2020. Voornemens? Krieltjes!


Terwijl op de magnetron een onaangetast pak krieltjes dd 5.6.19 schreeuwt om actie en minstens aandacht anno 3.1.20 denk ik aan al die vorige jaarwisselingen vol voornemens. Goede voornemens. Halfslachtige voornemens. Schijnvoornemens. Wat al niet. Deze jaarwisseling besefte ik: ik heb ze niet, ik wil ze niet eens, ik kan ze niet hebben. Pfff, wat een opluchting. Ik sta mijzelf toe net zo niet voornemend te zijn in het komende jaar als in het vorige. Ik hoef mezelf niet een nieuwe liefde te beloven, vrijwilligerswerk, culturele uitstapjes, vrienden, vriendinnen, teksten, gedichten, krielaardappeltjes – niks van dat al. Wat een rust. Ongelooflijk. Nog fijner: gewoon doorgaan met slechte of schadelijke dingen doen. Gezonder leven? Echt niet. Alcoholvrije dranken? Wat? Ja, dat. Wie heeft dat ooit bedacht? Ik drink wijn om lekker in mijn bejaardenroes te komen. Bij alcoholvrije wijn wordt de alcohol uit de wijn verwijderd, is de belofte. Je moet wel erg van bacchus los zijn om zoiets te bedenken, laat staan aan te prijzen. Getver.

Er gaat niets boven slechte dingen doen, zolang je je er maar goed bij voelt en je gal niet overstroomt, je nieren blije eikels blijven en je alvleesklier niet verschrompelt als dat pak krieltjes over de datum. 

Waarom ik ze ‘dus’ niet weggooi heeft ook geen reden. Zolang ze er nog liggen kan ik blijven geloven in de kinderachtige belofte dat ik ondanks alles ook weleens iets gezonds doe. Want diep in mijn hartje geloof ik heus wel in de gezondheid der dingen. Het is alleen net zo als de schildering in de Sixtijnse kapel: de ene hand kan reiken wat hij wil maar hij zal nooit de andere toegestoken hand kunnen pakken. Drama. En dat al eeuwenlang. In mijn eeuwenoude ziel ontrolt zich hetzelfde bevroren perspectief: goede voornemens halen hun doel allang niet meer. En dat is goed. Voor mij.

Mijn behoorlijk zelfredzame montessori-hond kijkt mij droefgeestig aan. Hij kijkt bijna altijd zo. Droevig. Hulpeloos. Lief met zijn diepbruine ogen. Dagelijks maken we buiten in het bos beurtelings keuzes over het pad dat wij kiezen. We hebben het eerlijk verdeeld. Om de beurt mogen we zeggen of we linksaf, rechtsaf of rechtdoor willen. Nooit terug want een hond dient altijd vooruit te gaan. Het leidt zelden tot conflicten. Mijn hond en ik houden vreselijk van elkaar. Over mijn hond als goed voornemen hoef ik niet na te denken. Mijn hond is. Jaar in jaar uit. Mijn hond voor wie ik een koffer vol koosnaampjes heb, noemt mij nooit bij mijn naam in conctact met andere honden, maar liefkozend en schamper tegelijk ‘mijn eten’ en dat verklaart alles. “Ik moet gaan want Mijn Eten wordt ongeduldig.” En “Ik moet zorgen dat ik Mijn Eten niet uit het oog verlies.” Of “Mijn Eten roept, later.” 

We hebben een liefdevolle, wederzijdse schijnafhankelijkheid die nu al zeven jaar duurt. En dat gaat best ver. Zo wachten we op elkaar als een van ons een ‘taart bakt’ (term is van zijn lieve tante die hem een paar keer per week uitlaat) en houden we ervan om lepeltje-lepeltje in en op bed te liggen. Hij op, ik in – dat dan weer wel. Zo sleept mijn hond mij het helemaal niet nieuwe jaar in waarin alles bij het oude blijft en helemaal niks verandert, hooguit verschrompelt– zie krieltjes. Het is wat het is. 

Afgetopt (5) Hoe ik mijn depressie vierde met een familieopstelling


De dood is in slaap gevallen. Aan het begin van de familieopstelling stond hij nog stoer en onaantastbaar in het centrum. Dat hij ten slotte in slaap viel, maakt mij blij want de afgelopen twintig jaar danste hij voortdurend om mij heen in steeds engere kringen. Zo zelfs dat ik er rekening mee hield dat op korte termijn ikzelf zijn hand op mijn schouders zou voelen. 

Terugkijkend op die familieopstelling zie ik nu dat ik alle familieleden in mijn ‘systeem’ in de ruimte had geplaatst ten opzichte van de dood: mijn overleden ouders en zus, mijn overleden zoon – ze waren opgesteld volgens het patroon zoals ik dat aanvoelde. Tijdens de opstelling ontwikkelde zich een nieuw patroon (of ‘systeem’) waarbij mijn zus en mijn zoon in een stabielere omgeving kwamen te staan en, zoals gezegd, de dood zijn activiteiten leek te hebben opgegeven. Dat is bijzonder aangezien bleek dat hij enkele generaties geleden zich al had genesteld in ons familiesysteem via de suïcide van een familielid in de lijn van mijn vader. Tot ieders ontroering sprak dat familielid aan het eind van de opstelling de onnavolgbare woorden: “Het spijt mij. Zo heb ik het nooit bedoeld.” Het leek of dat het sein was voor de dood om in slaap te vallen. Hier kon hij niet tegenop.

Ik was al lang van plan om deel te nemen aan een familieopstelling (zoek op ‘Hellinger’ en ‘systeemopstellingen’ en je vindt uitgebreide toelichtingen op dit zeer bijzondere fenomeen waarbij langs intuïtieve weg patronen in bijvoorbeeld familieverbanden zichtbaar worden en kunnen worden aangepast – vaak met bijzondere resultaten). Ik had er veel over gelezen en er ook wat mee geëxperimenteerd bij enkele organisaties. Want uiteraard doen zich ook daar onwrikbare patronen voor die voor verandering in aanmerking komen. 

Werken met familieopstellingen is het blootleggen van kwetsbaarheden en emoties en hoe depressiever ik werd, des kwetsbaarder en emotioneler ik mij voelde. Het mooie van deze techniek is dat de aangever, in dit geval ik, niet als deelnemer in de opstelling aanwezig is. Ik was letterlijk een buitenstaander, observant en mocht hooguit op verzoek van de procesleider iets zeggen.

Na afloop merkte ik dat ik vooral blij was met de nieuwe positie van David, mijn overleden zoon, in het systeem. David was op die fatale ochtend bezig in slaap te vallen toe hij verrast werd door de dood die zijn diabetes als alibi gebruikte. Een nanoseconde moet David beseft hebben dat hij – die midden in het leven stond met zijn 23 jaar – gedwongen was het leven op te geven. Zo is hij vertrokken, woedend en gekwetst. Tijdens de opstelling bewoog hij in enkele stappen naar een positie die evenwichtiger was,waar hij zijn woede als het ware een plek kon geven, die mij op de een of andere manier ook geruststelde. Zo gaat dat als je rouwt, er kunnen geen strohalmen genoeg zijn om je aan vast te klampen. Het gaf mij meer rust dan ik had durven denken. Bij het nagesprek van de opstelling gaf iemand mij het advies om mijn pijn over het verlies voortaan te vertalen in kleur, bijvoorbeeld in mijn tattoos waarvan ik elk jaar op zijn sterfdag een als jaarring op mijn arm laat aanbrengen zodat ik een keer per jaar de fysieke pijn opnieuw voel. Dit jaar heb ik een band van rode rozen laten aanbrengen. Kleur met pijn. Het voelt goed. Het is mijn kind. Het is mijn depressie die ik misschien net zo koester als ik mijn kind koester. Maar dan anders. Het is, ver weg, ook het koesteren van dat stuk in mijzelf dat tegelijk met hem is doodgegaan.


Afgetopt (4): Hoe ik mijn depressie vier met droevig verlangen naar hechting.


Een mens kan op twee manieren omgaan met zijn herinneringen: ze koesteren of ze ontkennen. Af en toe zie je op social media oppervlakkig diepzinnige tegeltjeswijsheden als: “laat het verleden rusten, daaraan kun je toch niks meer veranderen – leef niet in de toekomst want je weet niet wat die brengt, leef in het nu”of “Koester niet het verdriet van de rouw, maar de mooie herinneringen die je met de gestorvene hebt gedeeld.”

Ik vind dat de grootste onzin – zeker wat betreft het verleden. Mijn verleden is vol droevige perioden, mooi in hun lelijkheid. Er zijn momenten dat ik graag daaraan terugdenk, de herinnering aan de pijn die je koestert. 

Op 4 april herdenken we dat onze zoon David, 23 jaar oud, onverwacht overleed. De dagen daarna stroomde ons huis en onze tuin over van tientallen vrienden die binnenkwamen, elkaar omhelsden, op de rug klopten en vervolgens in zwijgen vervielen, terwijl ze krat na krat bier wegdronken. Hun verdriet een mengeling van verbijstering en pijn. Hun pogingen om Davids laatste uren te reconstrueren liepen telkens op niets uit en dat was niet erg zolang ze elkaar maar hadden. En wij hun. 

Elk jaar voel ik die behoefte aan hun aanwezigheid: de troost die daarvan uitgaat komt telkens terug als een herinnering die mij vult met melancholie, blijdschap, verlangen en pijn. Het is het verlangen naar de warmte van de vrienden, de zorg van zoveel anderen. 

Een paar dagen geleden werd er ’s avonds laat op de deur gebonkt. Het lijkt wel een patroon: de afgelopen jaren werd er bij een calamiteit altijd ’s avonds laat gebonkt of gebeld. Nooit overdag. Het is als een sluipmoordenaar die onder dekking van de duisternis toeslaat. Toen David was overleden (vroeg in de morgen) belden er rond middernacht pas twee agenten aan met het slechte nieuws. Bijvoorbeeld.

Nu stond de buurvrouw met haar kinderen voor de deur. In haar armen hield ze mijn amper 1-jarig katje, Tesla. Tesla huilde van angst, pijn en verdriet. Drie van zijn pootjes waren tot op het bot ontveld en naar later bleek waren er meerdere ribben gebroken. Het was vreselijk om te zien. Diezelfde avond nog stond ik bij de dierenarts die maar een diagnose had. Dus aaide ik even later Tesla de dood in. Ons verdriet was groot. Eigenlijk groter dan ik aankon. Natuurlijk gaat het ‘maar’ om een dier en ik had hem nog niet eens een jaar. Maar ik merkte dat ik mij al zo aan hem had gehecht en werkelijk zoveel liefde voor hem voelde stromen als ik nooit voor mogelijk had gehouden. Ik begon het begrip ‘hechting’, ‘gehechtheid’ te ontleden en besefte dat hechting eigenlijk altijd de dimensie ‘kwetsbaarheid’ met zich meebrengt. Ik vraag me af of een mens zonder hechting kan bestaan – is iemand die zich nergens aan hecht gelukkiger dan ieder ander mens die zich bewust of onbewust hecht aan iets. Is hechten een van de kenmerken die een mens een mens maken of ligt het breder en is het een kenmerk van bijna elk levend wezen? In elk geval is het zo dat hechting je altijd overkomt. We staan er machteloos en willoos tegenover. Dat is best onthutsend. De meeste mensen denken dat ze de baas over hun eigen leven zijn. Of willen dat graag. Verrassing! Dat is een illusie. Het leven overkomt je, er valt erg weinig aan te sturen. En dat geldt ook voor hechting. Zo kwetsbaar als ons leven is, zo kwetsbaar zijn we door alles waaraan we gehecht zijn.

Hechting en hechtingstoornissen worden meestal geplaatst in het perspectief van de ouder- kindrelatie. Er bestaat in dat kader ook ‘onveilige’ hechting. Hechting wordt omschreven als … een proces van interactie tussen een kind en een of meer van zijn opvoeders dat leidt tot een duurzame affectieve relatie”.

De Belgische psychiater Dirk De Wachter zegt: ”De mens is gedoemd tot duurzame hechting. Er is een menselijke dwang om een wederhelft te vinden. Waar mensen slecht mee omgaan is dat ongeluk in die hechting onvermijdelijk is. Tegenslag verbindt mensen vaak meer dan vrolijkheid. In het delen van de kleine verdrietigheden toont zich juist de ware liefde. Ons mens-zijn is de verbinding met de ander.”

Ergens anders vind ik de mooie titel van een indertijd gehouden seminar: “Ook sterven moet je leren: hechting en onthechting”. Ik denk erover na en al snel komt er opstandigheid in mij boven (ik ben nou eenmaal graag opstandig zelfs ondanks mijn antidepressiva – dat leg ik in een ander blog nog wel eens uit). Ik besef dat hechting een onbewust, intuïtief proces is. Hechting overkomt je, net als niet-hechting. Het begint met je kind en het ‘eindigt’ met je kat. Maar onthechting is in veel gevallen een rationeel proces dat je meestal wordt opgedrongen door ‘de’ omstandigheden. Je kind sterft en je merkt dat je gehechtheid de verwerking ervan in de weg staat en kan omslaan in veel en diepe pijn. Op dat moment ben je aan het onthechten – rationeel probeer je de dood van je kind te begrijpen, zoals dat heet ‘een plaats te geven’. En of het nu je kind is of je kat, van beiden heb je gehouden, voor beiden heb je liefde gevoeld en nu ben je gedwongen de tegenslag van de dood af te hechten en staat je mens-zijn op de tocht. 

Dat is het ingewikkelde aan dit bestaan: al dan niet bewust wil je hechten in het ver verstopte besef dat er altijd een moment komt van onthechten, van verdriet en pijn. Waarin zich de ware liefde toont. Om je vervolgens opnieuw te hechten –het is immers onze ‘menselijke dwang’. Ik hecht, dus ik ben.

Om gek van te worden.
Teruglezend zie ik dat het woord ‘pijn’ behoorlijk vaak voorkomt in dit blog. Nu schrijf ik mijn blogs bij voorkeur als een lange penseelstreek – intuïtief verhalend, ‘aus einem Guss’. Alleen de grote lijn staat mij voor ogen. Het is ‘dus’ verrassend om te ontdekken dat er een rode draad ontstaat, onbedoeld schilder ik mijn pijn. Eigenlijk precies wat ik wilde maar onbewust toegelaten.

Wordt vervolgd

Afgetopt – leven met antidepressiva.


Hoe ik mijn leven vier met antidepressiva 

Heb ik wat te vieren? Ik weet het niet. Vier ik mijn leven? Ik heb er weinig reden voor, op mijn kind, mijn hond, mijn kat en mijn ex na. Dat is best veel. Maar je kunt niet de hele dag feesten met je kat. Of met je ex. Hoe het komt dat ik niet weet wat ik verder zou moeten vieren? Mijn anti-depressief dieet van elke dag 1 onderdrukkende pil. Nu alweer ruim ander half jaar, en daarvoor ook. Ik kan niet zonder, maar kan ook niet zo goed mét. Mét is het beste van twee kwaden. Mét weet ik zeker dat ik niet naar beneden spiraal. Maar mét weet ik ook dat ik vrijwel nergens toe kom en me zelden over iets opwindt terwijl dat toch en ooit mijn liefste bezigheid was. Ik word dus elke dag emotioneel afgetopt. Nee, ik ben geen zombie – zoals sommige lotgenoten ervaren – maar wel iemand met een verlaagd prikkelniveau. Niet fijn, want zonder prikkels kan een mens niet leven. Er was een tijd, lang geleden, toen ik nog niet depressief was en de prikkels zich bij tientallen aandienden. Misschien wel meer zelfs. Ik kon me makkelijk druk maken over allerlei zaken waar mijn antennes onrecht bespeurden, middelmatigheid, achterbaksheid of overig verraad. Ook kon ik mij vrolijk druk maken over beeldende kunst en schreef daar gedreven recensies over. Je vindt ze terug op deze site. Schrijven is mijn leven, maar meer en meer wás dat het geval. 

Ik denk vaak dat ik over een bepaald onderwerp mijn verontwaardiging van mij af moet schrijven, maar direct daarop vraag ik mij af waarom ik dat nou moet doen, wat het nut is en wie daar nou op zit te wachten. Dan schuif ik mijn laptop van mij af, bedenk dat weinig nu heeft zap zinloos en eindeloos van domme zender naar domme zender, zet de zoveelste koffie, zak prikkelloos in de hoek van mijn bank en blijf hangen bij Idtv waar weer een moord wordt opgelost. Ik vermoed dat dit soort programma’s speciaal worden gemaakt voor mensen als ik. Er gaat amper een prikkel van uit, het is een soort crimineel glijvoer, en je krijgt zelden te maken met een echte analyse van de dader. Dat is trouwens meestal een jaloerse partner die in ‘blinde’ maar goed geregisseerde woede zijn vrouw of vriend kapotslaat, -schiet, of –steekt. Dat je jezelf daarmee voor levenslang de gevangenis inslaat, of zelfs de doodstraf, kan de dader blijkbaar niks schelen zodat de Amerikaanse gevangenissen meer en meer op bejaardentehuizen lijken. 

Het lijkt mij niks om iemand dood te maken. Ik zou het misschien wel kunnen, hoe vaak droom ik er niet van dat ik inbrekers helemaal verrot sla met een van vele hockeysticks die in mijn halletje staan, maar het windt me niet op. Bovendien zou ik in mijn huidige toestand mijn inbreker eerder een kopje thee aanbieden waardoor ik hem ontzettend op het verkeerde been zet en hij vervolgens huilend bekent dat zelfs zijn moeder niet zo lief voor hem is en dat hij ook maar de dupe is van een slechte opvoeding en foute vrienden. Ik geef hem een Kleenex en zeg dat het allemaal wel meevalt en dat hij een goed mens lijkt. Dat had ik dan weer beter niet kunnen zeggen. Mijn inbreker springt op en roept dat hij nergens voor deugt en dat hij door en door slecht is dan pakt hij een van mijn twee donkerblauwe aardappelschilmesjes en snijdt zijn polsen keurig schuin door. Ik pak een emmer om zijn bloed op de vangen en zie hem langzaam uittreden. Ik laat hem zijn gang gaan – het is zijn keuze. 

Een ander scenario is puur Reviaans. Ik val als een blok voor mijn inbreker: een lieve slanke jongen met elegante handen en de mooiste bruine ogen. Terwijl hij snikkend vertelt van alle gebeurtenissen die hem op het verkeerde pad hebben gebracht streel ik zijn handen en fantaseer hoe het is om zijn Geheime Opening te vullen met een van mijn weinige lichaamsdelen die zich onttrekken aan mijn depressiviteit en hoe ik sabbel op zijn mooie oortjes en er lieve teksten in fluister terwijl hij zich schokkend overgeeft aan mijn zoekende hand die zijn Roede voorzichtig maar vastbesloten omhelst. Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten en vergeef mijn zondaar die nu trillend zijn Zaad de vrije loop laat en zich zacht tegen mij aanvlijt. Heerlijk. Van je inbreker moet je het hebben.

Op dat moment besef ik dat die antidepressieva toch nog ergens goed voor zijn. Ik raak nergens van in de war. Ook houd ik geen ptss over aan deze gebeurtenis. Ach, hoe merkwaardig kunnen de dingen toch gaan. Het lijkt wel of ik iets te vieren heb.

Wordt vervolgd

Euthanasiepraat: recht op leven, dan ook op sterven?


(beetje lang blog, sorry)
Ergens in het midden van de jaren ’60 van de vorige eeuw kwam een tijdschrift uit met een bijzondere cover. Afgebeeld was een smeedijzeren balkonnetje waarop zij aan zij twee doodskisten zaten als mensen op een stoel. Uitkijkend (tevreden?) over de straat beneden. Die cover diende als illustratie bij het hoofdartikel dat ging over de Nederlandse opvattingen over euthanasie op dat moment en vooral over die opvattingen een kleine eeuw later. In die visie bleek rond deze tijd zo’n beetje de hele Benelux een internationaal euthanasie-walhalla. Het artikel veroorzaakte enige opwinding en verdween vervolgens in de vergetelheid. Jammer genoeg weet ik niet meer om welk tijdschrift het ging – dus wie het weet mag het zeggen. (in elk geval niet Ons Erfdeel of Bres Planète).

Ondraaglijk lijden: vertrouw geen deskundige
Deze herinnering kwam bij mij op een paar weken geleden toen euthanasie weer eens in het middelpunt van de aandacht stond. De discussie over euthanasie is goed en naar mijn mening ook terecht: meer en meer mensen willen zelf de baas over hun leven en dood zijn. Officieel is er de euthanasiewet die tot in detail voorschrijft wanneer, door wie en zelfs hoe euthanasie te regelen valt. Maar zo simpel is het niet. Want er vallen veel mensen buiten het schip die wel euthanasie willen maar die volgens de wet niet ‘ondraaglijk lijden’. Ik vraag mij af wie beter dan de vrager zelf kan weten of hij ondraaglijk lijdt, maar goed. 

We hebben alle ‘vrijheid’ om te leven zoals we zelf willen, maar niet om te sterven zoals we zelf willen. Zo wordt leven een rare plicht.  Dus wat betekent het recht om in vrijheid te leven als we niet vrij zijn om baas in eigen leven te zijn? 
Nu er zelfs onderzoek is verricht naar de wel of niet bestaande  stervenswens van 50-plussers, zou je zeggen dat daarmee er ook aandacht komt voor het zelfstandige recht om een vrijwillege dood te kiezen. Maar hier trapt de overheid en de maatschappij keihard op de rem.

Lééf
Voor de meeste religies en overheden is het leven een kostbaar goed dat we moeten koesteren, beschermen en zeker niet ter discussie mogen stellen. Leven, sexualiteit, medische zorg: alles staat in het teken van het in stand houden van de soort. En waar vroeger dat voorbestaan werd beschermd met bijvoorbeeld teksten als ‘het gezin is de hoeksteen…’, zijn er nu wetten die de plicht voorschrijven dat het leven zo lang mogelijk geleefd dient te worden. Je krijgt als het ware bij je geboorte, nog voor je instaat bent om je te realiseren wat en wie je ben, een contract onder je neus waarin je belooft je leven pas op te geven als het universum het tijd vindt dat je ophoudt te bestaan. In je puberteit realiseer je je ineens met een schok dat je nooit om dit leven hebt gevraagd, maar verder kom je meestal niet. 

Leven is dus een recht maar infeite een plicht. Die ‘plicht’ wordt door de medische wetenschap steeds verder opgerekt. Immers, (over)lijden moet tot in het absurde worden voorkomen, ook al kost dat vermogens. We staan er amper bij stil en zijn zelfs zo daaraan gewend dat we al die medische, psychische en sociale levensrekkende activiteiten logisch vinden. Pas als het echt, echt, echt niet anders kan, het fameuze ‘ondraaglijk lijden’, mag de iemand geëuthanaseerd worden. Het paradoxale van dat alles is dat de grondwet het recht op zelfbeschikking erkent: binnen de wettelijke grenzen mag iedereen zijn leven naar eigen inzicht inrichten (opluchting). Volgens sommigen kun je die regel dus ook zo interpreteren dat iedereen de vrijheid heeft om te beslissen over het einde van dat leven. Ook mensen (ouderen, maar waarom alleen zij?) die hun leven als voltooid beschouwen. Helaas. Gefopt. En dus niet door iemand in het bijzonder, nu even geen zakkenvuller in Den Haag, maar door een groot deel van de samenleving. Wie morrelt aan het leven mag al gauw rekenen op verontwaardiging, onbegrip en rioollucht op social media. 

Doe het zelf-euthanasie
Leven is een te vuur en te zwaard verdedigde (wettelijke) plicht met een sterk economisch gedreven grondslag die wordt verkocht onder het mom van vrijheid. 
Intussen trekken andere cijfers over euthanasie (bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden met behulp van via het Darkweb verkregen ‘medicijn’) een lange neus naar de wetgever. Tegelijk tonen ze vooral aan dat alle gedoe rond de euthanasiewetgeving eigenlijk een achterhoedegevecht is: volgens het CBS lag het aantal zelfdodingen in 2001 op 1473  en in 2018 op 1829. Dat waren dus stuk voor stuk mensen die om welke reden ook besloten het leven in eigen hand te nemen. Ongeacht wat de wetgever, familie of bekenden daarover dachten. Het gaat me niet om het verdedigen van zelfdoding op zich, ik ken de gruwelijke impact daarvan op families en familisystemen. 
In zo’n 18 jaar tijd blijkt dat het aantal zelfdodingen met zeker is 400 toegenomen en die groei stopt niet. Het aantal verkeersdoden kan geholpen afnemen, bij zelfdodingen speelt een ander mechanisme dat zich meer en meer onttrekt aan de maatschappelijke norm of dwang. In deze tijd van individualisering verbaast dat eigenlijk niet. De wetgever kan zich nog zo opwerpen als de hoeder van de (stervens)moraal, een redelijk grote groep mensen heeft zichzelf  daaraan onafhankelijk verklaard en de deur verder open gezet naar werkelijke zelfbeschiking en individuele vrijheid.

Leven als plicht
Met andere woorden, het huidige zelfbeschikkings‘recht’ is krom. Het is een recht waarmee je niks kunt: zodra je langs de offciële weg aankondigt dat je levensmoe bent en naar jouw normen ondraaglijk lijdt– word je keihard terug gefloten en ingekapseld in een kring van hulpverleners die op allerlei manieren aan het werk gaan om jouw euthanasiewens te deprogrammeren. Zo ongeveer als kwaadaardige cellen in een lichaam worden ingekapseld en bestreden door goedaardige.

Wat mag, kan dus niet. Leven is een plicht die de dood niet erkent. Diep in het systeem van onze soort zit de dwangmatige drang tot voortplanten en (over)leven. Het is overleven in extremisom de soort in stand te houden. De dood helpt daaraan actief mee. Want de angst voor de dood houdt veel mensen tegen om het leven los te laten.  
Gelukkig zijn er meer en meer mensen hun eigen euthanasie regisseren: onafhankelijk, als lid van een vereniging voor levensbeëindiging of via een levenskliniek – waar dan overigens nog altijd aan erg veel normen moet worden voldaan. Zij zijn het zat om regels opgelegd te krijgen over het inrichten van het grootste goed in ieders bestaan: het volledige bezit van je eigen leven. Onlangs verscheen een indrukwekkende en tegelijk verbitterde rouwadvertentie, geschreven door de afzender die daarna euthanasie pleegde, waarin zij vertelt over haar ondraaglijk lijden dat niet erkend werd (zij leed aan het leven door alles wat haar vader haar in haar jeugd had aangedaan), waardoor zij zich gedwongen voelde om het recht in eigen hand te nemen. En met het Dark Web is dat tegenwoordig niet erg ingewikkeld.

Tromp
Waaruit in elk geval blijkt dat je als hulpvrager totaal afhankelijk bent van de morele opvattingen van je hulpverlener die per definitie nooit helemaal in jouw huid en ziel kan kruipen. Er zijn maar weinig onderwerpen die zo tot in het absurde worden beschermd door ‘de’ instanties dan de euthanasie. Een van de schrijnendste gevallen wat dat betreft is het drama in Tuitjehorn, waar alle betrokken instanties zich lieten kennen als blinde verdedigers van de euthanasiemoraal. En zelfs bereid waren om de werkelijkheid naar hun hand te zetten. Hoezo transparante overheid. Dagelijks zien we bewijzen van de arrogantie van de macht die zijn tentakels uitstrekt tot ons eigen leven en die volstrekt integere mensen als huisarts Nico Tromp de dood indrijft. Een soort euthanasie met terugwerkende kracht.. 

We zijn er bijna, zijn we er bijna?
Dit is de vraag die voor mij overblijft: waarom verklaren ‘we’ het leven heilig? Beschermen het – vaak tegen beter weten in. Waarom gijzelen wij anderen met hun leven? Is het ethiek, angst, religieus relict? Ik vind het zo dubbel. Waarom beschermen we hier iemands leven tot in het absurde, terwijl we (uit levensbehoud?) in oorlogen of conflicten volkomen legitiem de ‘vijand’ doden – zonder hem, bij wijze van spreken, eerst een euthanasieformulier te laten invullen. Blijkbaar is een mensenleven in tijden van oorlog minder waard dan in vredestijd. Inconsequente, liegende zoogdieren. Dat zjin we. Het is een wonder dat we nog leven.

Intussen lees ik in een bericht over euthanasie-aanpassingen in Duitsland dat wij naar Duitse maatstaven allang dat euthanasie-walhalla zijn dat midden jaren ’60 nog gold als visioen. Dat dan weer wel. 

De octopus van Pieter de Hooch (1629 – ca 1684)


We wilden naar de Prinsenhof, Delft, met de trein vanuit Amsterdam om Pieter de Hooch te bekijken. Maar vlak voor Leiden stopte de trein: er was een ‘springer’ vlak na Leiden. Zo heet dat dus, nare term. Omdat de springer eerst van het spoor geschraapt moest worden besloten we in Leiden in de Lakenhal te kijken naar de ‘Jonge Rembrandt’ die door vrijwel alle kranten de hemel werd ingeprezen. En, ja, we konden het ermee eens zijn. Zo jong als hij was en nog duidelijk op zoek naar zijn definitieve vorm was al in de vroegste schetsen en etsen het enorme talent van de meester van licht en donker te zien. Zelfs de ‘simpelste’ etsen toonden geloofwaardige mensen, geraffineerde vergezichten en mooie lichteffecten. Bij het verlaten van de Lakenhal brandden we een kaars voor de springer zonder wie wij nooit hier terecht waren gekomen. Puur zen: wij waren de rimpeling van de steen in de vijver, de wanhopige op het spoor. Wanhoop drijft mensen tot eh…  wanhoop. In de schetsen van Rembrandt valt weinig wanhoop te vinden. Wel talent en gedrevenheid. De gedrevenheid van het Grote Talent dat op uitbarsten staat.

Hoe anders blijkt dat een tiental kilometer verderop, ontdekten we toe wij enkele weken later alsnog springervrij in het Delftse Prinsenhof twee benauwde zalen werk van Pieter de Hooch ontmoetten. Verbazing. Pieter hangt in ongeveer elke collectie van Grote Musea. Hij wordt geroemd om de manier waarop hij het perspectief als het ware uitvond, net als het spel van licht en schaduw. Uit de teksten op de tentoonstelling blijkt dat Pietje de zoon was van een metselaar, net zo’n bescheiden afkomst als de molenaar die Rembrandts vader was. Verder schilderde hij in de eerste jaren van zijn schilderschap vooral genrestukken, scenes met soldaten die je enigszins doen denken aan de stukken van Jan Steen. Het zijn weinig interessante doeken, die van Piet, een beetje plichtmatig werk. Bovendien zien we dat het schilderen van mensen hem maar matig afgaat: amper diepte, lelijke zelfs rare portretten op plichtmatige lijven. 

Spat bij tijdgenoot Jan Steen de levenslust eraf in al zijn proporties, het lukt De Hooch maar niet om te overtuigen met zijn bloedarmoedige modellen. (De Hooch links)

genrestuk Pieter de Hooch
lawaai van jan steen

En wat blijkt: het wordt er in de loop van de jaren niet beter op. De mensen van Pieter kennen weinig proporties (geen enkele vrouw heeft borsten) en hebben op een enkel portret na – namelijk van een opdrachtgever die duidelijk veel geld moet hebben neergeteld – amper levendige gezichten. Het zijn etalagepoppen, en dat is in veel gevallen ook hun bestaansrecht op de schilderijen van Pieter: ze zijn noodzakelijke vormen om de dieptewerking van zijn megalomane perspectieven een (nog) groter effect te geven. Want daar ging het hem blijkbaar om vanaf zeker moment: geen genrestukken meer maar PERSPECTIEF. Met wiskundige precisie metselschildert hij bakstenen tot huizen, tot volmaakte perspectieflijnen – daar moeten talloze 1-harige penselen voor zijn gebruikt. En als er geen bakstenen zijn dan zijn het eindeloze vloeren in geometische vormen. Zou hij het zelf hebben bedacht, wilde hij zijn vader de metselaar eren, was het hem te doen om de uiterste precisie? Ik weet het niet, maar hoe meer ik kijk naar al die binnenplaatsjes en interieurs (bijna allemaal niet bestaand, evenals de kerktoren op de achtergrond), des te benauwder ik het krijg. Ik zie dwangmatigheid, bijna een soort toekomstige reïncarnatie van M.C. Escher (je kunt het slechter treffen). Ik zie iemand die wanhopig (daar heb je het weer) dat ene trucje eindeloos herhaalt en varieert. Zonder dat er wezenlijk iets in verandert. Nou goed, wat al die bakstenen in strakke lijnen en al die dooie etalagepoppen met hun kwaadaardig kijkende kleuters vergoeilijkt, is het werken met licht. Schaduw hier, zon daar. Zo valt een zonnnetje door het venster pardoes op de hand met de brief – een van de meest geslaagde De Hoochjes. 

