David en de blowbelofte – David vertrekt (21)


Beloofd is beloofd. Desnoods postuum. We zouden ooit samen gaan blowen. Voor mij was het eeuwen geleden. Voor hem dagelijkse kost. Hoewel we het er vaak over hadden, kwam het er niet van. Dus moet het nu. Ik ben het aan hem verplicht.

Ineens raakt een grote zachte vuist me keihard in mijn maag. Onzichtbare snelbinders trekken me diep in mijn opvouwbare tuinstoel. Ik kan voorlopig absoluut niet opstaan. Mijn benen zijn pap. Of minstens van rubber. Waar mijn lichaam precies is, kan ik nu even niet zeggen. Sorry. Ik moet mijn hoofd niet te veel bewegen of mijn lijf in een andere stand zetten. Afgezien van de enorme hoeveelheid niet op te brengen energie die dat kost, leidt de kleinste beweging al tot een intense misselijkheid.

Een van Davids beste vrienden (DBV) houdt me gezelschap op twee meter afstand maar het lijkt tien keer zo ver. Hij kijkt wat wazig naar Davids graf. En naar mij maar dan met een onderzoekende grijns. Af en toe zegt hij iets, geloof ik, maar dat is erg moeilijk te verstaan – zo ver zit hij van mij af. Ik knik bijna onzichtbaar om hem duidelijk te maken dat ik er nog ben.

De misselijkheid neemt intussen serieuze vormen aan. Ik moet er iets aan doen. Maar wat? Maar wat? Kan ik iets doen? Opstaan. Doe het maar eens. Hoeveel wilskracht heeft een mens nodig om op te staan in deze conditie? Met vereende krachten uit mijn reumalijfje weet ik ten slotte de snelbinders los te krijgen, wiebelig op te staan, voorovergebogen naar de kastanje naast David te strompelen om er te schuilen tegen het brandende zonlicht en… “Ik moet kotsen,” mompel ik tamelijk verstaanbaar tegen de DBV en hang hijgend over een gitzwarte staande grafsteen. Mijn maag lijkt het te begeven maar wacht nog even. Het graniet voelt weldadig koel. ‘Dit moet helpen’, mantra ik tegen mezelf. Maar nu even niet. Ik hurk en zit even later op mijn knieën, mijn voorhoofd tegen het koele zwart gedrukt. Zweet breek me uit.  Gutst in stralen uit mijn haren, mijn voorhoofd, mijn oksels, mijn borst – waaruit al niet? ‘Ik doe het voor jou, vriendje’, blubblubber ik hardop en ik proef iets van spijt in mijn woorden.

Ook tamelijk hallucinerend: onze 'deelname' aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ook tamelijk hallucinerend: onze ‘deelname’ aan de PostcodeLoterij Miljoenenjacht. We hielden er wel die fantastische pizza-steenoven aan over.

Ik ben al honderd jaar niet in een coffeeshop geweest. David had zo zijn vaste adressen, heb ik intussen begrepen. Bij mij in het dorp is geen coffeeshop. Terwijl er hier ontzettend veel wordt gedeald. Zelfs om te hoek van mijn huis. Gelukkig beschikt Bussum over de beste coffeeshop van ’t Gooi en omstreken. Vroeger wist ik alles van wiet en hash, nu voel ik me een hopeloze amateur. Tot overmaat van ramp spreekt de jongen achter de counter mij te beleefd aan: “Meneer kan ik u helpen?”  Zelfs in mijn korte broek en afgedragen polo ben ik een meneer. Achter de jongen hangt een strak uitgevoerde menukaart. “Ik wil graag wiet die niet te sterk is, maar die ook wel wat doet,” zeg ik stoer. De jongen houdt even later een Tupperwarebakje onder mijn neus. Daarin prachtige henneptoppen. Ze ruiken goddelijk. Ik word er zo vrolijk van dat ik er een wil beetpakken. “Dat mag niet, meneer. Alleen ruiken,” wijst de jongen me terecht en trekt het bakje terug. Ik krimp tot kindhoogte. Dan zie ik op de menukaart Gele Libanon. Mijn hart vreugdedanst. Jeugdsentiment. De oude Bedford van Ernst S. duikt op; hij had een waterpijp in de vloer geschroefd zodat we altijd overal konden blowen zonder gezien te worden. Den Haag here we come. Geen idee wat er verder van Ernst is geworden, vast iets anders geniaals. “Heb je toevallig ook rooie Libanon?” vraag ik hoopvol. “Nee,” zegt de jongen geduldig, “die had je vroeger wel maar dat is nu een zeldzaamheid.” “O,” zeg ik, “nou geef dan maar de Gele.” Dan bedenk ik dat ik ook het goeie papier moet hebben en filtertjes. “Extra breed of normaal?” vraagt de jongen. “Ik weet het niet,” zeg ik in alle eerlijkheid, “volgens mij is breed wel prettig als je een joint maakt met wiet.” “Ja, dat gebruikte ik ook toen ik nog blowde.” zegt de jongen vertrouwelijk. Ik probeer in te schatten hoeveel ik wiet nodig heb voor een joint. Ik schat dat ik er vier mee kan maken. Voor alle zekerheid vraag ik het maar niet.

Heb me goed voorbereid. Twee opvouwbare stoelen, kleine tafel, fles water, Japanse zoutjes, Fishermens Friends, sixpack gekoelde Amstel, laptop voor het geval ik tot Bijzondere Gedachten kom. De DBV laat weten dat hij onderweg is. Ik neem een slok bier en rol alvast een kleine joint met een paar korrels Gele Libanon. Het rookt heerlijk weg en al snel voel ik me een halve meter boven de grond hangen. Wow, dat belooft veel goeds – heb blijkbaar niet veel nodig. Spontaan pak ik de laptop en schrijf een gedicht voor David:

Zorgvlied

Soms zie je hier mensen
Staan verzonken
In diep, desnoods devoot
Gepeins tot je langsloopt en
Ziet dat ze een bericht
Op hun telefoon lezen sinds
Jij hier ligt heb ik nooit
Meer wat van je gehoord.

Behoorlijk diep. Zodra de DBV er is concentreer ik me op de volgende joint. “Er zijn dingen die je nooit verleert,” complimenteert de DBV me even later. Dat doet me goed. Ik heb hem gevraagd hoeveel ik erin zal verwerken. Ik denk dat een halve knop toch genoeg moet zijn. Hij fronst. “Dat lijkt me rijkelijk veel,” zegt hij en ik proef enig medelijden in zijn blik. Gottogot, amateur. Ik verkruimel ongeveer een kwart knop boven de tabak. “Lachajem, David,” denk ik trots terwijl ik de ingehouden wierook voorzichtig uitblaas. Het is dan wel postmortaal, deze blow bij mijn kind, maar dat maakt niet uit. “Ik ben benieuwd hoe David dit vindt,” zegt de DBV uren later geconcentreerd turend naar het graf. “Bedoel je dat ik niet de wiet had moeten nemen?” vraag ik onzeker. “Nee, nee, dat moet je zelf weten hoor. Maar wiet komt nou eenmaal wel anders binnen dan hash.” Hij kijkt me geamuseerd aan.

Ik trek mezelf aan de zwarte grafsteen omhoog. De misselijkheid is iets gezakt, maar het transpireren gaat door op volle kracht. Het is niet te stoppen. Ik stroom leeg. Dan gaat mijn telefoon. Die ligt een dagmars van hier op het tafeltje. Ik waggel erheen. Mijn tong een uitgedroogde lap zeemleer die protesterend probeert overeind te komen. Het lukt me enkele woorden uit te brengen. Geen idee hoe dat klinkt. Kan niet veel zijn. Het is Albert, een van mijn Beste Vrienden. Heb hem gisteren verteld over dit blowproject en afgesproken dat hij even langskomt om te zien of ik het aankan. Albert vraagt wijselijk niet naar mijn staat van zijn.

Ik laat de telefoon min of meer uit mijn vingers vallen en blijf zwaaiend staan op mijn rubberen benen in de hete zon. Wacht ik hier op een teken of zo? Moet David zijn hand door de donkere tuinaarde steken en wuiven? Moeten de beide olijfboompjes die ik hier heb geplant ineens gaan ruisen van een wind die verder nergens anders zichtbaar is? Kan er godverdomme niet even een wonder gebeuren? Door en door nat ben ik. “Gaat het?” informeert de DBV bezorgd. “Je moet wel drinken hoor.” Drinken! “Ga anders weer even in de schaduw zitten,” adviseert hij ervaren. Schaduw. Schaduw. Ja dat is wel een goed plan. Schaduw. Ik scharrel met mijn stoel naar een beschaduwd plekje onder Davids Kastanjeboom, ga zitten en blijf lang steken in die houding tot ik bedenk dat ik eigenlijk rechtop moet zitten. Tering, wat ben ik misselijk. Nauwelijks zit ik rechtop of een ongecoördineerde hand duwt mij vanuit mijn binnenste zijwaarts. Ik hang als een dweil over de rechterleuning van de tuinstoel en wordt vanzelf verder voorover gebogen. In vijf of tien warme golven leeg ik mijn maag – best soepel en elegant pal naast het graf van een van Davids buren. De DBV kijkt verbaasd toe en staat behulpzaam klaar met de waterfles. “Wacht maar even,” glubmompel ik. Mijn gedachten even diffuus als een pot watten. Voor mijn gevoel duurt het uren voor ik weer enigszins hersteld ben. Ik kom niet meer uit de schaduw van de kastanje.

Na een alsnog tamelijk stonede autorit waarin ik voortdurend word gepasseerd door verschrikkelijk hard rijdende auto’s, ik rijd keurig 100 eh… 90, nee 80, lukt het me steeds beter weer enigszins helder na te denken. Ik voel me hardhandig ritueel gereinigd. Binnenstebuiten gekeerd, mijn vervuilde lichaamsvocht aan alle kanten uit mijn poriën geperst tot ik mijn kleren kon uitwringen. Dit was behoorlijk voorbij het denken. Voorbij het weten.
Deze stonede middag is het hoogtepunt van mijn rouwarbeid, van het leren omgaan met Davids dood. Zo helend. Gezuiverd van het residu van verdriet en wanhoop. Ontdaan van de pijn van het verlies en het gemis. Ook al is Hij niet aan Zijn Graf verschenen, David heeft me vanmiddag verlost. Ik weet het zeker. Of heb ik het zelf gedaan?

 

 

 

Advertenties

Over hanvanwel
Alles voor de kunst. De kunst van het kijken, schilderen, schrijven, creëren, genieten, bedenken en maken. De kunst van het je eeuwig verbazen. Maar ook de kunst van het rouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: