David en de agenten – 4.4.15, 23.30 u – David vertrekt (9)


Ze stonden er als silhouetten geknipt uit de nacht: twee jonge mannen in politie-uniform compleet met riem waaraan traangas, pistool, walkie talkie. Indrukwekkend door hun donkerblauwe verschijning tegen de zwarte avond. Indrukwekkend door hun serieuze blik. Vastberaden. Een van hen hield een notitieblokje in zijn hand en stelde controlevragen om zeker te weten dat ze aan het juiste adres waren. Ik vroeg wat ze kwamen doen en dacht direct aan David. Het voelde niet goed. Ze wilden binnenkomen want ze hadden een boodschap die je niet aan de deur afhandelt, zeiden ze. 

David was dood vertelden ze toen we binnen aan de tafel zaten: ‘uw zoon is vandaag overleden’. Ik was de twee trappen naar de slaapkamer opgerend om Daniëlle te roepen: “Je moet komen. David is dood.” Had ik het anders kunnen brengen? Na minder dan drie kwartier vertrokken ze. Opdracht volbracht. In drie kwartier tijd waren de politiemannen veranderd van neutrale gezagsdragers tot boodschappers van het slechtst denkbare nieuws. Ze waren aangeslagen, want leeftijdgenoten van David en dan is het overbrengen van zo’n bericht toch anders, zeiden ze. Dat was lief.

Ze waren via de Meldkamer in contact gekomen met  politiebureau Ferdinand Bolstraat, Amsterdam. Die had alle informatie verstrekt: David was rond 18.00 uur door vrienden gevonden in zijn eigen bed, hij was waarschijnlijk eerder op de dag gestorven, zijn lichaam was in beslag genomen, want het is verdacht en vreemd dat een 23-jarige overlijdt. De boodschap sneed door mijn zenuwbanen en verdoofde elke emotie.

Als gevaar recht op je afkomt, zie je het meestal niet. Je merkt het pas op als het te laat is. (Als je het dan nog kunt opmerken.) Je ziet het niet omdat je het niet kent, dus niet herkent. David had de dood niet zien aankomen. Het leven, dát kon hij herkennen als geen ander. Maar de dood, nee, uiteraard had hij geen idee hoe die eruit zag. Ook niet toen hij erdoor in zijn slaap werd overvallen. Het zou zomaar kunnen dat de dood zelf ook geschrokken was van zijn daad. Maar de dood heeft geen moraal.

Ik sloot de deur zacht achter hen en pas op dat moment drong het drama tot ons door. David was al uren dood. Wij hadden deze dag geleefd alsof hij leefde. Wij hadden over hem gepraat zoals zo vaak, ons verheugd op Tweede Paasdag die we bij hem en huisgenoot Philip in de ‘FeBo’ in Amsterdam zouden doorbrengen voor onze eerste Paasbrunch (uiteraard met mierikwortel, ham en ei – hongaarse gewoonte die hij via mij van mijn moeder had geërfd). We hadden erover gesproken hoe fijn het was dat hij de zaterdag ervoor bij de opening van mijn expositie ‘Aan het Water’ was, samen met Daniël.
We… Hij… We… Hij – nooit meer? Wat nooit meer? Hoezo?

CIMG0003

Een week of vier na zijn schitterende begrafenis ontdekten we dat het ons moeite kostte om die eerste week vol emotie, stress, organisatiedrang, terug te halen en vast te houden in al zijn details. We herinnerden ons de agenten en beseften dat zíj de portiers waren naar Davids dood op die 4e april. Zij openden de poort naar die gruwelijke gebeurtenis.  We wilden ze opnieuw spreken en nodigden ze uit om ons te helpen met de reconstructie van die avond.

Het is woensdagmiddag, 20 mei, 15.00 uur. We zitten thuis aan tafel met beide agenten, die we nauwelijks herkennen in het daglicht. Jongens zijn het. De een, die indertijd het woord voerde, heeft geen dienst. In zijn burgerkleren is hij ineens heel gewoon. Hij studeert nog aan de Politie-Academie. Was de 4e april op stage. De ander is nog niet zo lang geleden afgestudeerd aan de P-A. Ook nu doet de stagiair voornamelijk het woord.

Tijdens hun opleiding krijgen ze training met acteurs in het brengen van slecht nieuws, vertelt hij. De avond van de 4e april werken ze voor de tweede keer samen. Rond kwart over elf komt het verzoek van de meldkamer of ze ‘Amsterdam’ willen bellen. Aldus. Ze overleggen of ze deze klus samen oppakken, of dat ze een ervaren collega vragen om de plaats van de stagiair in te nemen. Ze besluiten het als team te doen. Ze vragen informatie op over de bewoners van ons adres. Want je moet wel bij de juiste mensen terechtkomen. Ze besluiten dat de stagiair het woord zal voeren. En stappen in hun auto. Er zijn amper tien minuten verstreken. In de auto nemen ze de gegevens nog een keer door. Ze voelen de spanning toenemen.
“Ja”, zeggen ze, “het was spannend, we wisten niet wie of wat we zouden aantreffen en vooral niet hoe jullie reactie zou worden – het kan van alles zijn, mensen kunnen kalm blijven maar ze kunnen ook bij wijze van spreken met stoelen gaan gooien. Het was maar een korte rit naar uw huis. We belden aan en u deed open. We waren blij dat we u niet uit bed moesten bellen. Het was lastig, moeilijk.”