Het verhaal gaat dat Pieter en Johannes Vermeer elkaar geïnspireerd hebben. Zou best kunnen, zie voorbeeld, maar het tragische is dat Vermeer uiteindelijk meer talent en durf bleek te hebben dan Pieter, die ook in latere jaren amper de moeite nam om zijn talent echt verder te ontwikkelen.

Pieter zijn meisje
het talent van Vermeer

Ook niet later toe hij met zijn gezin naar Amsterdam trok en met zijn stijl nauwelijks grote opdrachtgevers kon vinden. En als hij die al had dan ploeterde hij zich een slag in de rondte: op de personen, op de omgeving, op de kleding, op de vloerkleden en op een hond die er in eerste instantie uitziet als een octopus. Het moet allemaal een wanhopige worsteling zijn geweest (gelukkig reden er nog geen treinen). Onwillekeurig denk ik terug aan de ragfijne etsjes van tijdgenoot Rembrandt die zelfs op vierkante centimeter het leven uit de schaduw van het papier liet spatten. Arme Pieter, zijn vader had hem ongetwijfeld de dwangmatige onwrikbaarheid van de hoek en de lijn bijgebracht als metafoor voor het leven. En zoals elke zoon wilde hij zijn vader minstens evenaren en meestens overtreffen, was het niet in cement dan op schilderslinnen.  Malle Pietje.

We verlaten het architectonisch behoorlijk verrommelde en verwaarloosde Delft waar de muren van de grachten letterlijk uit hun voegen dreigen te vallen en rijden ongehinderd met de trein naar de hoofdstad. De trein waarin de wanden van de compartimenten zijn voorzien van een grote hoeveelheid schuine strepen in felle kleuren. Na alle perspectieflijnen van Pieter de Hooch lijkt het een cynische voortzetting van zijn enorme dwangmatigheid die misschien wel zijn gebrek aan werkelijk talent moest verbloemen.

Afgetopt (3): Hoe ik mijn depressie vierde met hartige ergernissen.



Behalve de plaatsvervangende schaamte die dwars door mijn anti-depressivapantser dendert als ik beelden zie van de tv-serie ‘Flikken’ kan ik mij ongelooflijk opwinden over sommige zoutjes. Nouja, ongelooflijk is niet waar – sinds mijn antidep dieet is er eigenlijk niets meer dat ik ervaar als ongelooflijk, inclusief de bijbehorende emoties.

Maar zoutjes, ja, die zijn al mijn leven lang mijn guilty pleasure. Ik zie mijzelf als  behoorlijk specialist in al die knabbeligheden. Ondanks alles blijf ik kritisch. Zo zul je mij geen zoute knabbels zien kopen bij de Lidl. Zoals wel meer producten daar proef ik de onderhandelingen eraf die de afdeling inkoop van deze supermarkt voert met de leverancier. Het draait steeds om de goedkoopste prijs en om dat te bereiken doet de leverancier concessies aan de kwaliteit. Heus, het is te proeven. Overigens lijden veel supermarkten hieraan. Het zijn allemaal een soort ‘Eurotoppers’ – vreselijk.

Mijn werkelijk grootste marteling op dit gebied is de zaterdagse markt in mijn dorp. Daar strijkt dan de Eekhoorn neer met versgebrande noten. Helaas staat die pal naast mijn favoriete kaaskraam zodat er werkelijk geen ontkomen aan is afgezien van mijn eeuwige tweestrijd bij de kaaskraam: wordt het Stolwijker of Oude Beemster en mijn weekend niet meer stuk kan.

Nu waarom het echt gaat: TUC en Nibb-it. In beide gevallen kan ik terugkijken op een rijk gevuld verleden waarin ik alle gelegenheid heb gehad om zowel op tactiel – als smaakniveau een sterke band met beide producten op te bouwen. Ik herinner mij van lang, lang geleden hoe de TUC’s en Nibb-its dikker waren, daardoor ‘brosser’ en beter aan het verhemelte en de tong klevend als je er een beetje op zoog. Waren Nibb-its erg op hun plaats naast een beugel Grolsch, de TUC’s deden het voortreffelijk naast witte en rode wijn. Ik kan ze nog steeds in mijn smaakherinnering oproepen. Maar tijden veranderen. En TUC’s en Nibb-its helaas ook. Ik herinner me dat TUC op een bepaald moment riep dat er meer TUCjes in een pak zaten inspelend op de meer voor minderbehoefte van de consument. Dolgelukkig was ik desondanks van dit nieuws, tot ik een nieuw pak openmaakte en ontdekte wat er gebeurd was: alle koekjes waren een millimeter of twee dunner gemaakt en daarmee direct een stuk minder bros en prettig in de mond balancerend. Zo dun als ze nu zijn hebben ze meer de loze brosheid van een Mariakaakje dan van een good old TUCje. 

Het zelfde gaat op voor de Nibb-its. Ook hier zijn de ringetjes en de staafjes dunner of smaller geworden waardoor de tongsensatie helemaal verdwenen is. En niemand die er iets van zegt, zelfs de Keuringsdienst van Waarde niet terwijl dit toch een onderwerp van Nationaal belang is. Overigens net als de zogenaamde King Size gezouten pinda’s van AH: moeilijk verkrijgbaar en niet meer zo lekker vet als een aantal jaar geleden. Dit alles geeft te denken en schreeuwt om axie. 

Er is eigenlijk maar een oplossing: doe het niet, trap er niet in, voorkom teleurstelling op teleurstelling en koop alleen bij de bron. Dus kaas op de markt of de objectieve kaaswinkel, notigheden bij de notenkraam en zoutigheden bij de banketbakker. Net zoals je ook geen mosseltjes bij de supermarkt moet kopen maar bij de betere vishandel. Echt, dat scheelt zoveel dat je zelfs in je diepste depressie denkt dat het leven ergens toch de moeite waard moet zijn.

Afgetopt (2): hoe ik mijn depressie vierde met Mannetje Timpetee



“En dan heb ik ook nog dat slaapmiddel (ik noem de naam) waar ik maar niet vanaf kom,” zeg ik.

“Nee,” zegt mijn huisarts. “Dat moet je ook blijven slikken. Ik ken de bijwerking wel. De meeste patiënten die het slikken kijken overdag voortdurend televisie of Netflix en paffen aan een stuk door.”

Er valt een stilte. Ik voel me ernstig betrapt. “Middel en kwaal,” zeg ik. “Precies,” zegt hij. Maar jij was toch gestopt met roken?” “Was, ja,” zeg ik,”een week of vier. Toen besloot ik dat ik er toch weer aan wilde. Ik erger me kapot aan al die verstandige dingen als stoppen met roken, of alleen witte wijn drinken omdat rood niet goed zou zijn voor mijn reumatische artritis. Ik bedoel ik doe al aan afvalscheiding, dat kan ik nog volgen, maar al die andere beperkingen waardoor ik gezonder zou leven vind ik onzin.”

Mijn huisarts kijkt me aan en denkt na. “Ik kan je niks verbieden, maar het gaat wel om de kwaliteit van jouw leven.”

Hij raakt de kern van mijn hernieuwde depressie. Ik ben alweer enige tijd opzoek naar de kwaliteit van mijn leven en kan er eigenlijk geen wijs uit worden. Ik heb al lang geleden besloten dat die kwaliteit niet in mijzelf te zoeken is, maar in mijn band met mijn kind, mijn ex, mijn hond, mijn kat. Verstandige boeken wijzen erop dat ‘geluk’ voor zover dat bestaat, uiteindelijk draait om wat je voor anderen kunt betekenen. Onbaatzuchtigheid, bescheidenheid, empathie, liefde voor de ander is de kern van werkelijk geluk. En verder is geluk altijd een proces en geen eindpunt, al denken veel mensen daar anders over. Ik voel en weet dat al die waarden inderdaad belangrijk zijn en zingevend. Maar van onder de deken van mijn antidepressiva die mij deze dagen nauwelijks lijken te helpen, lijken ze eerder zombies waar mijn hand dwars doorheen gaat in een poging er vat op te krijgen. Het enige dat nog grijpbaar is, is de rouw om mijn andere kind dat bijna vier jaar geleden uit het niets overleed op zijn 23e. Alles wat daarvoor of daarna gebeurde bevindt zich op een ander niveau dat weinig of geen emoties toelaat. Intussen heb ik met de hulp van een verbijsterend mooie familie-opstelling, ontdekt dat mijn familie-systeem behoorlijk in de war was, maar dat er ruimte was om het systeem in zekere zin te herordenen waardoor David, mijn overleden zoon, in een stabielere relatie (want niet meer boos op zijn overlijden – ik weet hoe dit klinkt – ) met het familiesysteem kwam te staan waardoor ik in staat zou moeten zijn om de pijn die ik voel en die ik in tattoo-jaarringen op 4 april laat aanbrengen, verzacht mag worden. Niet langer zwart/wit prikkeldraad of een zaag om mijn pols maar dit jaar rozen in kleur. Mijn kind is dood maar naar het schijnt minder ongelukkig en dat idee moet ik verinnerlijken. Ik doe mijn best. Gisteravond had ik een gesprek met iemand die ik niet zo goed kende en die wist van mijn rouw. Heel invoelend zei zij:”Het houdt nooit op he?” Goedbedoeld, en wat kan je anders zeggen maar voor mij is het een dooddoener (slechte woordspeling) van jewelste. Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Alleen ik en zijn tweede en eerste moeder weten wat het werkelijk betekent, dat ‘het’ nooit ophoudt. ‘Het’ valt niet uit te leggen, laat staan te beleven terwijl het juist daarom schreeuwt. Het is letterlijk een doodlopende weg.

Maar goed, het ging om het vat krijgen op kenmerken als onbaatzuchtigheid, bescheidenheid, empathie, liefde voor de ander – op weg naar geluk en mogelijk zelfs als geneesmiddel voor mijn depressie. Jaja, mooi niet. Want die depressie is als de bekende Black Dog die zijn schaduw over al mijn voornemens werpt en knaagt aan al mijn gewetensvolle inzichtjes. Voor dit moment heb ik de verheven zoektocht naar een oplossing opgegeven. Ik zoek mijn heil in het bedenken van absurditeiten en val familie en vrienden daarmee lastig. Het is een aangename vlucht in mijn fantasie en het helpt in zekere zin mij sociaal overeind te houden. Zo was ik uitgenodigd voor een etentje bij mijn uitgever, zijn vrouw en nog wat vrienden en vroeg ik plompverloren tijdens de eerste gang: “Weet iemand hoe het toch afliep met Mannetje Timpetee”? Een vrij simpele vraag maar niemand in het volwassenen gezelschap wist het antwoord. Dat deed mij goed.

Wordt vervolgd