Koop dat boek. ‘David Vertrekt – 38 blogs van rouw’: € 19,50 pp. nu verkrijgbaar


cover boekWaarom. Daarom.

Tijdens en lang na het schrijven van de 38 blogs over David en over mijn rouwarbeid kreeg ik reacties van bekenden en ook onbekenden die schreven hoeveel de teksten voor hun betekenden. Niet zo lang geleden nog werd ik aangesproken door een volstrekt onbekende moeder die vorig jaar haar zoon was verloren: 23 jaar! Zij had veel steun gevonden in de Davidblogs. Het schrijven van de blogs hielp mij in mijn rouwarbeid en als het inderdaad zo is dat anderen er ook baat bij hebben, is het mooi en logisch om de volgende stap te zetten. Dus hebben we de blogs gebundeld tot een prachtig boek.  Zie de voorbeeldpagina’s in dit bericht. De zwarte stip in het ontwerp wordt straks een gat, van voor naar achter – waarmee we de leegte die David achterlaat symboliseren.


‘David Vertrekt’ – € 19,50
De Davidblogs worden uitgegeven door Leporello Uitgevers, Amstelveen en zijn verder ook verkrijgbaar via (de site van) elke boekhandel. Leporello geeft zeer bijzondere boeken uit, bijvoorbeeld over Pierre Audi, Reinbert de Leeuw, Rembrandts Olifant en over communicatie. De vormgeving van ‘David Vertrekt’  is in handen van graphic designer Reinoud van Hasselt, een van de beste die ik ken, die David vrij goed heeft gekend en die indertijd ook de vormgeving heeft verzorgd van Davids’ rouwkaart.

 

 

Op deze pagina’s zie je enkele voorbeelden. Het is een mooi en bijzonder boek geworden van zo’n 160 pagina’s dat hopelijk inspireert en troost biedt aan iedereen die David heeft gekend en aan  ieder die zoekt naar de bijna onmogelijke antwoorden op de bijna onmogelijke vragen over leven en dood.

Recensies/reacties van lezers:

“Ik heb een vriendin/collega jouw boek cadeau gedaan omdat ze tien jaar geleden haar zoon heeft verloren en nog steeds rouwt.  Ze is erg blij met het boek, vindt het heel herkenbaar en heet het idee dat ze de psycholoog niet meer nodig heeft na het boek…”

“Ook na het eerder lezen van de David-blogs komt het boek indringend over. Maar ook mooi, liefdevol, warm. Ik kan me indenken dat andere ouders die zoiets meemaken hier echt wat aan kunnen hebben. En bovenal is het natuurlijk gewoon een fantastisch eerbetoon aan David.”

 

hanvanwel@kpnmail.nl

 

Advertenties

David, de stad… David vertrekt (3)


De stad waar je bent komen wonen, voelt altijd anders dan de stad waar je bent geboren. De stad waar je werkt, maar niet woont voelt nog anders. De eerste categorie  voelt aan als jouw stad. Met jouw routes, met jouw café’s, met jouw supermarkten, musea, coffeeshops, winkelstraten. Jij hebt die stad verkend, besloten dat je je er thuisvoelt. Trots neem je je familie mee op tochten door jouw stad, je laat zien dat je er veilig bent.

De stad waarin je bent geboren, is met jou mee opgegroeid. De hele plattegrond maakt deel uit van je intuïtie. Je hebt er favoriete wijken met prachtige herinneringen. Wijken waaraan je liever niet herinnerd wordt. De wijk van je Eerste Liefde. Van je eerste keer spijbelen. Van je eerste joint tijdens het vrije uur geschiedenis. Van het huis van je vader en dat van je moeder. Van de straat waar je eindeloos buitenspeelde. Van je beste vriend aan de andere kant van de stad. Het is de stad die altijd van jou blijft, waar je later verder ook woont. Het is de stad als collage van liefde, asfalt, geluk en verdriet. Want zonder die vaart geen stad wel.

De stad waarin je overdag verblijft om te werken, haalt het niet bij de eerste twee. Zelfs al zou je willen. Je kunt houden van die stad, er uitstekend de weg weten tot en met de sluiproutes. Je kunt er de fijnste eetgelegenheden blind vinden, de raarste en de leukste kroegen. Maar je bent je er altijd van bewust dat je beperkt toegang hebt tot haar ziel. Ook al is het Amsterdam.

De stad die je omarmt
Maar stel dat bijvoorbeeld je zoon, die bijvoorbeeld David heet, besluit om te wonen waar jij bijvoorbeeld werkt – dan zal die stad  vanaf dat moment een andere relatie met je opbouwen. Dan adopteert zij jou als gebaar van goede wil. Louter en alleen omdat je kind zich heeft genesteld in haar omhelzing. Wordt gewiegd op het ritme van haar hart. Meegevoerd in het meanderen van haar bloed. En daarvan intens geniet. Bijvoorbeeld David wordt het kind van de stad. En dat voelt goed.

Je merkt je andere verhouding op verschillende manieren. Je weet je welkom, vanaf het moment dat je haar ’s ochtends betreedt tot je de stad ’s avonds verlaat. Je beseft dat dat komt doordat een paar straten verderop je kind leeft: zijn wereld vergroot, zijn grenzen verlegt, zijn veroveringen verzamelt, zijn zegeningen telt. Je hebt daardoor nooit meer een argument om de stad vijandig te vinden. Laat staan ontoegankelijk.

Jij bent nu een van de league. Dus houd je bijvoorbeeld van de sirenes in de verte, die in golven de stad inrollen, tussen de smalle straten door, over pleinen en langs lanen tot dichter en dichterbij. En vervolgens verder – het geluid als lucht persend door de straten tot verder & verder & verder weg om dan abrupt te stoppen. Je gokt wáár.
Je begrijpt nu bijvoorbeeld ook de malloten die de stad bevolken. Die schuifelend, bedelend, stoned, dronken, scheldend, tastend hun onnavolgbare weg gaan. Je herkent ze en geeft ze een plek op de plattegrond van de stad die zich intussen liefdevol etst in je hart.

Zo ontdek je bijvoorbeeld ook het spel van zonlicht in de vroege ochtend en de late avond wanneer de stad haar silhouetten opricht als wachters voor de nacht. De eerste clubs openen hun deuren al, de dynamiek van de nacht komt geruisloos op gang en ook al maak je daar waarschijnlijk nooit deel van uit, je zou het zomaar kunnen. Zonder schaamte of angst.

Davids dood
Dan gebeurt waarop je nooit had gerekend. Wat nooit had gemogen, altijd onmogelijk had geleken, onlogisch – en al helemaal niet met jouw kind.
David heeft de vrijdagavond en -nacht nog gevierd zoals zo vaak. Met vrienden, bierdrinkend, sms’end met vriendinnen, regelmatig zijn bloedsuiker controlerend in verband met zijn ziekte. Zo gaat het meestal door tot zes uur ’s ochtends. ‘Waar slaap jij? Kom bij mij. Ik wil kroelen,’ verleidt zijn laatste sms een vriendin. Daarna lange tijd niks tot een andere vriendin rond half tien ongerust aan hem smst: ‘David!!!!!!’ Hij is dan al drie uur dood. Niemand die het weet. Niemand weet het tot zes uur ’s avonds. Maar dan verandert er radikaal veel in de stad.

Vrijwel direct werpt Davids dood zijn schaduw over de stad, over de telefoons en harten van tallozen. Dan blijkt hoe geliefd hij is en hoe enorm de schokgolf is als zo’n jong karakter het leven en zijn vrienden achter zich laat. De stad verduisterd in hoog tempo voor vrienden, vriendinnen, dispuutgenoten, collega’s en veel meer anderen die hem nauwelijks kennen: voor de meesten is dit de eerste echte confrontatie met de dood.

De stad herkent zichzelf niet meer en toont aan jou tegelijk haar meest meedogenloze kant: je bent weer zo alleen zoals voor jouw kind hier kwam wonen. De stad laat direct los en toont zich in alles teveel, te groot, te hard, te massaal, te luid. De sirenes hebben niets betoverends meer, het licht in de straten betovert niet meer, de zwervers spugen hun verachting voor je voeten, je struikelt over losse stenen maar vooral over jezelf.

Vaders & zonen
Na bijna vier weken afwezigheid word je verwacht in de stad. De laatste dingen moeten ter plekke worden geregeld. Vanaf het station dein je mee als drijfhout met de lome selfiënde toeristenstroom de stad in. Dan spoel je aan op de Dam. En staat oog in oog met een levend standbeeld dat in rafelige pij ongeconcentreerd de Zwarte Dood uitbeeldt. Zeis. Puntkap. Belachelijk schedelmasker.
Het kost je moeite om door te lopen. Hoewel je het liefst hard weg wilt rennen of nee, je wilt vooral die kap van zijn kop rukken, de zeis uit zijn handen trekken, hem ermee bewerken en op hoge toon eisen dat David terug moet: “Hoor je me, lul? David moet terug. Wat sta je daar? Doe wat! Drie weken zonder kind is wel mooi. Leuke grap, maar nu weer normaal graag. Breng ‘m terug, klootzak!”
Tegen beter weten in.
Er is een opvatting dat de ziel na het overlijden nog 40 dagen tussen de mensen blijft om te wennen aan zijn nieuwe status. Daarna gaat hij over naar een volgend stadium. Als we het uitrekenen, blijkt dat Davids ziel exact op Hemelvaart zal vertrekken. Het kon slechter. Intussen sta je vertwijfeld bij de groezelige ‘grim reaper’. Je doet niets. Je vindt het een armzalige vertoning. Tot je eigen verbazing loop je tamelijk rustig verder.

Maar dan zie je ze.
Je oog valt er onwillekeurig op: de vader en onmiskenbaar zijn zoon in onmiskenbaar Davids leeftijd. Ze lopen je tegemoet. Praten vrolijk, vertrouwd; de vader met een trotse glimlach, de zoon met de zelfverzekerde tred die hoort bij degenen die door de stad zijn opgenomen en bij de jeugd die niet anders weet dan dat ze het eeuwige leven heeft.

Dat doet zoveel pijn. Het is te confronterend. De boodschap te bitter. Tranen branden achter je ogen. Maar nauwelijks vijf minuten later gebeurt het opnieuw. Andere vader en zoon. Zelfde glimlach. Zelfde vanzelsprekendheid. Dit is niet eerlijk. Het mag gewoon niet. Er is geen pijn, het is erger dan dat.

Vlak voor je bij je afspraak bent, maak je het nog een keer mee. Vader met zoon. Godverdegodver. De zon zet de stad in vals licht dat de stad lijkt leeg te zuigen. David missen is het ervaren van een enorme leegte. Met je hele lijf. Het voelt niet geamputeerd of wat dan ook. Er is leegte – waar je ook tast. En als je over de rand kijkt, word je zo duizelig dat je je moet vastgrijpen aan iets of iemand. Volgens het boeddhisme is die duizeligheid de angst voor de val, die je noodzakelijk moet maken om tot inzicht te komen. Dit vraag je je vertwijfeld af: ‘Welk inzicht, dat zoveel tegenwicht biedt aan het leven zelf, wil je kind je geven?’
Dit gaat voorbij denken. Dit gaat voorbij taal. Voorbij weten.

David, de stad
David, de stad toont zich vandaag van haar kilste kant. Ze sart, ze sist, ze straft, ze wil geen rekening met mij houden. Ik ben teruggezet.
David, de stad ontkent mij vandaag. Nu jij je niet langer laaft aan haar omhelzing en zij zonder jouw energie verder moet – verklaart zij mij tot vreemdeling en zal ik hard moeten werken om mij hier ooit weer thuis te voelen. Als ik dat al wil.
David, de stad heeft jou met tegenzin laten gaan. Ze zag je als de high potential die haar zou verrijken. Ze had je leven al in blauwdruk klaarliggen. Nu kan ze niet anders dan teleurgesteld mij laten zien dat je echt niet de enige was dus brengt ze vaders & zonen op mijn pad.

David, de stad mist jou net zo hard als ik jou. De slechte imitatie van de dood daar op de Dam laat haar machteloosheid zien. Machteloos – we zijn het allemaal in de schaduw van jouw vertrek.

SONY DSC

Zoals Rothko zijn doek – David vertrekt (2)


Van 20 september tot 1 maart 2015 was in het Haagse Gemeentemuseum de tentoonstelling ‘Mark Rothko’ te zien. Een ‘must see’ evenement. Door laag op laag op laag (en meer) te schilderen, zo transparant mogelijk, liet Rothko enorme kleurvlakken ontstaan die de kijker de sensatie geven dat hij het doek wordt ingetrokken. Volgens sommigen een bijna-religieuze ervaring.

Rothko kwam tot deze unieke manier van schilderen nadat hij kennis had genomen van de verschrikkingen van de Holocaust. ‘Het past niet om na deze gruweldaad nog langer figuratief te werken in een wereld die zijn menselijke gezicht heeft verloren’ schijnt hij te hebben gezegd in vergelijkbare woorden. Zo zijn zijn werken een diepdoorvoelde aanklacht tegen de Holocaust en tegen elke vorm van levensvernietiging.

Het mooiste moment van de expositie was voor mij niet de ontmoeting met (een van) de schitterende schilderijen, maar met een foto. Een simpele foto, beetje achteraf tentoongesteld opzij van de expositie:

Zoals een schilder

Zoals een schilder

Het is een foto die ik het liefst op ware grootte zou willen zien. Rothko, gezeten in een spartaanse leunstoel, evalueert een van zijn doeken. Hij neemt afstand en rust zoals iemand dat kan doen, ‘na gedane arbeid’. Benen over elkaar geslagen. Pakje sigaretten binnen handbereik. Brandende sigaret in de rechterhand. Hoofd ’n tikje scheef, als van een kritische toeschouwer. Of luisteraar – je weet het maar nooit in deze magie.
Er lijkt meer licht te vallen op de vloer en op Rothko’s hoofd dan op het schilderij waarnaar hij kijkt. Dat is niet zo raar: Rothko’s schilderijen absorberen licht. Kijk hem daar zitten. Als schepper op de zevende dag beoordeelt hij het resultaat van zijn werk. Hoe zou hij kijken naar dat doek? Zou hij het wordingsproces nalopen of zich concentreren op het resultaat? Of zou hij het voor de zoveelste keer helemaal niks vinden (Rothko was zwaar depressief), een zoveelste mislukte poging opweg naar de gedroomde perfectie waar hij al behoorlijk dicht tegenaan zat?

De foto heeft op mij dezelfde meditatieve werking als zijn doeken. Misschien wel meer. Er gaat zoveel rust vanuit, er ligt zoveel vredigheid in dat beeld van die man in die simpele houten stoel in dat haast onnatuurlijk opgeruimde atelier voor dat ene doek. Dat met de man in de stoel een gevecht om aandacht lijkt aan te gaan. De man in de stoel wint. Maar tegelijk is hij deel van het mysterie dat begint in het schilderij. Er ontstaat een raadsel dat onoplosbaar lijkt, een vraag die wordt gesteld waarop het antwoord niet gegeven kan en hoeft te worden. Zoals in het meditatieve gedicht ‘Melopee’ van Paul van Ostaijen: “Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee”
Er zijn vragen die zichzelf ontstijgen.

Ik zie mezelf graag op de plaats van Rothko. In net zo’n spartaanse houten stoel, brandende sigaret in mijn linkerhand, pakje sjek op de leuning, benen losjes over elkaar geslagen, hoofd licht schuin alsof ik luister, alsof ik denk, alsof ik kijk naar wat ik nooit meer levend voor me zal zien: recht in de ziel van David, 23 jaar. Het minst tastbare het meest aanwezig.

23 jaar voor altijd – eeuwig jong. Ik staar, ik loer, ik luister, ik concentreer, ik beoordeel, ik ben schepper-af. Waar zijn leven stopt en het licht absorbeert, lijkt het mijne ook pas op de plaats te maken. Dit is de tussentijd. Er is een tijd voor dit moment en een tijd erna. Tussen die twee ligt de onoverbrugbare leegte waarnaar ik nu kijk. Die mij naar binnen zuigt – ik laat het graag gebeuren. Ik zit en staar machteloos naar wat is geweest, naar wat werd, naar wat nooit méér worden zal; laag over laag over laag, transparant over transparant. Het werk dat zichzelf onverklaarbaar áf verklaarde.
Zou dat met Rothko net zo gegaan zijn? Nam hijzelf de beslissing dat een doek af was of was het ’t doek dat aangaf  klaar te zijn. Is dat staren van Rothko vergelijkbaar met mijn machteloosheid? Weer zo’n vraag die geen antwoord verlangt. De vraag is de meditatie van het moment.
Het stelt me niet gerust. Ik hang teveel aan het ‘werk’ dat David heet om te accepteren dat het af zou zijn. Het was toch net bezig te ontstaan? Tegelijk weet ik dat ik hier helemaal niets heb in te brengen. David was klaar, om de een of andere reden. Ik kan alleen maar machteloos zitten, spartaans zitten staren en in mijn herinnering al zijn lagen langslopen, al zijn dagen, al zijn jaren die als de ringen van een boom zijn geschiedenis vertellen. Vanuit deze stoel heeft de wereld zijn menselijke gezicht verloren – ondanks alle zorg en aandacht waarmee we worden omringd. Davids ziel zweeft in de tussentijd. Er is een tijd voor en er is een tijd na zijn leven. In de tussentijd echoot een liedje van lang geleden naar boven, iets jonger was ik dan David nu:

To everything, turn, turn, turn.
There is a season, turn, turn, turn.
And a time to every purpose under heaven.
A time to build up, a time to break down.
A time to dance, a time to mourn.
A time to cast away stones.
A time to gather stones together.

Wat hoorde Rothko daar in die stoel? Hoe vredig is die foto eigenlijk?

Huizer Museum drie maanden lang ode aan het het water met duo-expositie


Op 28 maart opent de duotentoonstelling ‘Aan het Water’/ ‘Waterwerken’ in het Huizer Museum. De expositie combineert het Gooimeer-fotoproject ‘Aan het Water’ met (Noordzee-) waterschilderijen van Harold Schouten. Deze expositie is Huizen op het lijf geschreven. Uiteraard doordat de foto’s zijn genomen aan het Gooimeer en de schilderijen laten zien hoe fascinerend olieverf ‘verandert’ in water, maar ook doordat Huizen haar eeuwenlange geschiedenis heeft met het water. Het is voor het eerst dat deze verbinding tussen dorp, geschiedenis en water zo wordt gelegd. Een ware water-ode is het resultaat.

‘Aan het Water’
Huizer Han van Wel fotografeerde met zijn telefoon een jaar lang het water vanaf een van de mooiste plekken in ’t Gooi, de pier van de uitloophaven die ver uitsteekt in het Gooimeer. 365 dagen lang, elke dag, op hetzelfde moment. Steeds in dezelfde richting. Bovendien schreef hij ter plekke er korte teksten bij en zette het geheel op Facebook. Een bijzonder project met een bijzonder vervolg.

Vuurtoren
De vuurtoren van de uitlooppier, waar vandaan Van Wel zijn foto’s maakte, is levensgroot nagebouwd voor deze expositie in het Huizer Museum. Vanuit de vuurtoren worden foto’s en teksten geprojecteerd, terwijl de teksten tegelijk door de maker worden voorgelezen. De bezoeker kan vanaf speciaal neergezette sofa’s comfortabel ‘Aan het Water’ beleven. Daarnaast is een indrukwekkende fotowand gecreëerd van 66 ingelijste, uitgeprinte foto’s en teksten.

‘Waterwerken’
Schilder Harold Schouten (Aurau, Zwitserland 1961) is al zijn leven lang gefascineerd door het water: “Je kan net zo goed proberen een golf uit het water te vissen als ‘een golf’ te schilderen,’ omschrijft Harold Schouten het ongrijpbare fenomeen golf en tegelijk het dilemma van de schilderkunst zelf. “Als je je afvraagt hoe je water schildert, kom je al gauw op de vraag, hoe schilder je überhaupt.” Schouten vindt het een ‘mooie opgave’ om zoiets ongrijpbaars, zoiets vloeiends vast te leggen. “Je kunt het niet letterlijk pakken. Zodra je er een strakke contour aan geeft, ontglipt het je. Water is net zo niks als verf in een tube, en net zo véél tegelijkertijd.”

Door de geschilderde ‘Waterwerken 2’ te combineren met het gefotografeerde ‘Aan het Water’ onstaat een wederzijdse reflectie tussen twee verschillende beelddragers.

Extra’s
Tijdens de tentoonstelling organiseert het Huizer Museum een aantal extra activiteiten, waaronder wandelingen met Han van Wel naar de pier van de uitloophaven, workshops voor volwassenen en scholieren, schildersessies op de pier en zelfs een meditatiesessie Aan het Water. Meer informatie: www.huizermuseum.nl

Opening

De opening van deze unieke expostie vindt plaats op 28 maart om 16.00 in De Boerderij, Hellingstraat 9, Huizen, door Dr. Wiegert Dulfer, loco-dijkgraaf Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
en door Gaston Bannier, o.a. dorpsdichter Bussum. De expositie duurt t/m 27 juni.

 

Verliefd op Henry, Klaus en Philippe


In een vorig leven heb ik ooit kennisgemaakt met de zangstem countertenor. Wie er niet aan gewend is en onverwacht een man met een ‘vrouwenstem’ ziet/hoort zingen, moet meestal iets overwinnen. Want ongewoon, niet alledaags. Dat klopt. En toch is de countertenor in de muziek een oud gegeven en allerminst een rariteit. Toen ik in Groningen studeerde was ik bevriend met Paul, een bijzondere jongen die Nederlands studeerde, verschrikkelijk lekker kon koken, veel van klassieke muziek wist en bovendien een heuse countertenor was. Paul en ik maakten lange nachten in allang vergeten kroegen.

We woonden bij elkaar om de hoek in de Oosterpoort. Wanneer we terugliepen naar huis had Paul een vast repertoire dat hij met ferme stem de nacht en de buurt in slingerde. Een nummer was ‘What power art thou’ van Henry Purcell (dadelijk meer daarover) en het andere Janis Joplins ‘Oh lord would you buy me a Mercedes Benz’. Nog altijd vind ik de uitvoering van Paul eigenlijk beter dan die van Janis en van iedereen die een poging heeft gedaan om dat wonderlijke a-capella lied na te zingen. Hierbij de versie van raspje Janis, van Paul bestaat helaas geen opname:

We slaan een paar jaren over. Op een dag hoor ik een pop-versie van Purcells ‘What power art thou’ door de band Fink in een uitvoering met het Concertgebouw-orkest. Deze uitvoering is een versimpelde versie van het theatrale origineel waarin de ‘Cold Genius’ bibberend te voorschijn komt en meedeelt hoe koud hij het heeft en graag wil blijven hebben. Fink maakt van het lied een soort Bach-uitvoering, die vooral door het vette orkest erachter wordt gedragen:

Tegelijk inspireerde deze uitvoering me om op internet te kijken welke versies er nog meer bestaan. Zo ontdekte ik Klaus. Officieel Klaus Sperber (Immenstadt24 januari 1944 – New York6 augustus 1983) geboren in de Beierse Alpen en wonderlijk mens. Voorbestemd om in Berlijn zijn geluk te vinden, of, nog beter in New York. Klaus wilde zanger worden, maar werd niet toegelaten tot het conservatorium omdat zijn stem niet voldeed. Godzijdank wist hij dat hij moest doorgaan en zocht zijn heil in Amerika. Op Wikipedia vind je een beperkte biografie over Klaus Nomi – zoals zijn artiesstennaam was. Na een aantal jaren sappelen in rare baantjes lukte het hem om in de New Yorkse underground erkenning te krijgen. En niet van de minsten. Zo nodigde David Bowie hem uit als achtergrondzanger, zie filmpje. Het bijzondere is dat Klaus eigenlijk meer de aandacht naar zich toetrekt dan Bowie. Die bovendien door zijn lacherige bandleden nauwelijks serieus lijkt te worden genomen:

http://www.openculture.com/2014/09/david-bowie-and-klaus-nomis-hypnotic-performance-on-snl-1979.html

Het verhaal gaat dat Klaus zich liet inspireren door de couture die Bowie die avond aanhad, in een later interview beweert hij dat hij het zelf heeft bedacht. Maakt niet uit. We zien een bijna klassieke Berlijnse cabaretkunstenaar, die ik eigenlijk niet vind passen in die New Yorkse sfeer, maar dat is persoonlijk. Voor Bowie was Klaus ook meer een verpersoonlijking van Berlijn – de stad die hem altijd heeft geïnspireerd.
Nou goed, op een avond brengt Klaus Nomi in zo’n New Yorkse club in The Village totaal onverwacht ‘What power’ ten gehore, in de versie zoals Purcell het wilde. Je ziet een persoonlijkheid. Je hoort een persoonlijkheid. Je krijgt er spijt van dat je er niet bij was. “It’s nower than now”:

Via Klaus kom ik vervolgens bij een – gelukkig nog levende – countertenor: Philippe Jaroussky. Voor mij is hij compleet nieuw, maar dat ligt aan mij. Philippe is die geschoolde countertenor, die het alleen van zijn stem moet hebben en verder niet van schmink en theater. Met zijn prachtige stem lijkt hij het ook niet nodig te hebben. Het is een wereld van verschil met Klaus Nomi, maar ook een wereld waartussen je niet moet willen kiezen. Nomi is met zijn ‘ongeschoolde’ stem een soort nobele wilde en betovert daarmee, omgekeerd is Philippe op zijn eigen manier een fenomeen. Het maakt niet uit. Het maakt me voor altijd (opnieuw) verliefd op het eigenzinnige geluid van de countertenor:

 

 

 

Henry Purcell, (Westminster, circa 1659 – Londen21 november 1695). Henry Purcell schreef religieuze muziek, kerkmuziek, toneelmuziek en semi-opera’s. Het is prachtige muziek, die gelukkig nog regelmatig wordt uitgevoerd. Soms in versimpelde – maar nog altijd prachtige – uitvoeringen en soms in uitvoeringen die voor altijd in je ziel gegrift lijken.

Kort verhaal (1)


Het gebeurde, zoals dat heet, totaal onverwacht. Op een dag als alle andere eindeloos aan elkaar geregen dagen, ergens rond het midden van een week. Maar misschien wat het een maandag. Of een vrijdag. Hij was allang geleden gestopt met zich af te vragen welke dag, welke week, welke maand, welk jaargetijde het was waarin hij ademde. Teveel van hetzelfde. Te weinig om zich druk over te maken. Teveel routine. Teveel gelijkmatigheid. Teveel gezeik thuis. Omdat het van alles teveel niks was werd zijn stemming afgevlakt tot een muisgrijze dunne horizontale lijn. Teveel van niks, was zijn definitie van zijn huidige bestaan. Daaraan ontsnappen was zo langzamerhand een tour de force die hij zichzelf niet meer zag voltrekken. Kutzooi.

Drie keer per week ging hij in slow motion naar de buurtsuper waar hij zich kon opwinden over de almaar stijgende prijs van plakjes zalm. Of het plotseling ontbreken van spullen die hij anders ook niet zou kopen. Opwinding van niks. Ooit voelde hij over dergelijke zaken de adrenaline door zijn lichaam golven. Kippenvel, mijnheer! Dan vond hij het de normaalste zaak om het personeel erover aan te spreken, verantwoording te eisen en geraffineerd aan te sturen op een tegemoetkoming in welke vorm ook. Dat was een tijd.

En een keer per week maakte hij zijn gang naar de Albert Heijn. Vroeger kwam hij er dagelijks en rekende af zonder op het eindbedrag te letten. Kende de kassières bij naam. Maakte af en toe een praatje met de winkelmanager. Bemoeide zich graag met aanbiedingen of met de inrichting van de schappen. Niet dat het enig effect had, maar als goede klant kon hij makkelijk rekenen op een luisterend oor. Hij was vergeten wanneer dat ook alweer was.

Onzin.

Hij kon het zich heel goed herinneren. Met de kleinste moeite zelfs. Maar ook de kleinste moeite was in zijn huidige staat niet meer of minder dan het beklimmen van de Mount Everest voor meervoudig gehandicapten. Het was vandaag niet erg druk in de AH, maar ook niet bijzonder leeg. Hij had gekeken of er in de aanbiedingen iets was waarmee hij thuis kon komen. Daar ging godzijdank aardig wat tijd inzitten. Na drie kwartier slofte hij nog steeds een leeg karretje voor zich uit. Het ging hem hier steeds meer om het er-zijn: een speciaal soort genieten – van de breedte van de paden tussen de schappen, van de vormgeving van de producten, van de uitstalling van de groenten, van de tientallen soorten kaas in de koelvitrine. Het leverde hem sporadische maar intense geluksmomenten op.

Toen.
Was er de vrouw.
De vrouw kwam van achter uit de winkel gerend. In haar hand een verpakt brood. Typisch zo’n geval van vergeten dus karretje bij de kassa laten staan en sorry zeggen en snel naar de bakkerijhoek en weerom zo gepiept hij had het vroeger vaak genoeg gedaan want als je winkelt op de automatische piloot winkel je eigenlijk vanuit je onderbewuste en wil je vaak genoeg jezelf terugvinden met een kar vol boodschappen die je nauwelijks nodig hebt terwijl wat je wel nodig hebt…

Ze was een jaar of veertig. Niet onaantrekkelijk, constateerde hij zonder dat het hem verder iets deed. Losse haren, openhangende jas met zo te zien iets van een strakke spijkerbroek en dan wat gedoe los daarover. Geen tijd.

Hij keek haar aan zag haar steeds dichterbij komen en wist ineens dat hij dadelijk zijn voet zou uitsteken zijn hersens leken wakker te zijn geworden en berekenden met ongekend raffinement het ideale moment hij liet het gebeuren voelde niet eens een zich verheugen of schaamte of desnoods angst of verdriet of wat dan ook hij wist alleen dat hij dadelijk zijn voet zou uitsteken en dat hem dat enige voldoening zou geven een prikkel die hij lang niet meer had gevoeld en waaraan hij plotseling onuitsprekelijke behoefte scheen te hebben tot zijn eigen verbazing of wat nog daarvan over was het belangrijkste op dat moment was eigenlijk het dilemma of hij nou zijn voet zou uitsteken of het lege karretje tegen haar knieën duwen hij besloot zijn voet en toen was ze er ook dus stak hij zijn voet uit voelde hoe hij zijn spieren moest spannen om ervoor te zorgen dat ze ook echt zou struikelen en toen was het helaas alweer voorbij ze lag languit in het gangpad wat hij een onverwacht mooi, dramatisch, te janken zo prachtig beeld vond vooral omdat je het maar zelden ziet een languit gevallen een meter vijfenzeventig jas, spijkerbroek, alle kanten opwaaierend haar op de vloer van een supermakt ja kapotgevallen flessen cola of advocaat regelmatig maar een gevloerd mens dat was toch van heel andere orde en eigenlijk bijzonder genietbaar vooral hier waar precisie tot het uiterste was verheven en een incident als dit het effect had van een steen die een wak slaat in laagje ochtendijs hij had zijn voet uitgestoken en haar val nanoseconde na nanoseconde geregistreerd het brood vloog haar hand uit zeilde op luchtkussens over de tegels en kwam geleidelijk tot stilstand onder het schap met papieren zakdoekjes direct wist hij wat hem te doen stond dus hij liet zijn winkelwagentje los en was in drie stappen bij haar hurkte neer en bestudeerde haar gezicht zonder een woord te zeggen ze keek woordloos terug met een mix van boosheid, angst en schrik het leek een half uur te duren voor hij zijn spraak terugvond achteraf reconstrueerde hij nog vaak dat moment waarin er even niets anders bestond hij stak zijn hand uit en riep wat spijt me dat toch ik zag u niet aankomen hebt u zich bezeerd geef me uw hand dan help ik u overeind – blijf van me af gilde de vrouw u deed het expres ik zag u kijken ik weet het zeker ze gaf hem een duw waardoor hij diep achterover viel zijn hoofd stootte tegen een been van een van de omstanders die zich intussen in het winkelpad hadden verzameld hij mompelde wat en stond op.

Wegwezen hier.
Niemand legde hem een strobreed in de weg terwijl hij stijf overeind kwam en het winkelpad volgde naar de kassa’s daarlangs en naar buiten. Het leek of hij in een cocon liep, geluiden uit de supermarkt leken hem niet te bereiken en wat vooral vreemd was: in de rest van de supermarkt winkelde men gewoon verder alsof het incident er zich niet had afgespeeld.

Toen hij buitenstond besefte hij dat hij zijn boodschappenkarretje had achtergelaten met daarin het winkelmuntje. Hij kon het niet opbrengen om terug te gaan en zijn muntje op te eisen – lazer op met je muntje het belangrijkste was dat hij zich nu de held in zijn eigen speelfilm voelde. Script, dialogen, regie, hoofdrollen – de hele productie. Speciaal gevoel. Een mengeling van trots en vertwijfeling. Had hij het echt gedaan? Stoer! Was het stoer? Het was zo stoer als het steken van een speld diep in je arm. Niet uit te leggen. Onbedwingbaar, onontkoombaar. Heerlijk. Eigenlijk zonder de behoefte aan publiek. Het ging zoals het ging, het was zoals het was. Er lag geen vraag onder over de zinvolheid of zinloosheid van de actie. Dit. Was het. Punt. Uit. Klaar.

Toch was er meer. Er trokken rillingen over zijn armen. Rillingen die maar bleven wandelen tussen zijn stuitje en zijn nek en weer terug. Er was het lichte gevoel in zijn hoofd. Als een ruimtereiziger leek hij te zweven, de zwaartekracht had geen antwoord op zijn soortelijk gewicht.

Hij liep naar een bankje op het plein tegenover de supermarkt en voelde een onuitsprekelijke behoefte aan een sigaret – belachelijk hij had al meer dan tien jaar niet had gerookt.

Hij sloot zijn ogen en keerde zich naar binnen als in de mooiste meditatie die hij ooit had gedaan, tastte de binnenkant van zijn schedel af op zoek naar gevoel, irritatie, euforie, kalmte maar vond niets en tastte van daar naar zijn schouders opzoek naar hetzelfde en vandaar naar zijn rug, naar zijn borst, buik, onderbuik, dijen, kuiten, voeten steeds op zoek naar emotie, pijn, angst, ergernis, trots – maar voelde niets. Het was zoals het was. Niet eens teleurgesteld keerde hij terug naar zijn buik, nog altijd zijn ogen gesloten.

Hij voelde hoe er iemand naast hem kwam zitten maar besloot met zijn ogen stijf dicht er geen aandacht aan te besteden. Dat lukte nauwelijks want de persoon naast hem was glashelder in haar bedoelingen.

“Waarom liet u mij struikelen?”, klonk het veel te dicht bij zijn linker mediterende oor. De explosie van de stem rolde irritant door zijn gehoorgang, langs trommelvlies, over hamer naar stijgbeugel, over aambeeld, langs slakkenhuis en buis van Eustachius zijn hersens binnen die direct signalen stuurden naar zijn geconcentreerde Zijn dat er een serieuze aanval plaatsvond. Met intense tegenzin gaf hij in slow motion toe en kwam langzaam bovendrijven. Zijn rechteroog nog even gesloten opende hij het linker en draaide het zo voorzichtig mogelijk naar de stem naast hem.

“Waarom liet je mij struikelen, lul?”, klonk het opnieuw, dringender, kwader. Ze blies sigarettenrook uit. God wat had hij de pest aan rokers sinds hij was gestopt. Ze rookte. What the fuck? Het maakte hem eigenlijk geen donder uit. Hij wist het niet en bedacht dat hij dat net zo goed kon zeggen ook al zou ze het direct uitleggen als een bekentenis.
“Ik weet het niet,” zei hij dus eenvoudig en wilde zijn ogen weer sluiten om nog verder na te genieten.
“Klootzak,” klonk het naast hem zonder veel stemverheffing, ze drukte intussen de sigaret uit op zijn linkerhand stond op en liep simpel weg terwijl het leek of het vlees van zijn hand zachtjes siste.

Hij had natuurlijk van alles kunnen doen – hele scenario’s vlogen door zijn hoofd alsof hij aan het eind van zijn leven was – maar hij besloot geen krimp te geven. De pijn was fel en bleef lang echoën hij bedacht dat dit niet meer was dan het bijkomende effect van zijn daad die hij ook zonder emotie had uitgevoerd dus was het wel zo consequent om dit aspect niet toe te laten tot zijn zenuwstelsel. Iemand had haar sigaret uitgedrukt op zijn hand. Iemand die hij kort daarvoor had laten struikelen. Omdat het moest.

Hij was meer dan tevreden over de daad. Met je kop in de wind weet je dat je leeft – is er geen wind dan veroorzaak je die zelf construeerde hij zijn rechtvaardiging. Hij bleef nog even zitten.

Het begon voorzichtig te regenen. Bijna dankbaar strekte hij zijn linkerhand uit – niet te ver – en liet de regen de as van de wond spoelen. Hoe welkom kon water zijn. Ten slotte stond hij op, liep met verende passen naar zijn fiets en peddelde op huis aan met een energie die hij lang niet meer had gevoeld zijn maag in de knoop alsof hij voor het eerst verliefd was zijn hersens in de hoogste versnelling alsof hij nog voor middernacht een compleet concept moest hebben uitgedacht zijn lippen in een glimlach die zelden zijn gezicht had gesierd. Boeddha zou jaloers zijn.

Hou het vast – ging het door hem heen. Hou dat vast. Hier gaat het om. Niet het daar en straks. Niet het ooit en toen. Nee, het Hier en het Nu. May I have your votes please?

 

 

5 september: laatste foto ‘Aan het Water’, teken nú in op het boek!


Nr. 365. Voor een keer een tekst van een ander. Omdat het de laatste keer is. Omdat het 365 mooie momenten waren. Omdat er zoveel te leren valt. Van het water. Van elkaar. “Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen; van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toestreven; zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.” Martin Buber, ‘De weg van de mens’.

Nr. 365. Voor een keer een tekst van een ander. Omdat het de laatste keer is. Omdat het 365 mooie momenten waren. Omdat er zoveel te leren valt. Van het water. Van elkaar: “Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen; van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toestreven; zichzelf zijn, maar niet met zichzelf bezig zijn.” Martin Buber, ‘De weg van de mens’.

Het is vorig jaar, eind augustus. Ik loop een beetje met mijn hond Bob en mijn ziel onder mijn arm. We wandelen als altijd naar het uiterste randje van de rechterpier aan de uitloophaven in het Gooimeer. Die dag besluit ik om hier een jaar lang elke dag een foto te maken. En bij elke foto een onderschrift te bedenken – ter plekke. En vervolgens foto en bijschrift via de social media te publiceren. Wellicht herken je deze foto’s van Facebook en/of Twitter.

Ik heb dit project 365 dagen volgehouden. 365 foto’s. 365 teksten – 740 pagina’s drukwerk! Op 5 september 2014 maak ik de laatste foto. Momenteel bekijk ik de mogelijkheid om er een boek van te maken – op veler verzoek. Hieronder zie je enkele voorbeelden en de eerste aanzet voor de omslag en het binnenwerk, van de hand van Reinoud van Hasselt – vormgever met groot kunstboekgevoel.

Met jouw hulp kan ik het boek uitgeven in eigen beheer. Als het me lukt om er minimaal 500 van te verkopen, kan ik de prijs onder de € 30,- houden, namelijk € 27,50. 

Als je nu intekent betaal je € 25,- ipv € 27,50. Bestel je meer dan 10 exemplaren dan komt daarover nog een extra aanbieding. Let op: je maakt dus nog geen geld over. Je stuurt alleen een mail met je bestelling en hoeveel je er wilt afnemen. Dat mailtje is wel bindend uiteraard.

Ook leuk: vanaf eind maart 2015 is er een expositie te zien van alle foto’s in het Huizer Museum.

Doe mee en krijg een plek in het boek.
Als het allemaal lukt, heb je hiermee het leukste Sinterklaas- en/of Kerstcadeau te pakken. Bovendien neem ik, als je intekent, je naam op in de ‘Pages of Fame’. Bekijk de foto’s hieronder en stuur dadelijk nog je bevestiging naar mij: hanvanwel@kpnmail.nl

 

Nu vertraagt het water tot de lome hartslag van een groot lichaam in rust. Het deint massief machtig massaal. Het schildert portretten uit licht. Leven en ziel ineen. Levens en zielen. De weg van de mens.

Nu vertraagt het water tot de lome hartslag van een groot lichaam in rust. Het deint massief machtig massaal. Het schildert portretten uit licht. Leven en ziel ineen. Levens en zielen. De weg van de mens.

Raar toch dat sommige mensen nietsdoen gelijkschakelen aan onproduktief zijn. Terwijl je uiterst productief bent als je 'niks doet'. Vanochtend zit er op dit plekje eindelijk iemand te staren. Ik ben trots op hem, maar zeg niets. Hij rookt zwijgend achter zijn zonnebril. Als de sigaret op is, stapt hij op zijn fiets en rijdt behoorlijk nietsdoend weg. We groeten elkaar niets.

Raar toch dat sommige mensen nietsdoen gelijkschakelen aan onproduktief zijn. Terwijl je uiterst productief bent als je ‘niks doet’. Vanochtend zit er op dit plekje eindelijk iemand te staren. Ik ben trots op hem, maar zeg niets. Hij rookt zwijgend achter zijn zonnebril. Als de sigaret op is, stapt hij op zijn fiets en rijdt behoorlijk nietsdoend weg. We groeten elkaar niets.

 

 

Aan de rand van het water. Aan de rand van het licht. Aan de rand van de wolken. Aan de horizon. Aan de dag die begint in flarden verwaaide wolken en vrijkomend blauw. Aan de verte. Aan mijn hond die met mij spelen wil aan de rand van de dag en het water. 'Kom Bob, we gaan!'

Aan de rand van het water. Aan de rand van het licht. Aan de rand van de wolken. Aan de horizon. Aan de dag die begint in flarden verwaaide wolken en vrijkomend blauw. Aan de verte. Aan mijn hond die met mij spelen wil aan de rand van de dag en het water. ‘Kom Bob, we gaan!’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

voorbeeld binnenwerk boek

 

omslag schets2 kopie 2