David ‘close to the bone’ 1 – David vertrekt (18)


Vooraf heb ik gezegd dat ik de pijn die ik mogelijk voel, zal koesteren en vertalen als de pijn van het
verlies van mijn kind. Op het moment dat Schiffmacher mijn huid straktrekt tussen zijn zwarte gelatexde vingers en hij de trillende, ronkende naald op en in mijn huid duwt, weet ik dat ik aardig wat zal vertalen. We hebben besloten om de tattoo aan te brengen op de linkerkant van mijn borst. Schuin boven mijn hart. ‘Closest to the bone, sweeter is the meat’ mompelt Schiffmacher, en ramt de naald secuur stuiterend over een van mijn ribben. Ik houd mijn adem in: dan is die idiote pijn nog enigszins draagbaar.

Rouwarbeid draait altijd om herinneren als compensatie voor verlies. Je kunt ook weinig anders. Als een leven stopt, komt er een eind aan elke handeling die nog had kunnen, of had moeten, plaatsvinden. Dat maakt verlies zo ondraaglijk en niet te vatten. De dood snijdt elke band en elk verband genadeloos door. Er blijft weinig anders over dan keer op keer het verleden te reconstrueren, hopelijk nieuwe verbanden te ontdekken, te verdwijnen in het verdriet dat het herinneren opwekt en metaforen te bedenken die je hopeloosheid illustreren. Iemand die ook aan de rouwarbeid is, schreef me: “Het is of je een steile trap oploopt, die maar geen einde lijkt te hebben. Je loopt maar en je loopt en het lijkt maar geen einde te hebben.” Anderen vouwen 1000 kraanvogels uit flinterdunne origamivelletjes ter nagedachtenis aan overledenen, geïnspireerd op een Japanse legende die vertelt dat je vervolgens een wens mag doen als je klaar bent met vouwen (MH17: Het verdriet van Nederland – documentaire van Michiel van Erp).
Omdat er niets anders te doen valt, groeit het herinneren in kracht, in belangrijkheid. Dagen, soms weken en maanden achter elkaar zijn we hard aan het werk om elke herinnering aan David uit te diepen, betekenis te geven, desnoods op te schrijven om hem maar niet kwijt te raken. We koesteren onze herinneringen. Klauwen onze nagels achter het triviaalste beeld. Het maakt niet uit. We weten misschien wel beter maar we kunnen niet anders.

Hoe slechter ons geheugen, des te kwetsbaarder de herinnering. Niet zonder reden laten nabestaanden een portret schilderen van de overledene, of bedenken een kunstwerk dat bijvoorbeeld een plaats krijgt in een plantsoen. We stellen een daad om de herinnering ‘levend’ te houden, als subsituut voor het (abrupt) afgebroken bestaan van iemand. Om het verlies te compenseren. Om ‘nooit te vergeten’. Maar de daad staat altijd in de schaduw van de gebeurtenis zelf – is vooral een uiting van onmacht. Tegenover de dood sta je ook machteloos, elk protest daartegen benadrukt dat feilloos.
De mensheid gaat daarin trouwens behoorlijk ver. Er hoeft maar ergens iemand een beetje zinloos in elkaar geslagen te worden, of er wordt op de plaats delict een tegel met een lieveheersbeestje in de stoep gelegd. En een mars gehouden. Zelf vind ik dat ook behoorlijk zinloos, maar er zijn genoeg mensen die zo’n mini-monument nodig hebben: ‘om nooit te vergeten’ en om lucht te geven aan hun collectieve verontwaardiging. Maar we vergeten zo snel. Alles wat ons overkomt, kunnen we ook niet onthouden. Onze herinnering selectief als ons geheugen. Bovendien is al dat ge-herinner generatiegebonden. En dat is goed. Maar tegelijk jammer. David ligt begraven op een van de mooiste begraafplaatsen die ik ken. Omgeven met graven van mensen die in hun tijd bekend, zo niet beroemd waren: schrijvers, schilders, musici, academici. Niet eens hun namen maken nog herinneringen wakker. Over een aantal jaren zal het met David niet anders zijn. Maar nu nog niet. Niet zolang ik leef. Of zijn broer. Of zijn stiefmoeder.

Mijn kind is dood. En dat wil ik niet: verzet in allerlei vormen hoort bij rouwarbeid. Vandaag gaat mijn rouw niet over wat ik voel of vind. Het gaat over het besef dat een leven is geëindigd dat niet had mogen eindigen. Niet kon eindigen. Niet klaar was om te eindigen. Want er was nog zoveel te doen in dat leven, dat nog maar net was begonnen. Het gaat dus niet om mij, het mag niet over mij gaan. Ik doe er niet toe. David doet ertoe. David moet, wilde, kon nog zoveel. Hoe kan het dan dat plotseling niet meer moet, wil, kan? Hoe kan het dat ik het niet voelde aankomen? De gedachte dat ik sliep op het moment dat hij overleed. En ik daarvan niets merkte. De gedachte dat hij uren en uren op zijn bed lag, weerloos voorover op zijn bed en kussen. En ik dat niet voelde. De gedachte dat ik die hele dag alles deed, mensen sprak, met mijn kop in de zon zat en dacht dat het leven helemaal goed was. Terwijl mijn kind zielloos eenzaam in zijn Amsterdamse kamer lag. Onopgemerkt tot ruim 12 uur na zijn overlijden. Hoe onverdraaglijk kan iets zijn?
Ik moet iets bedenken waardoor ik hem zo dicht mogelijk bij mij houd. Dat mijn verzet vormgeeft. Dichterbij dan mijn krakkemikkige geheugen toestaat. Voor altijd. Letterlijk aan mij gebonden. Wat mede uit mij voortkwam, eis ik terug in een krachtig symbool. Kinderlijk letterlijk misschien, maar als je het hebt over het verwerken van verlies maakt dat helemaal niets uit. In rouwarbeid is alles toegestaan. Als het maar helpt. Mijn eerste gedachte is een hanger te kopen van een Davidster. Het wordt een tattoo: een krachtiger statement kan ik niet bedenken. Een vriend van me zegt later: “Dat is de eerste tattoo in mijn leven waarin ik me helemaal kan vinden. Hij heeft iets opstandigs, iets van een bloedbroederschap. Wat er ook gebeurt, dit pakken ze me niet meer af.”

Dus lig ik hier bij ‘Tattoo Pirate’ Schiffmacher op de behandelbank. Mijn hoofd diep weggedrukt op foto 3-1een keukenrol. Mijn borst ontbloot. Ik heb hem thuis al geschoren voor alle zekerheid. Op Internet heb ik een prachtige Davidster uitgezocht. Een waarbij je goed ziet dat hij is samengesteld uit twee driehoeken. Een ook die het grafische karakter van de Davidster nog eens extra benadrukt in dubbele lijnen. Het kan me niet grafisch genoeg zijn. Dank zij die dubbele lijn mag ik bovendien twee keer dezelfde sensatie van Schiffmachers prikpen doormaken. Het geeft niet. Het is maar een beetje lijden. Bovendien is het zelfgekozen lijden. En allerminst zinloos.
Schuin rechts boven mij hangt een meer dan levensgrote gouden Christus tegen de muur. De armen gespreid. Het lichaam overdekt met allerlei graffiti. Terwijl Schiffmacher mij professioneel martelt, kijk ik naar die gouden Christus. Ik vermoed een symboliek die ik niet kan overzien. Ik denk vooral, om het bijbels te houden, dat Hij Ziet dat het Goed is. Niet dat ik die Goedkeuring nodig heb.

Net als ik merk dat doorademen slimmer is om de aanslagen uit Schiffmachers venijnige drill-, klop- en hamerboortje te overleven zegt hij: “Zo, beste man, meer kan ik er niet van maken.” (dat zei G”d indertijd ook tegen Adam toen Hij hem had geschapen.). Het is volbracht en Schiffmacher zag dat het goed was. Het is perfect. In amper twintig minuten heb ik een van de mooiste symbolen die ik ken op mijn borst getatoeëerd gekregen. Het is mijn verzetsdaad tegen de dood. Mijn kind, close to my bone. Ik ben er verschrikkelijk trots op. 

 

 

Advertenties

Over hanvanwel
Alles voor de kunst. De kunst van het kijken, schilderen, schrijven, creëren, genieten, bedenken en maken. De kunst van het je eeuwig verbazen. Maar ook de kunst van het rouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: