David en coping – David vertrekt (23)


Gisteren deed ik een tamelijk schokkende ontdekking: bijna drie weken was ik niet op bezoek bij David. Het kwam er ‘gewoon’ niet van. Ik voelde de noodzaak niet zoals in de periode daarvoor. Bovendien waren er zoveel andere onderwerpen die om voorrang vroegen. Dat kan dus zomaar – vier maanden na iemands overlijden. Wat eerst onmogelijk leek, namelijk dóór te leven zonder dat elke seconde tikt in het teken van rouw, wat bestemd was voor  de eeuwigheid, blijkt dus wel mogelijk. Eeuwigheid is relatief. Zeker in ons individuele universum.

Zo achtbaant dat in je inbeeldingsvermogen: de dag en nacht huilende baby die waarschijnlijk tot je pensioen blijft doorkrijsen, de verliefdheid die nooit over mag gaan, de euforie over een bereikte mijlpaal, het verdriet over het verlies van je kind. Al die dingen doen zich voor als niet te vatten groot en onmetelijk omvangrijk. Maar er komt blijkbaar een punt waarop je je realiseert dat je intussen andere zaken (weer) belangrijk gaat vinden. Zaken waartussen die dingen met dat tè hogere soortelijk gewicht hun eigen bedding en proporties hebben gekregen. Zonder dat je het merkte.
Die ontdekking kan behoorlijk heftig zijn. Tegelijk geeft het ook aan dat ‘de dingen’ hun eigen dynamiek hebben, waarop je geen invloed hebt. Ook dat is schokkend. Hoewel die redenering zich heel goed laat omkeren: het is mooi dat het blijkbaar zo gaat. Iets in mij staat blijkbaar toe dat zelfs de meest meedogenloze ervaring wordt ingebed in mijn innerlijke landschap. Wat de pijn niet minder maakt, maar wel minder nadrukkelijk.

Pas de afgelopen dagen waren er weer van die kleine confrontaties waardoor David ineens daviddichterbij was. Zoals met de twee jongetjes van een jaar of acht, hier tegenover, die met hun skateboardjes druk oefenden zoals David deed op diezelfde leeftijd. Eindeloos heen en weer. Ik zag hem voor me, weet nog precies welke kleren hij aanhad.
Of deze. Tegenwoordig loop ik met Bob langs de hockeyvelden naar het bos verderop. Zaterdag barstte de competitie weer los. Ik hoorde de kinderstemmen die elkaar aanwijzingen toeschreeuwden – ‘druk zetten’, ‘druk zetten’. De irritatietjes over verkeerd aangespeelde ballen. De fluitjes van de scheidsrechters. Davids wereld. Voor het eerst sinds lang voelde ik weer het fysieke verdriet dat tranen uit je ogen perst. En realiseerde me dat ik al veel te lang niet bij zijn graf was geweest.
Of deze. Een van Davids beste vrienden zet een schitterende selfie op Facebook. Hijzelf, zongebruind, zwembroek, sluik haar, biiiiig smile, met naast hem zijn vriendin, zongebruind, bikini, nog langer sluik haar eveneens biiiiig smile maar iets ingetogener dan hij – en zo hoort het ook. Perfect couple. Ik geniet van die foto, ben gesteld op deze Beste Vriend – zoals eigenlijk op al Davids vrienden. Tot ik me realiseer hoe trots David geweest zou zijn op deze foto. Maar ook dat David daar had moeten liggen, biiiiiig smile en minimaal net zo’n babe. Het was een koud kunstje voor hem geweest. Kutzooi. En weer door.IMG_0685

Tegelijk merk ik dat het me weliswaar veel doet, maar dat het me minder van mijn stuk brengt dan enkele maanden geleden. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het ‘leren omgaan’. Een vriend vertelt me dat de psychologie hiervoor het woord ‘coping’ gebruikt, ‘zelfhandhaving‘ – schitterende term. Ik herinner me dat in de eerste weken na Davids overlijden iemand ook daarover vertelde – toen stond ik er absoluut niet voor open. Mijn verlies was op dat moment te overweldigend, het verdriet te groot. Dat was toen – en ‘toen’ is zo kort geleden; ‘toen’ is tegelijk zo ver weg.
Zo ver, dat het mogelijk blijkt om met iets meer afstand te kijken naar mijn proces. “Er bestaat niet één bepaalde gedragswijze om een probleemsituatie te kunnen hanteren,” lees ik in een verhandeling over coping. “Mensen ontwikkelen een stijl die het beste past bij hun leefwijze en persoonlijkheid. Copingstijlen zijn grofweg te verdelen in ‘actief’ en ‘passief’ ook wel ‘vechten’ en ‘vluchten’ genoemd. Er bestaan verschillende lijsten met copingstijlen. Een veelgebruikte is de Utrechtse Copinglijst:

  1. Het probleem actief aanpakken
  2. sociale steun zoeken
  3. vermijden en afwachten
  4. afleiding zoeken
  5. depressief reageren
  6. emoties en boosheid uiten
  7. geruststellende gedachten.

Welke copingstijl je kiest, is altijd persoonlijk en terug te voeren op je vroegste ervaringen. De meeste mensen hanteren trouwens meer dan een stijl. Op Internet bestaan zelfs ‘copingtests’ waarmee je kunt ontdekken welke stijl het meeste bij jou past. Of passen. Voor de liefhebber, zullen we maar zeggen. En leuk om alvast paraat te hebben voor het geval je kind onverwacht doodgaat.
De uitleg bij de Utrechtse lijst is dat de nrs 1 en 2 de beste, want actieve, stijlen zijn. In deze opvatting over coping is ‘vechten’ het beste wat je kunt doen wanneer je voor een probleem staat. In de aanval gaan, je verstand gebruiken, het probleem in stukken verdelen en voor elk stuk een oplossing zoeken, geldt als uiterst effectief. Zegt men. Het zal best, maar niet als je kind is overleden. De dood van je kind is namelijk geen probleem. Het is een ramp.
Natuurlijk ga je in de aanval – maar je verstand kun je die eerste fase nauwelijks gebruiken (wat iets anders is dan de automatische piloot die direct aangaat en je helpt de begrafenis of crematie te regelen), laat staan dat je ‘het probleem’ in stukken kunt verdelen. Daarvoor is het te groot, te zwart, teveel. In de aanval gaan is wanhopig verzet tegen de dood. Ik weet nu dat je dat niet kan en mag uitschakelen. Je hebt het nodig om te beseffen dat het zinloos is.
Verzet is in deze context iets anders dan ‘vechten’. Verzet is denken dat je dit kunt ‘accepteren’, ‘een plek geven’. Verzet is in eerste instantie niet-accepteren, geen-plekgeven. Zo verwarrend als het leest, zo verwarrend is het.
Verzet kun je uitstellen, maar je kunt er nooit omheen. Het maakt kwetsbaar en breekbaar. Maar what the fuck – je bent al gebroken en tot in het diepst gekwetst, dus wat is het punt? Het beste wat ik kan doen is beseffen dat verzet een fase is – waarbij boosheid en frustratie horen, omdat ik weet dat niemand dan ikzelf dit kan oplossen. En het bijzondere is, dat dat verzet ongemerkt afneemt – omgekeerd evenredig aan het besef dat je kind op geen enkele manier levend te krijgen is.
Het verzet neemt af, is het niet na kortere tijd dan wel na langere. Bijna terloops. Nonchalant. Bijna sarcastisch, cynisch trekt het zich terug. Want niets blijft zoals het is. En het is waar dat alles in beweging is, ook al lijkt het soms niet zo. Niets staat stil. Niemand staat stil. Zelfs in je diepste verdriet sta je niet stil, al meen je dat zelf niet te merken.

Nummer 2 ‘sociale steun zoeken’ heet ook een van de effectiefste stijlen. Troost zoeken, luisterende oren, begrip en steun, samen met anderen manieren bedenken om een probleem op te lossen. Het klinkt mooi. Maar nadat ik weken, maanden troost heb gezocht, steun heb gevraagd en gekregen, helemaal gék ben geworden van alle (ongevraagd) begrip – is het voor mij duidelijk dat sociale steun weliswaar veel warmte geeft, maar dat ik in essentie de verwerking in zichzelf moet laten ontstaan. In de eerste tijd van rouw stond ik daar overigens helemaal niet voor open. Ik vond die sociale steun onmisbaar. En dat was hij ook. Naar mate de tijd helpt om afstand te nemen, groeit de behoefte aan een ander soort sociale steun. Een minder nadrukkelijke, een vanzelfsprekende. En dan nog, ook als dat het geval is, ben ik in essentie op mijzelf teruggeworpen.

Ik zal altijd die vader zijn met dat dode kind. Waar ik ook ben, alleen of in gezelschap, er is altijd het besef er niet volledig te zijn. Zelfs als ik drie weken niet naar zijn graf ben geweest en David even niet top of mind was, blijf ik de vader met een dood kind. Intussen heeft iets in mij ontdekt dat verzet weinig zin heeft. En begrijp ik steeds beter wat het is om ‘om te gaan’ met Davids overlijden. Mijn zelfhandhaving zou je inderdaad kunnen zien als een actief omgaan met dit zwarte gegeven. Met horten en stoten. Het zit niet in me om dit lijdzaam te ondergaan. Zelfhandhaving als overlevingsstrategie. Anders is het niet.
Een van de artikelen die ik las over coping, eindigt met een ‘copinggedicht’. Het is niet het meest subtiele – vooral de laatste regel, maar het spiegelt op een mooie manier de rouwverwerking:

He is Gone (David Harkins)

You can shed tears that he is gone,
Or you can smile because he lived,
You can close your eyes and pray that he will come back
Or you can open your eyes and see all that he has left.

Your heart can be empty because you can’t see him
Or you can be full of the love that you shared,
You can turn your back on tomorrow and live yesterday,
Or you can be happy for tomorrow because of yesterday.

You can remember him and only that he is gone
Or you can cherish his memory and let it live on,
You can cry and close your mind be empty and turn your back,
Or you can do what he would want: smile, open your eyes, love and go on.

Advertenties

Over hanvanwel
Alles voor de kunst. De kunst van het kijken, schilderen, schrijven, creëren, genieten, bedenken en maken. De kunst van het je eeuwig verbazen. Maar ook de kunst van het rouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: