David – armen om je heen – David vertrekt 27


Sinds Davids verjaardag voelt het alsof ik opnieuw loop over het drijfzand van de maanden hiervoor. Elke stap is een teveel en verschrikkelijk vermoeiend. Elke letter een vertraagd gevecht. Zou het kunnen dat rouw iets anders is dan verdriet? Over rouw kun je zeggen dat het gaat over terug- en vooruitdenken. En ‘dus’ dat de rouwende maar beter in het hier & nu kan staan – dat soort helpende ideeën.

Verdriet gaat over iets anders. Verdriet is niet te vatten in verleden of toekomst. Verdriet gaat over verlies. En, verdomme, verlies gaat ontzettend over het hier & nu. Eigenlijk over niks anders. Verlies is de leegte voor het ontstaan van het heelal. Waar je ook bent, met wie en wanneer. Het is niet de boeddhistische leegte, de afgrond die alle angst bij je losmaakt, maar die uiteindelijk voor de ultieme verlichting zorgt. Verlies van je kind is de leegte die door niets is in te vullen. Verlies is wat je voor jezelf houdt, omdat het niet uit te leggen is. Rouw, ja, rouw kun je delen met anderen. Als je dat al wilt. Maar verlies, nee.

Het valt me op dat veel begrippen met een negatieve lading beginnen met ver-: verlies, verdoemd, verongelijkt, verliezen, vergeten, verstoppen, verachten, verlopen. Goed, je hebt ook: verzinnen, verwonderen, vergelijken, verstuiven, verversen, verloven en ga zo maar door, maar dat is een andere categorie. In elk geval constateert het woordenboek dat het voorvoegsel ‘ver-‘ een verandering van iets aangeeft. Nou, dat kun je in het geval van ‘verlies’ en ‘verdriet’ en ‘vergaan’ niet ontkennen. (Sorry, eens leraar NL, altijd.)

En weer door. Natuurlijk heb ik geen alleenrecht op dit verlies. Ik merk dat veel mensen die David hebben gekend, te maken hebben gekregen met verdriet en verlies. Soms vertellen ze het, soms schrijven ze mij erover, soms organiseren ze een feest ter nagedachtenis. Hoe raar het ook klinkt: dat maakt mij gelukkig. Het zijn armen om mij heen en om David. Het maakte de leegte leefbaarder – maar tegelijk pijnlijker.

Beste Han,

U kent mij niet, maar ik heb uw zoon wel gekend. Samen met David zat ik in een commissie van Lanx, Ik ken David als een heel spontane, lieve en enthousiaste jongen. Het verschrikkelijke nieuws hoorde ik toen ik aan het reizen was. Op dat moment was ik in Indonesië. Ik kon het niet geloven. Het voelde oneerlijk. Ik was aan het reizen, van het leven aan het genieten terwijl dit gebeurd was met Daaf. Ik heb vaak aan hem moeten denken & ik vond het fijn dat ik alles via Facebook kon volgen. Echt een prachtige begrafenis. Gisteren ben ik samen met mijn vriendin naar het graf geweest. Ik wilde hem nog wat geven: een geelrood armbandje dat ik heb gekregen van een monnik in Ankor wat in Cambodja ligt, toen ik een wierookje voor Daaf aanstak. Ik heb het aan een van de twee boompjes vastgemaakt. Ik wilde u het verhaal ook vertellen, want voor mij was het een heel bijzonder moment.

Inmiddels aangekomen in Cambodja wilde ik graag iets doen voor Daaf. Tijdens een bezoek aan Angkor waar het krioelde van de Aziatische toeristen, vond ik tussen alle drukte een klein verscholen tempeltje. Er waren geen toeristen. Er was rust. Er zat alleen een monnik bij een Buddha. Ik besloot hier een wierookje aan te steken & barstte uit in huilen. De monnik naast mij voelde op de een of andere manier wat ik voelde en ik zag ook tranen in haar ogen. Vanwege de taalbarrière probeerde ik met handen en voeten uit te leggen wat er was gebeurd maar tevergeefs. Toch was het een heel fijn moment. Ze troostte me en veegde met haar monnikskleed mijn tranen weg. Een heel bijzonder moment. Ze gaf me het roodgele armbandje dat ik nog 5 maanden bij mij heb gedragen en ik nam mij voor dit aan Daaf te geven zodra ik terug was.

Heel confronterend om gisteren dan echt zijn rustplaats te zien. Wel een fijn gevoel dat hij een mooie plek heeft onder een mooie boom. De glazen rugzakjes, de peuken in de asbak & het halfvolle biertje waren een erg mooi gezicht.

Ik wil u nog alle sterkte wensen met dit verlies!

Liefs,

Eva

 Armen om je heen. Zo voelt dat. Zo warm. Armen om David heen. Ik heb een hoofd vol momenten, elk eindigend met mijn armen stevig om hem heen – als ik ze over kon doen…

Zoals die enige keer in ons leven dat we samen op wintersport gingen om te snowboarden en David allang met die irritante sleeplift op de top van de heuvel was aangekomen en op mij zat te wachten terwijl ik beneden voortdurend na een meter of vijftien uit dat ding donderde en terug moest naar Af om vervolgens alweer en zo een keer of tien – toen ik ten slotte boven kwam zat hij daar als 8-jarige in de sneeuw te huilen met allemaal mensen om hem heen. david
Ik had nog gezegd: “Ga jij maar vóór mij naar boven, dan vang ik je wel op als je er onderweg uitvalt.” Euvele tekst. Hij heeft me er sindsdien vaak mee geplaagd. Ik sloeg ik mijn armen om hem heen, maar nu en hier zou ik dat zo graag willen overdoen en intenser en hem een eeuwig leven beloven want ik beloof nou eenmaal graag dingen die geen mens kan waarmaken, hoewel tegenwoordig een stuk minder vaak want zelfs ik leer van mezelf.

En dan is er dat moment zo’n jaar of twee geleden. Het kan zijn dat ik er al eerder over heb geschreven in deze blogs. Telkens zie ik die film voor me. Toen ik enige tijd niet thuis woonde, zocht David mij regelmatig op. Vaak direct na zijn werk. Lang duurden die bezoekjes nooit – typische familietrek: ik kan er ook niet tegen om iemand langdurig in een ziekenhuis op te zoeken.
David haalde me op om buiten te lopen, te roken, ergens een patatje te eten, te roken en vervolgens afscheid te nemen. Het was donker. En behoorlijk koud. We namen afscheid halverwege zijn route naar de trein. Omhelsden elkaar – ik genoot intens van zijn omhelzingen – en namen afscheid. “Sterkte pap. ik kom gauw weer.”
“Dag Daav. Dank je.”
Ik zie moeiteloos voor me hoe hij van mij vandaan liep, zijn zwarte rugzak over zijn bruine jas, pet omgekeerd op zijn hoofd. Dat sjokkende en tegelijk zelfverzekerde loopje. Ik had achter hem aan moeten rennen: “Daav, wacht, ik loop even met je mee,” waarna ik mijn arm over zijn schouder had geslagen, hem stevig tegen me aangedrukt en zo samen naar het station was gelopen of misschien wel hem gewoon nooit meer losgelaten. Het beeld verdwijnt niet: dat joch dat oversteekt en min of meer wordt opgeslokt door de avond. Dat sjokkende joch. Dat zelfverzekerd sjokkende joch. Dat joch met die pet op zijn kop. Die pet op die vetgemaakte schitterende krullen. Dat joch dat eigenlijk nooit klaagde maar er wel altijd was. Dat joch – mijn zoon.

En, voorbij het leven in de gruwelijke leegte van het verdriet, de herinnering aan dat moment ’s ochtends in het rouwcentrum waar ik hem voor het eerst zie sinds ik weet dat hij dood is. Vier ellenlange dagen wachten op iets dat er niet meer is en toch wel. Ik herken hem nauwelijks, daar in zijn kist. Zijn haar ligt er raar bij. Zijn gezicht is anders. Zijn ogen zijn gesloten maar zelfs dan de zijne niet. De kou slaat van zijn lichaam – vers uit de koelkamer. Mijn god wat een gruwelijk moment. Pas veel later zal ik ontdekken hoe het komt dat hij er zo merkwaardig bijligt. Ik wil, ik moet, ik zal die kist in. Ik wil, ik moet, ik zal naast hem gaan liggen, mijn armen om hem heenslaan en koud worden van zijn kou maar intussen mijn warmte aan hem overdragen. Want ik weet echt wel dat mijn kind dood is, maar dan hoeft hij het toch niet zo krakend koud te hebben? Ik wil, ik moet, ik zal – niks. Ik sta machteloos naast de kist en neem alleen heel even zijn hoofd tussen mijn handen. Het is ons laatste fysieke contact. Die middag ontmoet ik hem opnieuw. Godzijdank heeft hij nu iets meer kleur op zijn gezicht en voelt hij minder aan als zojuist uit een gletscher gehouwen. Niet veel later schuiven we het deksel op zijn kist. Ik kan hem niet aankijken. Het is zwaar, zo zwaar. Ik sluit mijn kind af van dit bestaan. Definitief. Hoe afschuwelijk wil je het hebben? Nooit, nooit meer mijn armen om hem heen.

Er is een ‘leegte die hij achterlaat’. Die zich vult met verdriet. Ik denk dat het zo zit: rouwen is weliswaar hard werken, maar te doen en zelfs op een gegeven moment te beheersen en uiteindelijk achter je te laten. Maar dit verdriet is van een andere orde, een andere dimensie. Voorbij alles wat je kunt bedenken. Voorbij het hier-en-het-nu. Voorbij taal… Die 4e november heeft de leegte weer zo tastbaar gemaakt dat het voelt als de eerste weken na zijn dood. Puur drijfzand.

Het is al laat. Ik sta op, doe mijn schoenen aan, mijn jas en probeer Bob op te laten staan voor de laatste ronde. Hij kijkt mij aan en blijft ongehoorzaam liggen, wat ik ook zeg. Ik laat het maar. Als niet, dan niet.
De volgende ochtend breng ik Daniël naar school. Met het gevoel van dit blog nog in mijn lijf sla ik mijn armen om hem heen en houd hem stevig vast. Hij trekt zich snel los: “Ja, pap, laat maar zo kom ik nog te laat.” Even later zie ik hem verdwijnen in de massa kinderen, rode rugzak over zijn schouders, een loopje dat me bekend voorkomt. Een moment is er geen leegte.

Advertenties

Over hanvanwel
Alles voor de kunst. De kunst van het kijken, schilderen, schrijven, creëren, genieten, bedenken en maken. De kunst van het je eeuwig verbazen. Maar ook de kunst van het rouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: