt mijn ouders aan. “U woont hier niet om de hoek,” mijn ouders knikken,“uw zoon wel. Er komt snel een moment dat wij iemand van de familie officieel toestemming moeten vragen om het lijden van uw dochter te beëindigen,” weer knikken mijn ouders. “Omdat het op dat moment vrij snel kan gaan, eh… stellen wij voor dat wij uw zoon bellen,” hij kijkt onderzoekend naar mij. Mijn ouders kijken elkaar aan. Wezenloos. Berustend. “We begrijpen het,” zegt mijn vader tenslotte met samengeknepen keel. Ik tuur naar mijn schoenen, voel dat iedereen in mijn richting kijkt. Ik heb al die jaren nauwelijks contact met haar gehad en dan dit! “En wat als ik het niet wil doen? Of niet kan?” vraag ik als een verwend kind. “Ik stel voor dat u er eerst over nadenkt,” klinkt het geïrriteerde antwoord.

Drie weken later word ik rond twaalf uur ‘s nachts gebeld. “Met Wolvenklauw,” klinkt een tamelijk bekakte stem, ”ik ben de behandelend arts van uw zuster. Er ligt hier een afspraak waarin staat dat we u moeten bellen op het moment dat het leven van uw zuster in het geding is. Kunt u hierheen komen?”
Even later zit ik tegenover assistent-arts J. Wolvenklauw Ik ben niet zo goed in het omgaan met autoriteiten, laat staan met assistent-autoriteiten, en al helemaal niet in een idiote situatie als deze. De twintiger tegenover me heeft nog geen woord gezegd maar ik weet zeker dat het tussen ons nooit goed komt. Ik wil het gewoon niet. “Het gaat heel slecht met uw zuster. Meerdere organen zijn al uitgevallen en er is nu sprake van ondraaglijk lijden. Zelfs de morfine helpt nauwelijks. Dus heb ik uw toestemming nodig om te stoppen met de morfine. Ik vermoed dat het daarna snel zal gaan.”

“Dus u vraagt me om de stekker uit haar leven te trekken?” vraag ik recalcitrant.
“Zo is het niet helemaal. Of eigenlijk helemaal niet. Uw zuster heeft het leven eigenlijk al opgegeven.”
“Dat zal wel maar u wilt toch dat ik nu een eind aan haar leven maak? Waar is haar eigen arts eigenlijk? Wat vindt die ervan?”
“U maakt geen eind aan haar leven. Nogmaals, zij beëindigt uiteindelijk zelf haar leven. Als we haar in leven houden, zal zij alleen maar langer meer pijn hebben. Zinloos veel pijn. Als u toestemming geeft…”
“Hou toch op,” roep ik met een boosheid die ik nauwelijks ken van mezelf. Het wil er bij mij maar niet in dat dit een hele zinnige redenering is. In een paar minuten is mijn zus – of wat ervan over is – voor mij uitgegroeid tot het meest dierbare op aarde, we kwamen godverdomme uit dezelfde moeder, deelden dezelfde vader. Assistent-arts J. Wolvenklauw zwijgt. Dat heeft hij waarschijnlijk op een cursus crisisbeheersing geleerd.

Ik voel dat verzet zinloos is. “Goed,” zeg ik ten slotte, “ik wil haar wel eerst zien. Bij leven afscheid van haar nemen.” Die zit. Waarom precies weet ik ook niet.
Dan sta ik naast haar bed. De lucht die door de doorligmatras wordt geblazen, suist zacht, de morfinepomp achter haar geeft af en toe een bliebje, een ander apparaat staat te zoemen. Omringd met allerlei infusen – “die halen we dan ook weg” – ligt mijn zus reutelend te ademen – klein, vermagerd, verschrompeld als een mummie (gebalsemd door het leven), haar ogen gesloten. Ik pakt haar hand die ijskoud aanvoelt en keihard als gebakken klei – dezelfde hand die ooit soepel en sos virtuoos over de snaren van haar viool ging – en kijk haar minutenlang aan in de schemering terwijl het om ons heen rustgevend bromt, suist, bliebt en reutelt. ‘Zo gaat het dus,’ denk ik, ‘zo gaat het dus’. Tot diepere gedachten kom ik niet.

Nauwelijks twee uur later sterft Davids tante. “Gecondoleerd,” zegt J.Wolverklauw houterig. Hij steekt zijn hand uit. Er groeien zwarte haartjes op. Ik krijg een gele See, Buy, Flyplastic tas mee met haar bezittingen erin en haar wandelstok. De kamer is al helemaal leeggemaakt. Zo ga je efficiënt om met de dood. Op weg naar de uitgang probeer ik uit hoe je wandelt met zo’n stok.
Binnen vier jaar daarna overlijden ook Davids oma en opa – mijn ouders. Hun overlijden is logisch, begrijpelijk en in vergelijking met dat van hun dochter merkwaardig licht. Ik denk in die tijd dat ik nu wel weet hoe het zit met de dood.

IMG_0462

Voor David is het goede nieuws dat hij een behoorlijk bedrag erft van zijn tante. Vanaf zijn 18e is hij vrij om het te besteden. Ik heb visioenen hoe hij het geld gaat gebruiken om zijn rijbewijs te halen, een deel van zijn studie mee te financieren, wellicht een vakantie ermee betaalt. Dat soort dingen.

Al snel blijkt dat hij daar anders over denkt. Hij beleeft rond zijn 18e zijn eerste Grote Liefde. En die zal dat weten ook. Tot onze ontzetting koopt hij een peperdure ring voor haar. Neemt haar mee uit eten in betere restaurants. Overnacht met haar in fijne hotels in Nederland en België. Regelmatig vraag ik hem naar het saldo van zijn erfenisje. “Maak je geen zorgen, Pap,” zegt hij telkens. “Ik weet wat ik doe, er blijft nog genoeg over.” Maar dat zegt hij me iets te vaak. Van ongerust word ik steeds bozer. Zoveel onverantwoordelijkheid! Maar ik kan hem niet stoppen. Het is zijn geld en hij is 18, bijna 19. Dan weet je immers hoe de wereld in elkaar zit en omhels je intens je vriendin en het leven. Ten slotte is het geld op. Natuurlijk! We hoeven het er niet eens over te hebben om het te weten. Ik ben teleurgesteld – hebben al mijn woorden dan helemaal geen effect gehad?

Het is nu een jaar of vijf later. David is dood en ik heb geen reden meer om boos te zijn op hem. Eerder het tegendeel. Uit alle brieven, condoléances, toespraken op zijn begrafenis en latere gesprekken met zijn vrienden leer ik hem kennen als de zoon waarop ik alleen maar trots kan zijn. Soms denk ik aan mijn teleurstelling over hoe hij is omgegaan met zijn erfenis. Hoezo onverantwoordelijk? David heeft het enige juiste gedaan: hij heeft geleefd zoals hij het moest doen. Zoals hij het alleen maar kon en zoals het hem paste als een handschoen. Het is waar, de dood helpt te relativeren. Zelfs als het gaat om het grootste verlies in je bestaan.

Davids overlijden is het voorlopig laatste hoofdstuk in mijn verzameling ervaringen met de dood. een ding weet ik zeker, je kunt niet zeggen dat de ene dood erger was dan de andere. Hoewel, de dood van je kind – daar kan weinig tegenop.

David, de stad… David vertrekt (3)


De stad waar je bent komen wonen, voelt altijd anders dan de stad waar je bent geboren. De stad waar je werkt, maar niet woont voelt nog anders. De eerste categorie  voelt aan als jouw stad. Met jouw routes, met jouw café’s, met jouw supermarkten, musea, coffeeshops, winkelstraten. Jij hebt die stad verkend, besloten dat je je er thuisvoelt. Trots neem je je familie mee op tochten door jouw stad, je laat zien dat je er veilig bent.

De stad waarin je bent geboren, is met jou mee opgegroeid. De hele plattegrond maakt deel uit van je intuïtie. Je hebt er favoriete wijken met prachtige herinneringen. Wijken waaraan je liever niet herinnerd wordt. De wijk van je Eerste Liefde. Van je eerste keer spijbelen. Van je eerste joint tijdens het vrije uur geschiedenis. Van het huis van je vader en dat van je moeder. Van de straat waar je eindeloos buitenspeelde. Van je beste vriend aan de andere kant van de stad. Het is de stad die altijd van jou blijft, waar je later verder ook woont. Het is de stad als collage van liefde, asfalt, geluk en verdriet. Want zonder die vaart geen stad wel.

De stad waarin je overdag verblijft om te werken, haalt het niet bij de eerste twee. Zelfs al zou je willen. Je kunt houden van die stad, er uitstekend de weg weten tot en met de sluiproutes. Je kunt er de fijnste eetgelegenheden blind vinden, de raarste en de leukste kroegen. Maar je bent je er altijd van bewust dat je beperkt toegang hebt tot haar ziel. Ook al is het Amsterdam.

De stad die je omarmt
Maar stel dat bijvoorbeeld je zoon, die bijvoorbeeld David heet, besluit om te wonen waar jij bijvoorbeeld werkt – dan zal die stad  vanaf dat moment een andere relatie met je opbouwen. Dan adopteert zij jou als gebaar van goede wil. Louter en alleen omdat je kind zich heeft genesteld in haar omhelzing. Wordt gewiegd op het ritme van haar hart. Meegevoerd in het meanderen van haar bloed. En daarvan intens geniet. Bijvoorbeeld David wordt het kind van de stad. En dat voelt goed.

Je merkt je andere verhouding op verschillende manieren. Je weet je welkom, vanaf het moment dat je haar ’s ochtends betreedt tot je de stad ’s avonds verlaat. Je beseft dat dat komt doordat een paar straten verderop je kind leeft: zijn wereld vergroot, zijn grenzen verlegt, zijn veroveringen verzamelt, zijn zegeningen telt. Je hebt daardoor nooit meer een argument om de stad vijandig te vinden. Laat staan ontoegankelijk.

Jij bent nu een van de league. Dus houd je bijvoorbeeld van de sirenes in de verte, die in golven de stad inrollen, tussen de smalle straten door, over pleinen en langs lanen tot dichter en dichterbij. En vervolgens verder – het geluid als lucht persend door de straten tot verder & verder & verder weg om dan abrupt te stoppen. Je gokt wáár.
Je begrijpt nu bijvoorbeeld ook de malloten die de stad bevolken. Die schuifelend, bedelend, stoned, dronken, scheldend, tastend hun onnavolgbare weg gaan. Je herkent ze en geeft ze een plek op de plattegrond van de stad die zich intussen liefdevol etst in je hart.

Zo ontdek je bijvoorbeeld ook het spel van zonlicht in de vroege ochtend en de late avond wanneer de stad haar silhouetten opricht als wachters voor de nacht. De eerste clubs openen hun deuren al, de dynamiek van de nacht komt geruisloos op gang en ook al maak je daar waarschijnlijk nooit deel van uit, je zou het zomaar kunnen. Zonder schaamte of angst.

Davids dood
Dan gebeurt waarop je nooit had gerekend. Wat nooit had gemogen, altijd onmogelijk had geleken, onlogisch – en al helemaal niet met jouw kind.
David heeft de vrijdagavond en -nacht nog gevierd zoals zo vaak. Met vrienden, bierdrinkend, sms’end met vriendinnen, regelmatig zijn bloedsuiker controlerend in verband met zijn ziekte. Zo gaat het meestal door tot zes uur ’s ochtends. ‘Waar slaap jij? Kom bij mij. Ik wil kroelen,’ verleidt zijn laatste sms een vriendin. Daarna lange tijd niks tot een andere vriendin rond half tien ongerust aan hem smst: ‘David!!!!!!’ Hij is dan al drie uur dood. Niemand die het weet. Niemand weet het tot zes uur ’s avonds. Maar dan verandert er radikaal veel in de stad.

Vrijwel direct werpt Davids dood zijn schaduw over de stad, over de telefoons en harten van tallozen. Dan blijkt hoe geliefd hij is en hoe enorm de schokgolf is als zo’n jong karakter het leven en zijn vrienden achter zich laat. De stad verduisterd in hoog tempo voor vrienden, vriendinnen, dispuutgenoten, collega’s en veel meer anderen die hem nauwelijks kennen: voor de meesten is dit de eerste echte confrontatie met de dood.

De stad herkent zichzelf niet meer en toont aan jou tegelijk haar meest meedogenloze kant: je bent weer zo alleen zoals voor jouw kind hier kwam wonen. De stad laat direct los en toont zich in alles teveel, te groot, te hard, te massaal, te luid. De sirenes hebben niets betoverends meer, het licht in de straten betovert niet meer, de zwervers spugen hun verachting voor je voeten, je struikelt over losse stenen maar vooral over jezelf.

Vaders & zonen
Na bijna vier weken afwezigheid word je verwacht in de stad. De laatste dingen moeten ter plekke worden geregeld. Vanaf het station dein je mee als drijfhout met de lome selfiënde toeristenstroom de stad in. Dan spoel je aan op de Dam. En staat oog in oog met een levend standbeeld dat in rafelige pij ongeconcentreerd de Zwarte Dood uitbeeldt. Zeis. Puntkap. Belachelijk schedelmasker.
Het kost je moeite om door te lopen. Hoewel je het liefst hard weg wilt rennen of nee, je wilt vooral die kap van zijn kop rukken, de zeis uit zijn handen trekken, hem ermee bewerken en op hoge toon eisen dat David terug moet: “Hoor je me, lul? David moet terug. Wat sta je daar? Doe wat! Drie weken zonder kind is wel mooi. Leuke grap, maar nu weer normaal graag. Breng ‘m terug, klootzak!”
Tegen beter weten in.
Er is een opvatting dat de ziel na het overlijden nog 40 dagen tussen de mensen blijft om te wennen aan zijn nieuwe status. Daarna gaat hij over naar een volgend stadium. Als we het uitrekenen, blijkt dat Davids ziel exact op Hemelvaart zal vertrekken. Het kon slechter. Intussen sta je vertwijfeld bij de groezelige ‘grim reaper’. Je doet niets. Je vindt het een armzalige vertoning. Tot je eigen verbazing loop je tamelijk rustig verder.

Maar dan zie je ze.
Je oog valt er onwillekeurig op: de vader en onmiskenbaar zijn zoon in onmiskenbaar Davids leeftijd. Ze lopen je tegemoet. Praten vrolijk, vertrouwd; de vader met een trotse glimlach, de zoon met de zelfverzekerde tred die hoort bij degenen die door de stad zijn opgenomen en bij de jeugd die niet anders weet dan dat ze het eeuwige leven heeft.

Dat doet zoveel pijn. Het is te confronterend. De boodschap te bitter. Tranen branden achter je ogen. Maar nauwelijks vijf minuten later gebeurt het opnieuw. Andere vader en zoon. Zelfde glimlach. Zelfde vanzelsprekendheid. Dit is niet eerlijk. Het mag gewoon niet. Er is geen pijn, het is erger dan dat.

Vlak voor je bij je afspraak bent, maak je het nog een keer mee. Vader met zoon. Godverdegodver. De zon zet de stad in vals licht dat de stad lijkt leeg te zuigen. David missen is het ervaren van een enorme leegte. Met je hele lijf. Het voelt niet geamputeerd of wat dan ook. Er is leegte – waar je ook tast. En als je over de rand kijkt, word je zo duizelig dat je je moet vastgrijpen aan iets of iemand. Volgens het boeddhisme is die duizeligheid de angst voor de val, die je noodzakelijk moet maken om tot inzicht te komen. Dit vraag je je vertwijfeld af: ‘Welk inzicht, dat zoveel tegenwicht biedt aan het leven zelf, wil je kind je geven?’
Dit gaat voorbij denken. Dit gaat voorbij taal. Voorbij weten.

David, de stad
David, de stad toont zich vandaag van haar kilste kant. Ze sart, ze sist, ze straft, ze wil geen rekening met mij houden. Ik ben teruggezet.
David, de stad ontkent mij vandaag. Nu jij je niet langer laaft aan haar omhelzing en zij zonder jouw energie verder moet – verklaart zij mij tot vreemdeling en zal ik hard moeten werken om mij hier ooit weer thuis te voelen. Als ik dat al wil.
David, de stad heeft jou met tegenzin laten gaan. Ze zag je als de high potential die haar zou verrijken. Ze had je leven al in blauwdruk klaarliggen. Nu kan ze niet anders dan teleurgesteld mij laten zien dat je echt niet de enige was dus brengt ze vaders & zonen op mijn pad.

David, de stad mist jou net zo hard als ik jou. De slechte imitatie van de dood daar op de Dam laat haar machteloosheid zien. Machteloos – we zijn het allemaal in de schaduw van jouw vertrek.

SONY DSC

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 530 andere volgers