De Koppoter en de toeschouwer – Erik Buijs en het brons


“Mijn eerste koppoter ontstond tijdens het maken van mijn dagbeelden. Daar gunde ik ‘t mijzelf om zonder ideeën of kunst te willen maken, toch beelden te produceren. Toen heb ik veel geleerd over het bereik van mijn beeldentaal. Ik ben er erg voor als het ‘verhaal’ begint bij het beeld. De toeschouwer kan dan zijn eigen verhaal maken,” vertelt beeldhouwer Erik “ik maak geen objecten, ik maak beelden” Buijs.

Koppoter? Ja. Koppoter. Als kinderen hun eerste mensachtigen tekenen, is dat meestal een hoofd op pootjes. Als Erik Buijs zichzelf toestaat om ‘zonder ideeën of kunst te willen maken, toch beelden te produceren’, kan dat (dus) ook uitmonden in een Koppoter.

kopie koppoter 1000 dpiIn deze Koppoter. Eigenlijk doe ik hem onrecht aan door hem hier af te beelden. Want, zoals dat gaat met niet ‘plat werk’, je moet er met je neus bovenop kunnen staan, er omheen draaien, stiekum even met een voorzichtige vinger contact maken. En vooral het meesterschap ontdekken waarmee dit beeld is gemaakt en uitgevoerd in brons. Vooral dat laatste, wat mij betreft, in combinatie met de kleitechniek van Erik.

Zijn beelden zijn of uitermate glad, gepolijst en dan vaak uitgevoerd in Neolith of aluminium, of ze zijn precies het tegenovergestelde – als het ware met grote halen opgezet, expressief tot op hun botten. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het telkens een hele doordachte beslissing is op welke manier hij zijn beelden wil uitvoeren. Op dit moment is in Galerie De 7e Hemel (Kerkstraat 10, Bussum) een expositie van Eriks werk te zien en dat is ontzettend de moeite waard. Gewoon om naar te kijken uiteraard, maar vooral ook om stil te staan bij het verschil in expressie van de toegepaste materie. En dan is de Koppoter een prachtig voorbeeld, waaraan je precies ontdekt wat de kracht is van een visie op materiaal.

Want, laten we wel zijn, brons is over het algemeen een metaal waarmee behoorlijk duffe beeldjes worden gemaakt: danseressen, liggende naakten en vooral van die symbolische samenstellingen (cirkels, acrobaat-achtige constructies) die het goed doen als relatiegeschenk van de ene burgemeester aan de andere. En kijk, dan is daar dus Erik Buijs die zijn ongepolijste stijl juist (of misschien wel expres) toepast op dat duffe brons dat daardoor ineens ongelooflijk spannend wordt en niet gering bijdraagt aan het expressieve karakter van de Koppoter. En van zoveel andere beelden die Erik in brons vertaalt. Ja, ik weet het, Erik is niet de enige die zo met brons omgaat. Maar zijn Koppoter is niet door iemand anders gemaakt – het beeld kan ook alleen maar door hem zijn gemaakt. Dat ontdek je ook als je in De 7e Hemel kennismaakt met al zijn ander werk. Het is Eriks ‘beeldentaal’. En beeldverhaal.

Overigens is een bezoek aan zijn site ook een leuke introductie. Maar de Koppoter in het echt de hand schudden, daar kan geen foto of site tegenop.
En verder moet je, zoals Erik dat ’t liefst heeft, er zelf je eigen verhaal bij maken. Ik verzeker je, dat gaat moeiteloos.

De expositie ‘Beeldfest’ met werk van Erik, Anne van As en Fenneke Hordijk is nog te zien tot en met 9 februari 2013. Uiteraard in ‘de interessantste galerie van ’t Gooi’: Galerie De 7e Hemel, Kerkstraat 10, Bussum.