Ik herinner het me nog. Zoals ze daar stonden. Zoals ik daar stond. Afwachtend, benieuwd maar tegelijk gealarmeerd, want dit is al de derde keer in een paar jaar tijd dat ik op een raar tijdstip met de politie te maken krijg. De eerste keer omdat mijn vader ’s nachts in gevecht met demonen zijn hele slaapkamer aan diggelen had geslagen, wat voor enig burengerucht had gezorgd. (“Is uw vader wel vaker in-adequaat?” vroeg de politieman door de telefoon.) De tweede keer omdat David op zijn scooter met een vriend achterop ’s nachts tegen de richting in had gereden en prompt werd geschept door een auto die van rechts kwam. En dan nu de derde keer. Scheepsrecht – niemand heeft me ooit verteld dat de derde keer de dood tot gevolg heeft.

“Hoe vonden jullie onze reactie,” vragen wij. “Gelukkig werden er geen stoelen gesmeten,” antwoordt de stagiair vriendelijk. “Jullie waren kalm. Ik herinner me dat u (hij kijkt Daniëlle aan) emotioneler was dan u (kijkt mij aan, onderzoekend).” Ik voel me geroepen om te vertellen wat er in mij omging. Het was de verdoving van ongeloof. Dat gold voor ons allebei. Hun bezoek, de boodschap die ze brachten was zo verpletterend dat het onmogelijk was om er een emotie aan te verbinden, vertel ik.
Ze knikken. Ze hebben geleerd dat dat kan gebeuren. “We vinden dat jullie het heel erg goed gedaan hebben, die avond,” zeg ik. “Jullie bleven kalm, je nam je tijd.” Ik zeg niet erbij dat zij tegelijk voor altijd het keerpunt in ons bestaan blijven. Ik voel tranen achter mijn ogen branden.  4 april, 23.30 uur komt weer levendig terug. Maar vanuit een ander besef. We kunnen Davids dood nu niet meer ontkennen, zoals we die eerste momenten wel deden. Dit is de realiteit. En we hebben er zelf om gevraagd.

We vertellen over de begrafenis. Over de kist met David in de dispuutskelder aan de Oude Zijds, over de tocht door de grachten en de Amstel naar Zorgvlied met 7 boten. We laten ze de rouwkaart zien en de dankkaart. Aandachtig lezen ze de tekst. Voor het eerst zien ze een foto van David. Ze kijken er lang naar.  Ze zien een leeftijdgenoot met een brede grijns op zijn gezicht – midden in het leven.
Ze luisteren naar ons verhaal. Aandachtig. Ze stellen geen vragen. Wat moeten ze ook vragen? Wat we aan elkaar vertellen zijn antwoorden op niet-gestelde vragen.
“Hoe voelde het na afloop? Toen jullie weer terugreden?” vraagt Daniëlle. “We waren opgelucht. Het was meegevallen. De spanning viel van ons af.” Terug op Bureau Naarden waren ze direct aan de slag gegaan om een team te formeren dat naar Davids moeder zou gaan. Ze besloten dat in elk geval een vrouwelijke collega mee moest. Zelf bleven ze op het bureau. Hun chef ving ze op, haalde koffie en liet ze hun verhaal vertellen.
“Dat was de nazorg?” wil Daniëlle weten. “Ja, dat was het,” zeggen ze.
Zo kan dat dus gaan. Ze lijken er niet mee te zitten. Wij wel want wij interpreteren vanuit onze eigen situatie. Ik herinner me een prachtige reclamecampagne van lang geleden met de kopregel: “Is er koffie na de dood?”

Dan zijn we klaar. Zij zijn – opnieuw – opgelucht. We nemen afscheid als goede vrienden en blijven aangeslagen achter. De dagen daarna vallen we terug in de emotie van toen. Dit was geen vrijblijvend gesprek. Het was te essentieel. Het ging over teveel. Nu pas beseffen we wat we die 4 april, 23.30 uur hebben gehoord. Er valt niets meer te ontkennen. David is dood. Definitief. Ik kan die agenten helemaal niks kwalijk nemen.

1518020_1386295468367642_983730895440094195_n

David Travolta

 

 

Advertenties

Over hanvanwel
Alles voor de kunst. De kunst van het kijken, schilderen, schrijven, creëren, genieten, bedenken en maken. De kunst van het je eeuwig verbazen. Maar ook de kunst van het rouwen.

One Response to David en de agenten – 4.4.15, 23.30 u – David vertrekt (9)

  1. al says:

    De tranen branden – mogen ze naar buiten?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: