David vertrekt – 1,5 jaar later


 

21 augustus 2016. Het is nu bijna anderhalf jaar sinds Davids vertrek. Toen ik na een jaar bloggen over mijn rouwarbeid stopte, was dat met het idee dat ik alles wel had gezegd. Dat ik alles had ‘gerouwd’ wat er te rouwen viel. Naïef natuurlijk. Het laat zich lastig omschrijven wat zich vervolgens de maanden daarna in mij afspeelde. Als ik er nu op terugkijk, voelt het aan als een nieuwe noodzakelijke periode van rouw. Maar rouw van een heel andere orde. Het was niet het makkelijk op te roepen verdriet, het waren niet de bijbehorende tranen, het was niet de behoefte om hem bijvoorbeeld te projecteren in de bomen rond het hockeyveld waar zijn team trainde en speelde.

Ik had, en misschien wel heb, nog een andere weg te gaan. Het is een diepere vorm van rouw, die je pas bereikt nadat je de eerste lagen hebt afgepeld. Ik merkte dat ik bijvoorbeeld veel minder de behoefte voelde om het gemis met anderen te delen – hoewel iedereen om mij heen er zeker voor open stond. Want er hebben zich momenten voorgedaan dat ik wel graag over Davids vertrek wilde vertellen. En dan vooral over dat ene onderdeel dat mij nog steeds dwars zat, namelijk dat ik nooit afscheid van mijn kind heb kunnen nemen. Immers, zodra hij was gevonden, werd hij ontvoerd naar het NFI waar onder meer zijn hoofdhuid werd losgesneden, zijn schedel gelicht, plakjes hersenweefsel werden weggesneden, zijn schedel gedicht en zijn hoofdhuid dichtgeklapt en vastgezet wat ervoor zorgde dat de zoon die ik vier dagen later in zijn kist zag liggen nauwelijks leek op mijn kind. Deze episode is eigenlijk het meest onverteerbaar geweest in mijn hele anderhalf jaar rouwen.
Er is overigens iets merkwaardigs aan de hand. Ik heb, toen ik hem ten slotte terugzag in zijn kist, met mijn telefoon foto’s gemaakt. Een stuk of drie. Later heb ik die geïmporteerd in mijn laptop. Als ik de afgelopen maanden de map ‘Alle foto’s’ opende (ook om heel andere reden dan om David tegen te komen) en door de verzameling scrolde, leek het alsof die drie foto’s zich onverklaarbaar hadden vermenigvuldigd en verspreid over het hele file. Geen prettige ervaring.

Ik was uitgenodigd op een verjaardagsfeest. Het was mooi weer, de sfeer prima en de mensen die er waren leken me ook bijzonder aardig. Dit was min of meer de eerste verjaardag waar ik kwam sinds Davids vertrek. En hoewel het ruim een jaar later was, voelde ik me behoorlijk gespannen. Ik nam me voor om het niet over hem te hebben. Dus gebeurde het in de loop van de avond dat ik, tijdens een vrolijk gesprek met een echtpaar dat kinderen in Davids leeftijd bleek te hebben, het toch over David had. Ik begon bescheiden, vertelde in het algemeen iets over de zoon die ik niet meer had maar merkte dat ik niet meer kon stoppen. IMG_5313Al gauw zag ik dat mijn gesprekspartners ongemakkelijk op hun tuinstoelen draaiden. Maar ik moest doorgaan. Detail na detail. Tot en met het lichten van Davids schedel. Er viel een ongemakkelijke stilte. Toen stonden mijn gesprekspartners op, gaven me een hand en zeiden dat ze nu toch wel weg moesten want het was nog een heel eind rijden. Ik had mijzelf een bitter vacuum ingepraat en wat ik ook probeerde, het lukte me niet om verdere sociale gesprekjes aan te knopen. Na een minuut of twintig nam ik afscheid en verzekerde de gastheer en gastvrouw dat ik het heel erg naar mijn zin had gehad. Het echtpaar dat ik had gemarteld met Davids Vertrek was nog altijd aanwezig. Blijkbaar was de urgentie om te vertrekken toch niet zo heel groot, bedacht ik terwijl ik met tranen over mijn wangen naar huis fietste. Het was schokkend. Ik had gedacht dat ik allang hier voorbij was. Zo gaat het dus blijkbaar, constateerde ik. Het duurde een aantal dagen voor ik aan dit voorval kon terugdenken zonder dat de rillingen mij over de rug liepen.

Voor zover ik kon ging ik weer verder met mijn dagelijkse leven dat nog altijd behoorlijk stroef verliep. Ik kreeg problemen met lopen. Mijn linkervoet wilde niet wat ik wilde. Ten slotte kon ik alleen nog maar fietsend hond Bob uitlaten. Het bleek dat ik mijn Achillespees had afgescheurd. Hoe en waar is me nog altijd een raadsel. Na een aantal weken werd ik geopereerd en was vervolgens veroordeeld tot twee weken stilzitten en daarna tot zes weken hinkelen met loopgips. Het maakte dat ik meer dan me lief was aan huis was gekluisterd. Ik werd er behoorlijk verdrietig van: opnieuw had het universum mij onaangenaam verrast. Hield dit dan nooit op? Hier zat ik dan met de liefste hond van de wereld die absoluut niet begreep wat er aan de hand was en overal om mij heen foto’s van David die mij voortdurend met mijn neus op het gemis drukten.
Ik besefte dat het zo niet langer kon. Als ik echt werk wilde maken van het accepteren van Davids vertrek, moest ik hem ook letterlijk minder aanwezig maken. Dus ruimde ik de foto’s op, op twee na. Ik merkte dat ik het kon doen zonder mij schuldig te voelen. Na een dag of wat voelde het werkelijk als een opluchting. Toch bleef ik zitten met het besef dat ik nog altijd iets af te maken had. Ik maakte een afspraak met de vrouw die al vaker voor mij Tarotkaarten heeft gelegd en die mij keer op keer verraste met hele treffende interpretaties, waarvan doorgaans 95% ook bleek uit te komen. Ik vertelde haar in grote lijnen over Davids vertrek en over het gevoel van leegte op het laatste punt van mijn rouwverwerking. Haar antwoord verraste: “Ik kan je hierin niet helpen,” zei ze, “je zult het moeten laten voor wat het is. Je kunt het niet overdoen en dat moet je ook niet willen. Het enige wat ik kan doen is kijken of jij en David met elkaar in evenwicht liggen.” Ze liet me een aantal kaarten trekken, legde die voor zich neer en spreidde de andere kaarten in een vaste volgorde daar weer over uit. “Ja, je ligt heel goed met hem. Dat betekent dat het goed is. Dat je ook begrijpt dat dit je situatie is en dat het ook zijn situatie is. Hij is er net zomin gelukkig mee als jij, hij begrijpt het zelf misschien nog wel minder dan jij. Maar tegelijkertijd verzet hij zich niet meer en volgens mij wil hij ook dat jij jouw verzet laat varen. Verzet is negatieve energie. David wil dat je je leven weer oppakt, dat je je meer verbindt met anderen en voor hen openstaat. Leef vanuit je kracht. Leer te leven in vertrouwen. Leer jezelf opnieuw kennen, in alle vrijheid. David wil niet anders.”
Ik kan behoorlijk cynisch zijn. Als iemand anders mij op deze manier zou hebben toegesproken, had ik beleefd geknikt en was overgegaan tot de benauwde orde van mijn dag. Maar nu zij deze tekst uitsprak, hadden de woorden een ander soortelijk gewicht. Ik accepteerde ze en liet ze toe.

De woorden van mijn tarotlezeres zijn intussen ingedaald en hebben me sterker gemaakt. Ik ben op een andere manier in Davids vertrek gaan staan. ‘Accepteren’ is daarbij niet het juiste woord, ook al lijkt het zo voor de hand liggend. Een verlies accepteren doe je in feite al snel: je gaat over tot handelen, organiseren. Maar het verlies verwerken, is van een andere orde. Ik zie nu een David die ooit 23 jaar in de kracht van zijn leven en lichaam was. Die in die jaren vreugde heeft gekend en gegeven, verdriet heeft doorgemaakt en troost, die liefhad en leerde liefhebben, die tegenslagen manmoedig overwon, die hield van zijn broertje en daar alles voor over had, die zoveel genegenheid had voor zijn stiefmoeder, die mij in al mijn, soms extreme, grillen onvoorwaardelijk steunde. Van die David kan ik onvoorwaardelijk houden. Punt. David is liefde.
Dat is alles waar het om gaat in het leven. Materiële zaken zijn niet belangrijk. Aanzien evenmin. Bezit al helemaal niet. Meer geld dan je ooit kunt uitgeven is zinloos (minder geld dan je kunt uitgeven is trouwense hopeloos, geloof me). In de kern is Liefde de zin van het leven. Er zijn momenten dat ik dat begrijp. Dan zie ik dat ook ik in staat ben om liefde te geven door me te verbinden, door er te zijn voor de ander zoals zoveel anderen er ook zijn voor mij.

Natuurlijk is Davids vertrek vreselijk. Zoals het altijd en in elke omstandigheid vreselijk is als een dierbare zijn lichaam verlaat. Of het nu onverwacht is of niet. Of er een slopende ziekte aan vooraf gaat, de flits van een verkeersongeluk, of de klap van een hartstilstand… Maar het afwijzen, het ontkennen van de dood is het onverstandigste dat je kunt doen. Volgens sommigen help je daar ook de ziel van de overledene niet mee. Ik wil dat best geloven. Er zijn momenten dat ik besef dat de dood even normaal is als het leven – of beter: even grillig of absurd. Infeite is het helemaal niet erg om te sterven, ook al is de weg naar het overlijden soms pijnlijk en verdrietig. Net zo als het helemaal niet erg is om te leven, ook al is het vaak geen ‘cadeau’. Als je de continuïteit van de ziel begrijpt (ik zeg expres niet ‘gelooft’), zoals ik een paar blogs geleden beschreef, dan begrijp je ook dat de dood juist de deur opnieuw opent naar die continuïteit waarin je alom aanwezig bent. Tot het weer tijd is om opnieuw te leren van je menszijn in weer een ander lichaam. Of, tot het weer tijd is om het leven af te maken dat je te vroeg moest beëindigen – zoals David’s ziel wellicht doet.

In schema’s die het rouwproces in kaart brengen is de laatste fase de ‘berusting’. Ik weet niet zo goed wat ik daarmee moet. Het voelt niet als ‘leven vanuit mijn kracht’ waardoor ik nu inzie dat Davids vertrek blijkbaar onvermijdelijk was – om welke reden ook – en dus zijn dood. Hoe kwaad of woedend hij in die splitsecond tussen leven en dood is geweest over zijn vertrek, uiteindelijk heeft hij ons zijn liefde nagelaten. Je kunt huilen om wat je mist, maar het mooiste is om de herinnering daaraan te koesteren. Als leven liefde is, is liefde het mooiste van David wat ik kan koesteren.

Goeie reis, jochie.

 

David Vertrekt: “Maar alleen de wind weet de plek die wij waren” – laatste blog


4 april 2016. Een jaar later. We omhelzen elkaar. Hij met zijn knalgele rugzak over zijn schouders, ik met mijn zwarte zomerhoed op. Het is als altijd heerlijk om hem tegen me aan te drukken. Nog steeds kan ik het voelen. Ik koester dat gevoel boven alles. Mijn gozer. Mijn joch. We hebben het zo goed gehad. Nu is het tijd om hem los te laten. Bestemming onbekend. “Laat je?” “Heb je?” “Wil je?” “Kun je?” “Blijf je…?”

Bye, vriendje.

Bye, vriendje.

Nee, hij blijft niet. Dat kan niet. Er is iets dat aan hem trekt. Hij was daarover behoorlijk boos maar heeft er nu vrede mee. Hij weet dat het niet anders kan. Er is een reis die hij moet maken, bestemming onbekend. Hij zal contact blijven houden. Ik huil. Hij niet, ook al zou hij nog zo graag willen. Dit vertrek is te onverwacht. Te definitief. Iets of iemand heeft de regels van het spel veranderd. En we moeten het meespelen.
“Blijf nou nog even het was zo kort. 23 jaar, waar heb je ’t over?”
“Nee,” zegt hij, “ik moet gaan. Je hebt een jaar kunnen wennen.”
“Ik kan er niet aan wennen.Weet je je Spookje op Vlieland nog? Je woestijnratje? Natuurlijk weet je het nog.  Of je vriendinnen. Je vrienden van de Febo, van Borgia, de Groene Maharadja je laatste hockeystick, Daniël, Daniëlle? Of anders jij en ik samen in Oostenrijk en hoe we natuurlijk weer de weg kwijtraakten door mijn eigenwijsheid? Toe, even maar.” De woorden struikelen hopeloos over elkaar.
“Pap, hou op, je moet door. Er is geen even meer. Ik moet door. Daniëlle moet door. Daniël. Vraag me niet waarom.”
Kutzooi.
“Sommige levens duren nou eenmaal korter,” ontnuchtert een hoogbejaarde ervaringsdeskundige niet veel later.

Met deze blogs wilde ik David eren. Zijn overlijden bespreekbaar en mijn rouw voelbaar maken. Woorden gedrenkt in verdriet, in ongeloof, in pijn. Letter voor letter tergende krachtproeven. Ze deden hun therapeutische werk: elk blog de volgende schil die ik afpelde naar Davids definitieve vertrek. Een jaar had ik nodig om te ontdekken dat ik vooral bezig was mijn ontkenning te formuleren. Eigenlijk stelde ik alleen maar Davids vertrek uit. Ik vond dat ik steeds beter kon leven met Davids dood. Tegelijk hield ik hem vast in onze omhelzing bij het afscheid dat uiteraard nooit plaats had mogen vinden. Eenzijdig, verlaat en vertraagd afscheid.

Dat is de frustratie waarmee we achterblijven – we waren niet bij zijn overlijden, wisten pas zeventien uur later dat hij dood was en door de autopsie konden we hem pas vijf dagen later zien, 24 uur voor zijn begrafenis. Dat je kind zomaar overlijdt, is een ding. Maar dat je het vervolgens niet direct mag zien, is van nogal andere orde. Misschien heb ik daarom wel een jaar lang mijn Dode David omhelst en met mij meegedragen, telkens tegen beter weten in: niet hij, maar ik was er nog niet klaar voor om zijn vertrek te accepteren. Immers, een leven dat is gegroeid in 23 jaar bouw je niet af in enkele maanden.

Mensen met bijna-doodervaringen vertellen dat ze vanaf nu het leven alleen nog maar willen vieren. Dat alles waarover we ons zo druk maken eigenlijk bullshit is en er nauwelijks echt toe doet. Helaas is het leven vieren matig aan mij besteed: het kost al moeite genoeg om het Leven te Leven, letterlijk op voeten van leem. Het is de logica van deze opgefokte tijd om te zeggen dat het niet erg is dat je dood gaat, maar wel dat je dan wordt vergeten. Dus dat je er alles aan moet doen om dat, die vergetelheid, tegen te gaan. David zou deze uitspraak met de grond gelijk hebben gemaakt (in een debat waarbij hij uiteraard zijn Spreeklint droeg). Voor hem gold eerder het tegendeel. In zijn DNA logeerde een monnik voor wie materiële zaken oninteressant waren en die zich zeer bewust was van zijn aardse taak: de mens liefhebben – wat uiteindelijk de essentie van het leven is voor ieder weldenkend mens. David had mensen lief ook al zou hij dat nooit zo zeggen. Oke, hij was geen heilige dus kon hij ongelooflijk tekeer gaan over serieus te dikke vrouwen. Soms tot schaamte van zijn vrienden. Maar dat was het dan ook. Davids claim voor de eeuwigheid was zijn oprechte, charmante sociale intelligentie.

Nu maak ik na 365 dagen de balans op van mijn rouwarbeid. Alle stadia heb ik doorlopen. Niet bewust: het is het groeiproces van de clematis die tastend, woekerend, houvast zoekend in de klimop zijn weg gaat. Voor rouwen bestaat geen recept. Rouwen om je kind –misschien ook rouwen om je geliefde – is alles tegelijk: verdriet, verzet, verlangen, verwerping, verlating. Je stelt, tegen beter weten in, alles in het werk om de overledene te onttrekken aan de dood. Het is een bij voorbaat verloren strijd. Dat is de basis van je woede en verdriet. Dus bedenk je formules om dat ‘vertrek’ draagbaar te maken. Elk ritueel is zinvol. Of je nou een tattoo laat zetten, elke dag een kaars brandt, een huisaltaar inricht, altijd een foto van de overledene met je meedraagt. Rouwen is vormgeven aan je machteloosheid, aan de ongelijke strijd. Davids dood is het litteken dat nooit verdwijnt. Zoals de pijn van zijn verlies ook nooit verdwijnt.

Een jaar geleden vielen Pasen en Davids Dood samen. We zouden op maandag 6 april naar Amsterdam komen om bij David en Philip de paasbrunch te genieten. Zaterdag 4 april  was een dag als elke andere zaterdag. Het was mooi weer en we verheugden ons op tweede paasdag. Daniël zag al voor zich hoe hij met Philip en David op de Play Station eindeloos potjes Fifa zou spelen.
Nog steeds voelt het wezenloos aan dat we die dag doorbrachten als elke andere, terwijl David toen al was overleden en onbereikbaar in het ontoegankelijke mortuarium lag. (al die handelingen die met zijn lichaam werden verricht, terwijl wij gewoon opstonden, naar de markt gingen, in de zon zaten – nietsvermoedend; het is zo’n gruwelijk vacuüm).
Nog steeds begint onze herinnering aan Davids dood niet eerder dan half twaalf ’s avonds als de deurbel gaat en twee agenten – Davids leeftijd – mij vragen of ik Davids vader ben. Nog steeds vraag ik me af of het echt is gebeurd. Ik heb me zelden zo vol ongeloof gevoeld, verdoofd en tegelijk direct in de organiseer-modus. Wat doe je als iemand tegen je zegt dat je kind die ochtend is overleden? Wat doen je hersens? Wat doet je maag? Je kind dood is te surrealistisch voor woorden.
Dit jaar ligt er een week tussen Pasen en Davids sterfdatum. Laat die week alsjeblieft zo snel mogelijk voorbij zijn. Ik bedoel, je kunt het iemand niet aandoen om als het ware twee keer binnen een week te overlijden.

“Wir setzen uns mit Tränen nieder
Und rufen dir im Grabe zu:
Ruht, ihr ausgesognen Glieder !
Euer Grab und Leichenstein
Soll dem ängstlichen Gewissen
Ein bequemes Ruhekissen.
Und der Seelen Rohstatt sein.

Een week later. 2016. Zondag 3 april. ’s Middags. De eerste warme dag van het jaar. De achtertuin stroomt vol met vrienden, familie, buren, kennissen. Volle bak. We willen de sfeer van vorig jaar nog eenmaal beleven. Natuurlijk kan dat niet maar je kunt beter collectief kniezen dan in je eentje. We herinneren – bijvoorbeeld hoe de Borgianen, nadat de sloepen hadden aangelegd bij Zorgvlied, massaal de berm opzochten en giechelend hun overvolle blazen leegden tegen twee woonboten (David zou er graag aan hebben meegedaan). Pas daarna kon de kist over de prachtige laan sereen naar de aula reizen langs de dikke haag vrienden, collega’s, familie. We horen nieuwe anekdotes – bijvoorbeeld hoe de dragers van Davids kist de avond voor de begrafenis in de kelder van Borgia oefenden met een omgekeerde eettafel op hun schouders: “Want het moest wel goed gaan hè?”. We lachen het verdriet en het gemis weg, drinken niet met mate, weten dat dit voorlopig de laatste keer is dat we David zo gedenken.”Die eerste twee weken voelden aan als twee dagen,” zegt iemand van de vrienden. Ja, knikken we.

“Heb je weer een tattoo laten zetten?”
“Ja, ik wil vanaf nu elk jaar een jaarring laten zetten op mijn rechterarm. De pijn van het tatoeëren doet me goed. Het maakt de pijn van het verlies voor even concreet. David zou het waarschijnlijk hebben afgekeurd. Hij was wars van dat soort uiterlijk vertoon, had hij geleerd van die innerlijke monnik. Voor mij betekent het zoveel. Het symboliseert de figuurlijke pijn van het verdriet en van het loslaten.”
“Je hoeft je voor mij niet te verantwoorden hoor. Ik begrijp het ook wel zonder tekst.”

We laten vandaag David los. De foto van die zonovergoten jongen met zijn gele rugzak op en zijn eeuwige petje is overal te zien in huis. Mijn zonovergoten jongen.
DSC_0882Hij komt even langs in de tuin. Windvlaagt liefdevol over onze gezichten. We omhelzen hem. Wensen hem behouden vaart. Maar niemand kan hem echt loslaten. Want het houdt niet op. Nooit. Niet in de tranen die af en toe terugkomen. Niet in de gesprekken die ik met hem heb als ik de hond uitlaat. Niet in de eeuwige jongen-met-petje achterin de rode bus naar station Muiderpoort, op weg naar het leven dat hij nog maar net begonnen is. Deze 4e april is niet het gedenken, is niet de virtuele grens oversteken tussen rouw en niet-rouw (want die bestaat niet). Dit is de eerste in een lange, lange reeks, als de jaarringen van een boom. Dit is voor altijd en altijd opnieuw David Johannes: de veel te vroeg gestorven vriend, zoon, broer, stiefzoon die zo diep wortelt in ons hart.

[Wanneer ik de vrijdag voor de herdenking boodschappen doe, bekruipt me hetzelfde gevoel als indertijd vlak na Davids dood: waarom ziet niemand in de supermarkt dat er meer aan de hand is? (omdat ik het evenmin zie aan al die anderen). De caissière wenst me een ‘prettig weekend’. Ik knik. Wat moet ik anders? Er valt niemand iets te verwijten – hoe graag ik het ook zou willen.]

David en ik omhelzen elkaar. Hij met zijn knalgele rugzak over zijn schouders, ik met mijn zwarte zomerhoed op. Het is zo fijn om hem tegen me aan te drukken. Ik koester dat gevoel met mijn hele ziel. Mijn gozer. Mijn joch. We hebben het zo goed gehad. Ik moet hem loslaten, zegt hij. Bestemming onbekend. “Laat je?” “Heb je?” “Wil je?” “Kun je?” –  Ik blijf het proberen.

Maar hij is al weg: en weer door.
Voorbij het leven.
Voorbij de taal, zoals de tekst die zijn graf omhelst:
“Maar alleen de wind weet
de plek die wij waren
waar en wanneer.”

Maar mijn woorden zijn op.

 

Deze laatste blog werd gepubliceerd op 4 april 2016 rond half zeven ’s ochtends: de vermoedelijke tijd van Davids overlijden.

 

Everytime we say goodbye I die a little
Everytime we say goodbye I wonder why a little
Why the gods above me who must be in the know
Think so little of me
They allow you to go

And when you’re near
There’s such an air of spring about it
I can hear a lark somewhere begin to sing about it
There’s no love song finer
But how strange the change from major to minor
Everytime we say goodbye

Everytime we say goodbye I die a little
Everytime we say goodbye I wonder why a little
Why the gods above me who must be in the know
Think so little of me
They allow you to go

When you’re near
There’s such an air of spring about it
I can hear a lark somewhere begin to sing about it
There’s no love song finer
But how strange the change from major to minor
Everytime we say goodbye

 

David en de gekken & dwazen – David vertrekt (34)


4 maart. Nog vier weken. De spanning neemt toe, net als laatst met zijn verjaardag en met Oud & Nieuw. Dit is aftellen naar het moment dat geen genade kende. Het moment dat de onomkeerbaarheid van Davids vertrek bevestigt. De dagen sluipen naar die fatale datum een jaar later. Ik heb me voorgenomen dat het leven daarna weer normaal moet doen. Flauwekul natuurlijk. Het jaar, dat zoveel momenten van vertraagde tijd bevatte, ging belachelijk snel voorbij. Niet alleen die eerste periode na Davids overlijden, ook veel andere dagen of weken zou ik over willen doen. Vooral om alle twijfel weg te nemen. Heb ik het wel goed gedaan? Heb ik intensief genoeg gerouwd? Heb ik voldoende stilgestaan bij het overlijden? Vragen die amper te beantwoorden zijn.

Deze weken zijn als aftellen voor een lancering. Soms kan het me niet snel genoeg gaan. Dan weer precies omgekeerd. In deze situatie is weinig zeker. Maandenlang voelt het alsof ik mijn basis ben kwijtgeraakt. Letterlijk. Eigenlijk sinds Davids overlijden heb ik problemen met mijn voeten. Dat komt voor een deel door de reuma die me nu al enkele jaren behoorlijk irritant op de vergankelijkheid van mijn lichaam wijst. Maar er heeft zich onder meer ook een ontstoken achillespees aangediend die een jaar nodig heeft om te herstellen. Zeggen deskundigen. Je kunt het nauwelijks zelf bedenken. Het maakt dat ik de laatste tijd nog onzekerder op mijn voeten sta. Ik struikel over de kleinste uitsteeksels van bramenstruiken en ander groene gekruip. Val in de modder van het bospad waar de boer met zijn tractor diepe groeven heeft getrokken. Donder zelfs om als ik het Bob-traject op de fiets afleg en kom terecht in een zojuist geploegd veld waarop een laag verse gier drijft. Het zou me voor 4 april vorig jaar nooit overkomen zijn. Laat het jaar ook daarom snel voorbij zijn. Trek me uit dit drijfzand. Geef me vaste grond onder mijn lijf. Help mijn voeten hun stabiliteit heroveren want ik heb nog een leven te gaan.

DSC_1041Een paar dagen geleden gaf coach Mark me de nieuwste almanak van Hockeyclub Naarden, Davids sportieve thuishaven. De eerste pagina van het boek is gereserveerd voor David . Een lief en welgemeend In Memoriam door Mark geschreven met het statie-smoking-portret van David ernaast. De meeste mensen die in de almanak staan hebben David goed gekend. Dat geeft me een warm gevoel, hoe idioot de situatie verder ook is. Het is weer zo’n signaal: David is niet alleen. Zal dat nooit zijn in de harten van velen.
Wat blijft zijn die eeuwig schurende vragen:
1:         Waarom loopt hij dadelijk niet gewoon bij mij binnen?
2:         Waarom is juist deze hypo hem fataal geworden terwijl hij er zoveel heeft gehad?
3:         Heeft hij zich in die laatste split second gerealiseerd dat hij bezig was te overlijden en is hij toen inderdaad even verschrikkelijk boos geworden?

Het zijn de open einden bij een leven dat als open einde tot staan werd gebracht; die je niet oplost met een jaar rouwen; die ik me waarschijnlijk zelfs op mijn sterfbed zal afvragen. Het zijn de open einden waarmee wij nooit kunnen leven maar het desondanks moeten. Hoe onbevredigend wil je het hebben? Zelfs als je weet dat hij er altijd zal zijn (‘Information is never lost’)? Want hij is er wel maar hij is er vooral niet.
Niet als broer en beschermer van zijn broertje dat juist deze dagen heeft besloten om een werkstuk te schrijven over diabetes maar daar nog niet zo heel veel van begrijpt en in zijn Voorwoord noteert dat hij het maken van het werkstuk moeilijk vond omdat het hem zoveel verdriet deed. Tien jaar.
Niet als stiefzoon die na jaren van verzet zich helemaal gaf aan zijn stiefmoeder die van hem houdt alsof het haar eigen kind is en voor wie het verdriet van het missen zo groot is.
Niet als mijn zoon in wie ik het afgelopen jaar zoveel over mijzelf leerde kennen en waarop ik zo onvoorstelbaar trots was.
Die David die ten slotte verhuisde naar Zorgvlied met zijn organen in een vochtabsorberende envelop onder zijn ribbenkast vanwege de autopsie die helemaal niets aan het licht bracht en daardoor in zijn dood niet eens zichzelf kon zijn. Mijn beschadigde David met zijn beschadigde leven en zijn beschadigde lichaam.

Zo zijn wij uit balans gebracht met de onuitgesproken opdracht om ons evenwicht te hervinden want David wenste dat wij gelukkig zouden worden: “En weer door!” Hoe vaak houd ik me dat niet voor? En hoe vaak hoor ik dat ook van andere ouders die hun kind verloren. Op de een of andere manier krijgen ze altijd als boodschap mee dat hun kind wenst dat ze gelukkig worden en vrede hebben met het idee dat hun kind er niet meer is. Mijn rouwproces helpt me bij het realiseren van die wens. Hoop ik. Daarom heb ik SONY DSCvan de naderende 4e april een mentale grens gemaakt. Daarna moet ‘alles’ ‘anders’ zijn. Geen idee hoe dat moet of gaat – maar het is een stimulerende gedachte. Tegen beter weten in. Ik denk dat ik vooral mezelf moet toestaan om meer ruimte voor mijn eigen leven te creëren. (Jaja, weer zo’n zogenaamd diepe uitspraak die ergens nergens over gaat).
Godverdomme David, ik kan je niet levend denken, het jaar ging te snel en als er een ding duidelijk is dan is het dat je niet en nooit te redden was. Evenmin kan ik die eeuwige vragen beantwoorden, ik kan je alleen maar koesteren in mijn hart en herinnering.

Rouwen is vluchten. Rouwen is verzet. Rouwen is het ondenkbare onder ogen zien. Rouwen is voor altijd – al gebeurt het in mijn geval  niet langer elk moment van de dag. Eerder stiekem. Terloops. Rouwen is hopen op het wonder dat nooit komt. (Zie hoe ‘wonder’ zonder –er een heel andere betekenis krijgt. Taal in dienst van het overleven, terwijl tegelijk woorden tekort schieten. Als taal zelfs tekort schiet, hoe zou ik het dan wél kunnen?)
Rouwen is het hervinden van het wankel evenwicht, de grond stabiel onder je voeten. Rouwen is voor niemand hetzelfde: wie zijn kind verliest aan kanker rouwt anders dan wie zijn kind verliest aan een verkeersongeluk rouwt anders dan wie zijn kind verliest aan een bombardement rouwt anders dan wie zijn kind verliest omdat het vliegtuig waarin het met vakantie ging uit de lucht werd geschoten rouwt anders dan wie zijn kind verliest omdat het zelfmoord pleegde en rouwt anders dan wie zijn kind verliest aan het falen van zijn hart.
Wij zijn de achterblijvers
de thuisblijvers
de ongewissen
de zoekers
de verdwaalden
de vluchters
de eenzamen
de het-gaat-wel-weerders
de dodenvereerders
de leven verweerders
de veroordeelden
de in standhouders
de ontkenners
de erkenners
de gewonden
de gekken en
de dwazen
want diep van binnen blijven we hopen op dat wonder, zoals alleen gekken & dwazen dat kunnen. Zo heb ik nog enkele weken te gaan tot het Grote Loslaten. Dat is op zich al een wonder.

 

 

 

 

David en de continuïteit – David vertrekt (33)


Een dierbare vriendin appte mij: ‘Las je laatste blog. Wat een worsteling is je leven zo. Elke dag weer. Bij Phoenix hoorde ik quote “wie zijn kind verliest, verliest de toekomst”. Je kijkt terug en wat verder dan? Ik stond vandaag in opstelling met mijn vader. Hij was er en ook niet. Hij was met zijn hele hebben en houden bezig met mijn doodgeboren zus. Ik realiseer me dat het zo was. Hij kon niet anders. Je verhaal raakt me.’

Ik krijg regelmatig reacties als deze. Ze helpen mij. Het afgelopen jaar ben ik met mijn rouwarbeid door zo’n beetje alle stadia gegaan: verdriet, woede, ontkenning, verwerking. Maar niet berusting – hoewel dat er ook een schijnt te zijn. Berusten is wel het laatste wat ik wil. Of kan. De onbeschrijflijke leegte van het verlies zal er altijd zijn, niet altijd even scherp of bot – maar wel altijd. Het gevaar is dat het verlies zo groot blijkt dat het een stempel drukt op het opvoeden van andere kinderen in het gezin. Ik zie soms hoe wij overdreven bezorgd zijn over het opgroeien van Davids broer, geneigd meer toe te geven dan we eigenlijk willen.

David is uiteraard vaak onderwerp van gesprek tussen ons drieën. “Ik zou graag die eerste weken na zijn overlijden overdoen,” zeg ik en dat meen ik oprecht. Daniëlle en Daniël denken er net zo over. “Het was zo speciaal,” zegt Daniël, “en niet eens alles was heel droevig. Ik herinner me de tweede dag als een hele vrolijke en fijne dag, terwijl ik ook verdrietig was.”
De reactie van een kind. Goudeerlijk en onbevangen in het oog van de storm. “Ik kan er soms ontzettend naar verlangen,” zegt Daniëlle, “raar is dat, verlangen naar zo’n afschuwelijke periode.” “Ik heb precies hetzelfde,” antwoord ik,”het was ook een tijd waarin we zoveel warmte van iedereen kregen. Mensen die dag en nacht voor ons klaarstonden, er voortdurend waren, voor ons kookten,  ons verdriet aanhoorden maar ook veel plezier met ons maakten. Want dat kon ook.”

Weer zie ik onze tuin voor me waar dagenlang Davids vrienden en coach Mark op hun manier een soort wake houden. En weer hoor ik die doffe klappen van vriendschap van hun handen op elkaars schouders of rug als ze elkaar begroeten daar in de tuin. En weer voel ik hun verslagenheid – het minutenlang zwijgen, het huilen. Het was zo intensief. Een aantal van die jongens ken ik al jaren. Heb ze zien ‘opdrogen’. Deze dagen leer ik ze nog beter kennen en ik ben trots op ze. Net zo trots als ik ben op die hele lichting Borgia die ik alleen kende uit Davids verhalen. En die helaas nu enigszins bezig is uit elkaar te vallen. Net zoals op Davids werk onvermijdelijke veranderingen plaatsvinden. Een van zijn beste vrienden werkt er intussen niet meer en ook is zijn directe leidinggevende overgestapt naar een ander bedrijf.

Natuurlijk, zo gaat dat. Ze verlaten hun vertrouwde omgeving en bouwen nieuwe ervaringen op. David zou het niet anders doen. Tegelijk weet ik zeker dat ieder van hen David met zich meeneemt, van de ene plek naar de andere. Ze kunnen veranderen zoveel en zovaak als ze willen, maar David zal altijd meegaan en in die zin blijven bestaan.

“Information is never lost” is een axioma uit de natuurkundige kijk op zwarte gaten die je moeiteloos kunt vertalen naar onze eigen wereld en ons eigen bestaan. Het komt erop neer dat zelfs voorbij de ‘waarnemingshorizon’ van een zwart gat de informatie die alle dingen in zich dragen niet verloren gaat – wat eerder wel werd beweerd.

iu

Zo gaat het ook in de natuur. Planten geven hun informatie door, een druppel water bevat als het ware een zee aan informatie. Als we sterven, verdwijnt onze stoffelijkheid, maar niet wie of wat wij waren. Weliswaar niet ‘gelabeld’, maar wel als onderdeel van de gekende en ongekende wereld/natuur om ons heen. Niets verdwijnt echt. Het is een verzachtende gedachte voor wie te maken krijgt met de dood van een dierbare. Het kan zelfs helpen het Nu (opnieuw) te begrijpen, het verdriet los te laten en open te staan voor wat het leven brengt. “De richting van de toekomst kan afgrijselijk zijn, maar zij mist de macht om het verleden te wissen,” zegt een vriend/natuurkundige naar aanleiding van dit zwarte gaten-verhaal.”Alle informatie uit de geschiedenis van dit universum is onderdeel van de toekomst. Elke bloem die bloeide, elke mens die kuchte, elke vogel die zong, elke exploderende ster in de Andromedanevel, alles kan vergaan tot stof maar nooit spoorloos verdwijnen.”

Vergelijk dat met het sombere citaat waarmee ik deze blog opende:“wie zijn kind verliest, verliest de toekomst”. Natuurlijk is het verlies van David, van elk kind, van elke geliefde een ramp van onwaarschijnlijk formaat. Een soort 9/11. Maar met de profetische tekst die hij de avond voor zijn overlijden uitsprak: “Ik wil dat Han gelukkig wordt” en met het besef dat David blijvend onderdeel is van de ‘geschiedenis van dit universum’ – kan en wil ik niet zeggen dat mijn toekomst verloren is. David zal er altijd zijn, ook al is het niet fysiek. En hij geeft mij mijn toekomst cadeau. Een waarin geluk centraal staat. Een vol continuïteit. Er was een toekomst voor Davids dood, die is niet meer wijzigen. Het is verspilling van alle energie als ik in die verleden toekomst blijf hangen. David zal nooit spoorloos verdwijnen. Ook al heb ik hem ‘verloren’. Maar mijn toekomst verliezen? Nee. Ik eer hem juist door mijn bestaan in te richten naar zijn laatste wens, in plaats van mijn leven aan mij voorbij te laten gaan met mijn hoofd tussen mijn knieën.

Het is een redenering die ik een jaar geleden niet kon opbrengen. Daarvoor zijn meer dan 30 blogs, talloze gesprekken en bijna 12 maanden innerlijke groei nodig geweest. En dat is goed. Overleven na de dood van een dierbare heeft zijn tijd nodig. Maar het kan blijkbaar, al is het een enerverend proces. Zelfs David heeft nog een hele toekomst voor zich. Hij is “Een broodkruimel op de rok van het universum,” zoals Lucebert ooit dichtte – alsof hij de theorie van de horizon rond zwarte gaten zelf had ontdekt terwijl hij ‘de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking (trachtte) te brengen’:

“ik tracht op poëtische wijze
 dat wil zeggen
 eenvouds verlichte waters
 de ruimte van het volledig leven
 tot uitdrukking te brengen
 ware ik geen mens geweest
 gelijk aan menigte mensen
 maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
 geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
 de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
 zou niet zo bevuild zijn
 als dat nu te zien is aan mijn gedichten
 die momentopnamen zijn van die weg
 in deze tijd heeft wat men altijd noemde
 schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
 zij troost niet meer de mensen
 zij troost de larven de reptielen de ratten
 maar de mens verschrikt zij
 en treft hem met het besef
 een broodkruimel te zijn op de rok van het universum
 niet meer alleen het kwade
 de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
 de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
 morrelen
 ik heb daarom de taal
 in haar schoonheid opgezocht
 hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
 dan de spraakgebreken van de schaduw
 dan die van het oorverdovend zonlicht”

 

Davids boodschap – David vertrekt (32)


Het is eind januari 2016. Weer vier weken doorgekomen, of ‘overleefd’ of ‘weggezet’. Het maakt niet uit. Soms vullen de dagen zich met een leegheid die ik aangenaam vind, soms doet diezelfde leegheid pijn. Tijdens de aangenaam lege dagen kan ik het hebben dat David alleen nog bestaat uit stilstaande beelden, uit foto’s waarvan ik een aantal heb ingelijst en anderen die nog altijd dienst doen als bal in de Davidboom waarvan ik maar geen afscheid kan nemen. “Waarom staat die boom hier nog steeds?” vraagt Daniëlle. “Op die manier houd je jezelf gekluisterd aan David. Je hebt op je arm ‘En weer door’ laten tatoeëren maar op deze manier sta je stil.”

“Ik wil hem houden tot en met 4 april. Kan hem niet loslaten,” antwoord ik. De opmerking verwart me. Al die Davids in die boom vertellen een deel van zijn verhaal. Met een beetje fantasie veranderen ze in bewegend beeld. Dan roepen ze geen verdriet op. Niet meer. Blijkbaar kan zelfs verdriet in deze categorie slijten. Niet loslaten. Dat is iets anders. Ik zal hem nooit kunnen loslaten. Waarom zou ik ook? De foto’s prikkelen herinneringen tot korte filmfragmenten. Ik ben steeds weer blij verrast als het me lukt om een fragment geprojecteerd te krijgen. Soms vrolijk, dan weer droevigstemmend. Soms lijkt het pure poëzie, soms eerder horror. Bijvoorbeeld het fragment van dat scooterongeluk:

‘s Nachts hier in het dorp.
Tegen de richting in gereden.
Frontale aanrijding.
In de ruimte onder het zadel 6 flessen sterke drank.
David 17 jaar.
Politie aan de deur rond 04.00 uur.
Scooter total loss.
Helm aan flarden.
Kind in de war.

In zo’n filmpje schuilt weinig poëzie of het moet de Romantiek van de Dolende Puber zijn. Nee. Horror. Nog steeds rillingen over mijn rug, vooral als ik hoor dat toen hij op de grond lang, onder zijn helm vandaan een soort rochelen klonk alsof hij bezig was te sterven. Maar gelukkig niet. Nog niet. Hij was ‘slechts’ bewusteloos en beneveld. Ik vraag me nog altijd af of hij het opzocht. Maar hoezo? Hoe vaak reed ik op mijn brommer niet tegen de richting in? De wereld is van ons.

Of neem het absoluut poëtische fragment van Spookje, het vliegertje. David zal een jaar of 6 zijn geweest. Aan de horizon nog geen joint of fles sterke drank te bekennen.

We brachten veel vakanties door op Vlieland. En Vlieland betekent vliegeren. We hadden we mooi paars, vierkant vliegertje met een lachend spokengezicht. Op een dag waaide het hard genoeg om Spookje achter het huis op te laten. Het vliegertje steeg blij op. David en ik besloten dat Spookje zo lang mogelijk in de lucht moest blijven. Ik bond het eind van zijn touw aan een vlaggenmast. Die hele middag stond de vlieger hoog in de lucht te schudden van geluk in de wind. We besloten hem ook voor de nacht daar te laten want de wind zou niet afnemen. De volgende morgen was het touw verdwenen. Natuurlijk was het verdwenen. Samen met de vlieger. Een paar uur later riep David me. Hij wees naar het bos, verderop. Daar, hoog boven de bomen stond Spookje blij in de wind te wapperen, zijn touw gehaakt in een van de bomen. Vanaf dat moment keken we regelmatig of Spookje er nog was. Wat een onverwacht feest. Ruim drie dagen en nachten hing Spookje vrolijk boven het bos. Dat was nog eens spannend wakker worden. We renden ’s ochtends vroeg naar het raam om te kijken hoe het met Spookje was. Tenslotte kwam het onvermijdelijke. Spookje verdween alsnog en veranderde in een dierbare herinnering. David had het er later nog vaak over en het beeld van dat paarse vliegertje dat dagen achtereen eigenwijs boven de bomen hing, staat in mijn geheugen gegrift.

“Ik was in shock toen ik hoorde dat hij was overleden,” vertelt Daniëlle als we na haar opmerking over de Davidboom verder praten, “en eigenlijk ben ik dat nog steeds. Er zijn voortdurend van die momenten die ik altijd met hem deelde en die ik nu zonder hem moet beleven.” Op Facebook post ze het volgende mooie bericht, dd. 31.01.2016:

Australian Open finale 2012. Nadal vs Djokovic.

Ik houd David op de hoogte via de app. Hij staat in een pashokje kleding te passen en is samen met z’n vriendin. Vertel m over de ene na de andere weergaloze bal van Nadal of Novak. Er wordt gevochten, ik schreeuw bij ieder punt. Ik stuur ‘m foto’s door van de stand, hij van een nieuwe broek. De wedstrijd is bijna vijf uur onderweg als ik David app dat ‘we’ aan de 5e set beginnen. En dat hij nu echt hard op zoek moet gaan naar een tv. Hij stuurt me een Selfie met weer een nieuwe jas aan. Ik snap t. Ik hou ‘m zo goed als ik kan op de hoogte van de stand. Novak wint uiteindelijk na een zenuwslopend gevecht van bijna zes uur. 
Zo ging ’t vaak de afgelopen jaren, beetje samen kijken. Ik hier en hij in bed, pashokje of naast me op de bank.

Australian Open finale 2016. Djokovic vs Murray. Ik kijk alleen. Zet mijn pijlen opnieuw op Novak en hoop op een zes uur durend gevecht.”

Zou er een verschil zijn in rouwverwerking tussen vaders en (stief)moeders? Of tussen mensen die hun zinnen kunnen verzetten op hun werk en zij die hun dagen grotendeels binnen het huishouden doorbrengen? Ik sprak onlangs een vriendin en lotgenote die haar dochter verloor toen ze zes jaar was – ruim twintig jaar geleden. Zij vertelde dat zij nog altijd momenten heeft van missen en niet-missen. Ze is het ‘gewoon’ gaan accepteren. Als beeldend kunstenares heeft ze het verlies geïntegreerd in veel van haar werk. Dat helpt. Ze zegt: “Ze is altijd bij me. Maar er zijn ook momenten dat ik me ineens realiseer dat ik niet met haar bezig ben. Dan besef ik tegelijk hoevaak dat dus wel het geval is.”
Na al die jaren.
Zo gaat dat blijkbaar. Hoe ‘overleven’andere ouders hun vergelijkbare verlies? Ouders die niet in staat zijn om het overlijden van hun kind een plaats te geven in hun dagelijkse werk en bezigheden.

Ik vraag Miranda van der Meer, die een aantal jaar geleden haar dochter Sophie verloor, hoe zij dat ervaart. In een eerdere blog (nr 14) heb ik al over Sophie en Miranda geschreven. Na een half jaar min of meer sabattical in Nieuw Zeeland is Miranda met haar gezin ‘min 1’ in december teruggekeerd naar Nederland. “Ik realiseer me,” schrijft Miranda, “dat je het echt zelf moet doen, als ik niet goed in mijn vel zit kan ik dat alleen zelf veranderen. Probeer daarom weer beter voor mezelf te zorgen, daarin gesteund door Sophie die letterlijk heeft gezegd: “Ik wil dat jullie blij zijn”.”

“Heb jij bepaalde rituelen rond haar sterfdag?” vraag ik – want ik betrap me erop dat ik met Davids 4e april al bezig ben sinds de jaarwisseling: het is een bijna magische datum.
Miranda: “Sophie voelt op deze dagen altijd dichterbij. Iedereen zegt dan: “Het zal wel moeilijk voor je zijn”, maar zo heb ik haar sterfdag nooit ervaren. Wel onwerkelijk, maar niet moeilijk. Misschien wentel ik me graag in het verdriet, waarin zij dichterbij voelt. Misschien is ze daadwerkelijk dichterbij. Misschien de troostende gedachte dat er deze dag heel veel mensen aan haar denken. Het opstarten van (gedenk)rituelen geeft misschien ook houvast. Ik denk dat jij ook kracht zult putten uit die dag. Moederdag vind ik wel lastig, overigens. Ook kan ik de verhalen over 16 jarigen-diners moeilijk verdragen. Sophie zou in april 16 worden. Ordinaire jaloezie van mijn kant naar andere moeders (zelfs vriendinnen), dat zij wel hun dochter’s 16e verjaardag kunnen vieren.”

Die laatste opmerking is een bermbom in de rouwarbeid van ouders. Er zijn van die momenten waarop je keihard en ‘kei-emotioneel’ de confrontatie met jouw situatie door je strot krijgt gedouwd. Anders wil ik het niet formuleren. Schuurpapier! Wat Miranda hier schrijft over het 16 jarigen-diner is een hele heftige. En het afschuwelijke is dat je het niemand kunt verwijten. Natuurlijk gaat het leven van anderen verder. Net als mijn eigen leven. Maar de confrontatie met mijlpalen of piekmomenten van andere ouders met hun kinderen voelt steeds aan als een bermbom die onverwacht tot explosie komt. Als zoutzuur op de wond. Ik heb dat ook als een vriend vertelt dat hij met zijn zoon, die in dezelfde leeftijd is als David, naar de Biënnale van Venetië is geweest. Samen reizen, samen logeren, eten, kunst beleven, uitwisselen – vader en zoon. Ik gun het iedereen en mijn vriend in het bijzonder, maar op het moment dat hij erover vertelt, snijdt een gekarteld broodmes mijn lijf binnen en draait zich fanatiek om. Fysieke confrontatie met iets dat nooit meer hetzelfde is. Vaak excuseren mensen zich als ze met zo’n verhaal komen. Ik zeg dan dat dat absoluut niet nodig is. En dat ze zich vooral niet moeten inhouden. Maar niet eens zo diep in mijn hart denk ik: ‘ik niet, ik nooit, ik nooit meer’. Miranda noemt het ‘ordinaire jalouzie’ die haar bekruipt en doet zichzelf daarmee verschrikkelijk tekort.

Het is eigenlijk ook nooit goed. Miranda vertelt dat haar man sinds ze terugzijn, zijn oude werk weer heeft opgepakt en nu ’80 uur’ in de week daarmee bezig is. Ik zou graag een blog schrijven over zijn drijfveren om zo hard te werken, in zo’n bijzondere omgeving als het Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis, met op de achtergrond het overlijden van zijn eigen dochter dat hij met al zijn kennis en apparatuur niet kon tegenhouden.

foto 2-3Terug naar Davids boom. Vorige week donderdag kreeg ik tijdens het uitlaten van Bob een intense hypo – wat vreemd is want ik heb geen diabetes. Ik herkende het direct: het zweet dat je uitbreekt, het gevoel van dronkenschap – niet meer je situatie in de hand hebben, zwabberbenen. Ik had het David zo vaak zien ondergaan. Met moeite bereikte ik mijn huis. Dank zij een banaan en veel limonade lukte het me om de situatie te stabiliseren. Door die hypo voelde David dichterbij dan ooit. Nog enigszins wankel ging ik op de bank zitten. Het viel me op dat het licht in de kamer anders dan anders was. Eerst dacht ik dat het aan mijn wiebelige situatie lag. Maar toen zag ik dat de lichtjes in de kerstboom schenen als kleine schijnwerpers. Fel, keihard wit licht. Er waren niet veel andere lampen aan in de kamer dus het witte licht uit de boom domineerde de kamer op een bijna griezelige manier. Vervolgens ging een aantal lampjes weer normaal branden om enkele minuten later toch weer tot de felle stand over te gaan. Wat was dit? Een technisch mankement? Een boodschap van David bij die hypo? Toen gingen plotseling alle lampjes heel kort uit, lichtten daarna weer fel op en gingen ten slotte uit. En. Niet. Meer. Aan. Beeld op zwart. De kamer was donkerder dan duister, ondanks die ene lamp die wel aan was. Ik wist niet wat ik hiermee moest. Ja, uiteraard was een technische verklaring eenvoudig te vinden. Maar vanuit mijn rouwarbeid gezien een uiterst onbevredigend antwoord. Wat wilde David mij duidelijk maken? Want dat hij hierachter zat was wat mij betreft zo logisch als wat. Of eigenlijk: net zo logisch als onlogisch.

Wilde hij het signaal afgeven dat die boom nu wel genoeg was? Dat hij alvast het licht uitdeed en dat ik nu de rest maar moest doen? Gewoon omdat het tot 4 april nog lang duurt en die boom – hoe dierbaar ook – mij weerhoudt van een daadkrachtig ‘en weer door’? Ik vertelde het voorval aan enkele vrienden. Niemand keek er raar van op. Vanochtend sprak ik een van hen opnieuw: “Ik heb er dit weekend over nagedacht,” zei hij, “ik denk dat David je een mild signaal heeft willen geven. Als hij er echt de pest in had gehad, had hij die boom helemaal omgegooid. Daartoe acht ik hem best instaat. Maar nu heeft hij ervoor gekozen om inderdaad alvast het licht uit te doen. Hij vindt het mooi geweest en wil dat jij doorgaat met je leven. Jij moet nu verdergaan met het opruimen van de boom. Er zit niks anders op. Hoe symbolisch wil je het hebben?”

Geen ontkomen aan. Ik moet door. Vind David blijkbaar. Een paar dagen geleden vroeg iemand hoe het met mij ging. “Nieuw jaar, nieuwe kansen,” probeerde ik me onder de impact van die vraag uit te draaien. “Ja,” zei de ander cynisch, “dan zul je wel in beweging moeten komen.” Ik voelde me betrapt. Maar het is waar. Dat gevoegd bij de boodschap van David…

Vanavond maak ik een begin.

 

 

 

 

 

 

David het nieuwe jaar in – David vertrekt 31


Het is enkele dagen voor de jaarwisseling. De telefoon aan de andere kant van de lijn gaat drie keer over. “Louwman Exclusive,” klinkt de aangename vrouwenstem van de receptie van De Luxe Autodealer, “wat kan ik voor u doen?” “Ik wil graag een afspraak maken voor’n proefrit op  3 januari in de Bentley Mulsanne Speed.” “Ik verbind u door,” klinkt het zakelijk en vriendelijk tegelijk.

“U spreekt met Jacques Mulder. U wilde de Mulsanne bekijken?” er klonk enige aarzeling in de vraag. “Nou, vooral een proefrit maken. Ik heb namelijk serieus interesse in deze auto. Dat zit zo. Ik win komende donderdagnacht de Oudejaarsloterij van de Staatsloterij en ik ben ontzettend toe aan een nieuwe auto. Mijn Peugeot 203 uit 1995 overleeft de APK niet meer.” “Dat begrijp ik, meneer, Peugeot 203 leuk karretje voor de minvermogende. Mag ik u bij voorbaat feliciteren met uw prijs? Daar kunt u best een paar Bentley’s voor aanschaffen. Of een andere mooi merk. Heeft u al eens gedacht aan de Maserati eventueel een Rolls Royce? Ik heb hier een hele fijne convertible staan…”
“Nou, voorlopig is een genoeg hoor.Wat ik eigenlijk het leukste vind aan de Mulsanne, is dat er standaard twee City Umbrella’s worden bijgeleverd en vooral die Frosted Glass Refrigerated Bottle Cooler with Bespoke Crystal Champagne Flutes.
“Ha! U rijdt dan wel in een eenvoudig Peutertje maar ik moet zeggen, mijnheer heeft smaak. Prima. Dat mogen wij graag horen. Ik zal ook zorgen dat de  Maserati Ghibli 3.0 S Q4 voor u klaarstaat. Gewoon om te vergelijken. Maar eh, ik wil niet onbeleefd zijn, weet u zeker dat u de winnaar bent? Er hebben namelijk vandaag al vijf mensen gebeld die zeggen dat ze donderdagavond de Staatsloterij winnen.”
Shit.
“Oh, dat wist ik niet. Mijn zoon had mij beloofd ervoor te zorgen. Hij is nog niet zo lang geleden overleden en laatst had ik contact met hem en toen vroeg ik of hij ervoor kon zorgen dat ik zou winnen.” Het is even stil in de mond van de heer Mulder. Dan vervolgt hij:
“Tja, dat zeiden die andere bellers ook. Merkwaardig. Laten we afspreken dat u na de trekking nog even belt om uw komst te bevestigen. Dan houden wij de Bentley en de Maserati voor u vast. Is dat een idee?” Ik denk even na. Hij neemt mij niet serieus. Terwijl ik toch in het hiernamaals een hele sterke troef heb. Maar blijkbaar zijn er meer met rechtstreekse contacten aan gene zijde. Lastig. Ik wil niet nu al door de mand vallen. “Ja,” zeg ik zo kalm mogelijk, “dat lijkt me een goed plan. Dan probeer ik nog even contact te zoeken met mijn zoon – al heb ik geen idee wat hij momenteel uitspookt. Goedemiddag.”

Flauw woordgrapje om te zeggen dat je niet weet wat je dode zoon uitspookt. Maar het is eruit voor ik het weet en het zal meneer Mulder waarschijnlijk niet eens zijn opgevallen. Als ik later die avond David in gedachten spreek, vertelt hij me dat hij al een week voor de trekking heeft geprobeerd in de buurt te komen van de computer die de trekking van de Staatsloterij verzorgt, maar dat het toen al dringen was van al die zielen die hun nabestaanden wilden verrassen met de hoofdprijs. “Gekkenhuis, Pap, hysterisch gewoon.” Later was hij nog eens langsgegaan en toen was het bij de Staatsloterij helemaal een mêlée aan zielen die elkaar het licht niet in de ogen gunden. Maar goed, hij zou de 31e zijn best voor me doen, hoewel ik het hem niet kwalijk moest nemen als… En zo voort. Harde wereld. Dat je kind overlijdt is nog tot daar aan toe. Maar dat het vervolgens niet eens zijn taak als schutsengel fatsoenlijk kan uitoefenen, nee. Nog enkele dagen te gaan en dan is het Oudjaar.

Op 2 januari bel ik de autodealer en zeg het voorgenomen bezoek af. Met excuus van David. “Geen probleem,” zegt meneer Mulder, “ik ken het gevoel. Ik heb ook niks gewonnen, maar ik heb ook geen gestorven familielid. Succes met uw barrel uit 1995.” “Hoepel op, sukkel,” antwoord ik vriendelijk en druk hem weg.
De man in de kroeg aan wie ik dit verhaal vertel kijkt mij verbijsterd aan. “Heb je dat echt gedaan?” vraagt hij ongelovig. “Helaas niet,” beken ik, “maar ik had wel een Staatslot en mijn zoon is echt dood.” “Life sucks, jongen,” zegt hij. Ik knik. Ja, life sucks. Death ook, trouwens.

Oudjaar. Mijn volwassen leven lang bak ik op 31 december oliebollen. Ik heb een mooi recept dat zorgt voor oliebollen die bijna pure patisserie zijn. Dit jaar vraag ik me af of ik nu wel of niet oliebollen zal maken. Ik ben met Oud & Nieuw alleen (heb een aanbod voor een feestje afgeslagen) en om nou rond begin maart nog steeds met een schaal oliebollen te zitten – nee, dat is geen opbouwende gedachte. Toch blijft het wringen. Waarover maak ik me nou eigenlijk druk? Hoe belangrijk zijn die stomme  oliebollen voor me? Zit ik nou niet expres een potje zielig te doen? Ik deel mijn twijfels met een vriendin, die heel wijs adviseert om ze gewoon wél te maken. “Het is toch traditie voor je? Waarom zou je jezelf straffen? Ik zou ze gewoon bakken en wat je overhebt hang je straks als vetbolletje in de boom,” zegt ze. Shit, wat doe ik moeilijk. Natuurlijk heeft ze gelijk. Door die oliebollen te maken, geef ik mezelf een taakje voor de middag, maar ik maak mezelf ook duidelijk dat het geen zin heeft om het niet te doen omdat die 31e een zware dag is. Immers, David. Ik weet eigenlijk zeker dat hij dit geneuzel  allemaal lulkoek vindt. Dus ik maak mijn 26 oliebollen en voel me daarna opgelucht en trots. Desondanks zeil ik even later weg in een uit graniet gehouwen droefheid. Want, inderdaad, David. Kutzooi.

Op een van de laatste dagen van het oude jaar bezoek ik de overzichtstentoonstelling van Isa Genzken in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Het is een fascinerende verzameling objecten vol maatschappijkritiek op een ‘gründliche’ typisch Duitse manier. Ergens, in de loop van de expositie kom ik deze vensters tegen. foto 1Ik ben al lang gefascineerd door dit soort objecten waarmee je ruimte afbakent en tegelijk nieuwe ruimte creëert. Het is eigenlijk een definitie van architectuur. En van het leven op zich.
Architectuur: stel je staat in een wijds landschap, zonder gebouwen dus je kunt kijken zo ver je wilt. Dan zie je in de verte iemand aankomen die een lange paal in de grond steekt. Vanaf dat moment wordt het landschap in tweeën gedeeld. Een vreemd lichaam is in het landschap geplaatst en dat is direct niet vrijblijvend. Stel je bouwt in dat landschap een huis van drie verdiepingen. Vanaf het moment dat het geraamte staat, een deel van de open ruimte in beslag neemt, gebeurt er iets bijzonders. Binnen de ruimte van het landschap ontstaan nieuwe ruimtes. Straks zullen bijvoorbeeld op driehoog wellicht kinderen spelen. Was te drogen hangen. Spullen worden opgeslagen. Er ontstaan nieuwe wetmatigheden in die nieuwe vorm. Zo is er ineens de mogelijkheid om van etage naar etage te gaan met een vanzelfsprekendheid die niet bestond toen het huis er nog niet stond. Neem wolkenkrabbers. Ik vind het helemaal niet vanzelfsprekend dat die er ‘zomaar’ zijn. Telkens als ik een zie, besef ik hoe bijzonder het is dat iets een functie krijgt vanuit zijn wezen in een omgeving – de open ruimte – waar dat eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend is. In de open ruimte bestaan geen lift die je in een paar seconden naar de 35e etage brengt. De open ruimte kent geen etages. De vensters van Genzken laten dat proces zien in zijn meest uitgebeende vorm. Bovendien verleiden ze de kijker tot nieuwsgierigheid en ervaren: toen deze opstelling er niet stond, was dit een witte muur die grenst aan een parketvloer waar iedereen langsliep zonder er aandacht aan te schenken. Nu de vensters er staan nemen nieuwsgierige bezoekers de tijd om door elk van de vensters naar dezelfde muur en vloer te kijken. Er ontstaat een andere ervaring van de ruimte. Het is alsof je kijkt door iemands ogen.
Het leven op zich: ieder leven dat ontstaat, is bezig ruimte in te nemen. Vanaf het prilste begin en de geboorte tot de dood aan toe. Hoe ouder je wordt en hoe groter je nieuwsgierigheid is, des te meer vensters zich openen, des te meer antwoorden je vindt op je vragen, des te meer je toeneemt aan betekenis voor anderen. De ruimte die David bezig was in te nemen, de vensters die hij opende, was nog relatief klein en tegelijk al behoorlijk groot. Iedereen die hij toestond om door zijn vensters naar de open ruimte van het leven te kijken, ontdekte de waarde van sociale vaardigheden, leerde van zijn interesse in menselijke contacten, ervoer zijn kracht als bindende factor en werd geïnspireerd door zijn talent als debater en als hockeyer.

Het is intussen 6 januari. In de aanloop naar Oud & Nieuw noteerde ik dat ik doodsbenauwd was voor het nieuwe jaar: hoeveel ellende zou er nu weer over mij heenrollen? Ik kon slechts door de donkerste vensters naar 2016 kijken en bittere grappen maken die alleen ik begreep. Maar het werd vanzelf 1 januari, en 2 en 3 en 4 enzovoort. Bijzonder genoeg voelde 1 januari anders aan dan de dagen ervoor. Er waren geen gitzwarte vensters meer waarin de somberste vooruitzichten spiegelden. Er was geen angst. Geen verdriet. Alsof ik mijzelf door een sleutelgat had gewurmd en terecht was gekomen in een andere tijd/ruimte-ervaring. Alsof de symboliek van Oud & Nieuw die nacht als een wolkenkrabber de open ruimte van mijn leven had ingenomen en mij had meegevoerd naar de hoogste etage, boven de wolken in zuiverend zonlicht. Met hoopgevend uitzicht.
Dit is eigenlijk geen tekst voor mij. Ik metafoor niet graag tenzij functioneel. Nog minder heb ik sinds Davids overlijden iets met horoscopen, tarotleggingen, uit- of intredingen of wat dan ook. Wellicht komt het doordat de Maan dezer dagen in het teken van de Kreeft staat – je weet het niet, hè?

Desondanks is het intussen 6 januari en ik heb besloten dat het nieuwe jaar het best bekeken en ervaren kan worden als door de open vensters van Genzken. “En weer door in 2016.”
Zo begint het nieuwe jaar: met de schoonheid van mijn roestbakje dat straks zijn APK niet meer haalt, met 4 april de eerste herdenking van Davids overlijden en verder met veel open ruimte om van te genieten. We zien wel wanneer life weer sucks.

 

 

 

2015 herzien


De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 24.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 9 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.