Advertenties

Speech bij opening ‘Beeldfest’, 5 januari 2014 – Fenneke Hordijk, Erik Buijs, Anne van As


Zo’n twee jaar geleden was ik toe aan hond. Zomaar uit het niets. Dat was even schrikken, maar ik zette door. En aangezien ik de aanstichter ben van dit ‘kwaad’, laat ik Bob – zo heet hij officieel – ook het meeste uit. Ik geniet daar ontzettend van, zelfs bij de vreselijkste stormen. Gelukkig heeft Bob, die eigenlijk Jezus heet, maar dat is een ander verhaal, de pest aan regen zodat ik nooit nat word. Gaandeweg heb ik ontdekt dat werkelijk veel honden lijken op hun baasjes. En omgekeerd. Ineens zie je dat.

Ik wist het natuurlijk altijd al, maar vanuit het perspectief van de hondenuitlater valt het ineens extra op. Natuurlijk gaat het niet altijd op. Zo heeft mijn Bob schitterende lange flaporen. Toen ik de afgelopen week bezig was met het inrichten van deze expositie drong zich af en toe dezelfde gedachte op. Ik leg mij nader uit.

Voor het eerst in het bestaan van de galerie, deed ik de inrichting samen met de kunstenaars. Ik doe dat eigenlijk liever niet, maar gelukkig viel het allemaal erg mee, niemand ging huilen, en in de beste samenwerking ontstond deze schitterende expositie. Wat intussen gebeurde, qua hond en baas, was dat ik meer dan ooit inzag waarom Erik deze beelden maakt, waarom Anne haar schilderijen en gewassen tekeningen en waarom Fenneke… Het antwoord is even simpel als ingewikkeld: Anne, Fenneke en Erik ‘zijn’ hun werk. En eigenlijk is dit de kern van deze speech, dus ik kan net zo goed hier ophouden. Maar ik wil het graag even toelichten.

Het is niet zo dat ik het werk van Fenneke, Anne en Erik niet kende voordat we hier gingen inrichten, zeker niet, maar door het inrichten en de gesprekken die we erover voerden ontdekte ik die ‘synthese’ tussen maker en werk, die in hun geval echt zo treffend is. In de aanloop naar deze expositie heb ik mij een aantal keren afgevraagd of ik er wel goed aan deed om deze drie kunstenaars met elkaar te combineren. Zoals wel vaker was het vooral een geval van intuïtie.

Ik begon met Fenneke’s werk te visualiseren in deze ruimte. Fenneke maakte de drie grote werken die je hier ziet. Het werk hier op de centrale muur is het oudste van de drie en naar mijn mening is het behoorlijk monumentaal. We hebben er ook uren over gepraat. Mooie gesprekken. Zoals altijd gesprekken met kunstenaars voor mij tot de boeiendste behoren. Een van Fenneke’s uitspraken is dat zij verliefd is op papier – en op potlood. Haar ‘doeken’ zijn als het ware liefdesverklaringen aan het materiaal. Ik denk dat alleen vanuit zo’n houding zulk werk kan ontstaan. Zo is zij haar werk.

Maar goed, juist omdat dat werk zo monumentaal is, realiseerde ik me dat een hele galerie vol daarmee gemakkelijk te monomaan zou kunnen zijn.  Ik wilde er iets tegenover stellen, iets niet ‘plat’, iets dat het gewicht van de ‘Fennekes’ zou ‘ontzwaren’ en het tegelijk in zijn waarde zou laten. Op een dag stuitte ik op de beelden van Erik en wist meteen dat ik dat zocht. Als je het werk van Erik voor het eerst bekijkt, zie je vooral ‘koddige’ figuren. Als je beter kijkt, zie je dat zijn beelden veel en veel meer zijn dan dat. Het zijn karakters, zoals je karakters in verhalen hebt. ‘Round characters’. Veel ervan hebben bovendien iets corpulents en zijn alleen al daarom sterk verbonden met hun maker…

Maar afgezien daarvan, vertelt Erik zijn verhalen met zijn beelden. Zo geeft hij ze een titel mee die er werkelijk toe doet en die op een verhalenbundel niet zou misstaan. Bijvoorbeeld: ‘Reus die zichzelf klein wenste’ of ‘Ommezwaai’.  Het zijn niet zomaar titels, het is tekst die integraal deel uitmaakt van het beeld. En als tekstmens ben ik daar extra gevoelig voor. Net zoals Fenneke haar liefde verklaart aan het papier, kun je zeggen dat Erik zijn liefde verklaart aan de materie van de vertelling – ja, dat is een doordenkertje.

Het is natuurlijk een beetje, zoals de Duitsers dat noemen, ‘hineininterpretieren’, maar als je weet dat Erik op de Veluwe woont, is het niet zo moeilijk om je voor te stellen dat je tijdens je wandeling daar zijn beelden in levenden lijve door het struweel ziet struinen, terwijl Erik, gezeten op een omgevallen boom, al kleiend ‘schrijft’ aan alweer een weergaloze ‘koppoter’.

Want – even voor de duidelijkheid en voor het geval het je was ontgaan – Erik maakt dus razend knap werk. Qua synthese tussen maker en materie. Even terug naar mijn visualisatie. Ik ‘had’ nu Fenneke, ik ‘had’ nu Erik. Maar ik miste nog wat. Toch nog iets voor aan de muren. Op een dag noemde Erik het werk van Anne van As, die ik vooral kende van haar gewassen tekeningen van gemaskerde honden. Lang verhaal kort. Anne bleek mijn ‘missing link’.

Anne is, binnen haar stijl, ongelooflijk veelzijdig. Dat zie je hier ook om je heen. Zij heeft duidelijk iets met dieren, maar ook met landschappen en met planten en bloemen. Maar dat is niet het belangrijkste. Vooral heeft ze, net als Fenneke en net als Erik, ‘iets’ met de materialen waarmee ze werkt. Met de uitdagingen daarvan. En vooral met de uiterste beheersing ervan. Anne schildert in een volstrekt eigen handschrift – waar volgens mij heel wat kunstenaars stinkend jaloers op zijn – laag op laag op laag. En het mooie is, dat hoe ze dat ook doet – het eindresultaat steeds zo kwetsbaar knap is.

Kwetsbaar transparant. Ze is bijna letterlijk zelf haar werk. Zelfs als ze een dreigende wolf over de lila sneeuw op je af laat rennen. Zeer bijzonder is ook haar reeks minischilderijen. Die serie landschappen, kwetsbaar in hun kleurgamma, die haast kleurrijker zijn dan haar grote geschilderde werken. Ik vind dat wel grappig: hoe kleiner het werk des te kleurrijker. En ook hier begrijp je heel goed waarom juist Anne dit werk maakt.
Zo is dit een expositie met werk dat op het eerste gezicht wellicht weinig met elkaar te maken heeft, maar dat juist vanuit zijn eigenheid, vanuit de verhalen die het vertelt, vanuit de verschillende handschriften complementair is aan elkaar.

En dat hoe dan ook steeds opnieuw ontstaat uit de onmiskenbare liefde van de maker voor zijn materiaal.
Dat voel je.
Het is zo tastbaar als maar kan.
En het is behoorlijk emotioneel.
Het is kortom een feest van beelden en afbeeldingen, waarin je de symbiose van de maker en zijn/haar werk voortdurend terugziet.
Het is een feest om het hier in De 7e Hemel te beleven.
Het is ons Beeldfest.

Apport!

zie: www.galeriede7ehemel.nl

Strijklicht in beeld en tekst – Johan Tahon en Justine leClerq


‘We’ zijn beroemd om onze luchten en om het toepassen van het licht. Of het nu gaat om Rembrandt of om hedendaagse fotografen als Rieneke Dijkstra en Erwin Olaf – het zijn de meesters van het licht. Je kunt ook zeggen: ze zijn het licht meester. Ieder virtuoos op zijn eigen manier. Licht, dat is iets om je leven aan te wijden. In beeld. In tekst. 

Natuurlijk licht heb je in zo ongelooflijk veel soorten. Elk met zijn eigen waarde en beleving. Bijvoorbeeld het avondlicht in het najaar, met zijn krachtige laagstaande zon – is totaal anders dan het bijzondere licht met een sneeuwlucht. Het merkwaardigste licht, eigenlijk het ‘gemeenste’ licht vind ik het strijklicht. Ik weet niet of het aan de tijd van het jaar ligt, maar het komt me voor dat het momenteel vaker te zien is dan op andere momenten in het jaar.

Strijklicht stort zich bij wijze van spreken vanaf zijn zijkant op voorwerpen. Of op je huiskamer en keuken. Waardoor je meer dan anders ineens ziet op welke plekken je de laatste tijd minder aandachtig in de weer bent geweest met je stofzuiger, je plumeau, je stofdoek of je 1000dingendoekje. En het rampzalige is, dat het op zulke momenten ook geen zin heeft om te gaan poetsen. Dan wordt alles alleen maar erger. In die zin is strijklicht intens en gemeen.

Gelukkig het heeft ook een goede kant. Doordat het voorwerpen zo  ‘scherp’ aanlicht – geeft het aan die voorwerpen ook iets extra. De schaduwwerking verdiept, de contouren verscherpen – de dialoog met het voorwerp wordt directer, confronterender.

Johan Tahon Op Faceboek is een mooie actie aan de gang. Iemand plaatst er een afbeelding van een kunstwerk dat hij bewondert. Als jij dat werk vervolgens ‘liket’ krijg jij de naam door van een andere kunstenaar. Vervolgens kun je die op zijn site bezoeken en als je dan daar werk vindt dat je aanspreekt dan kun jij dat weer op Facebook zetten. Op die manier ontstaat een even prachtig als grillig virtueel museum. Ik reageerde op de oproep van beeldhouwer Erik Buijs, die mij vervolgens een link gaf naar het werk van de Belgische beeldhouwer Johan Tahon.

Tahon maakt echt fantastisch werk. Het is monumentaal, het is museaal. Het confronteert, bevraagt de kijker, vertelt een verhaal. Kortom, Tahon moet – Tahon doet je goed.
Nu moest ik dus een werk van op Faceboek zetten. Dat was behoorlijk lastig. Toch vond ik er een. Nota bene een zonder titel, wat in het universum van Tahon best bijzonder is, want hij strooit graag met mysterieuze titels als: “Semen (Ich. Detail)”, of “Nan-Ping I”. Maar mijn keus heeft geen titel meegekregen.

johantahon_obsc_website

Het werk bestaat uit een kop, bijna letterlijk getrokken uit grijzige klei. Rond de kop is een eenvoudig rood draadje wol gestrikt. Het is een kale kop, het gezicht heeft een peinzende uitdrukking. De kop rust op een soort lange nek. Het is een ontzettend expressief beeld.
Bovendien is het gefotografeerd in … strijklicht. En hier is het niet gemeen of meedogenloos. Hier is het zacht en hard tegelijk. Het strijklicht draagt intens bij aan de expressie van het titelloze beeld. Even nadrukkelijk als achteloos. Het licht voegt zoveel toe, dat ik er ontzettend nieuwsgierig naar ben om het werk te zien in heel plat, alledaags licht. Het zal dan ongetwijfeld ook prachtig zijn, maar toch…

Justine leClerq Datzelfde licht, of eigenlijk diezelfde sensatie kan zich ook afspelen op papier. En dat is best bijzonder. Want licht dat een object omspeelt, ja, dat kan iedereen zich voorstellen. Maar licht dat taal bespeelt, dat als het ware deel uitmaakt van het universum van een boek – dat is minder voor de hand liggend. Zo af en toe kom je dat tegen. En dan moet je ervan genieten. Dat is een opdracht, maar het is bijna ook vanzelfsprekend. Het vanzelfsprekende van dat strijklicht in taal – laat zich lezen in het nieuwste boek van Justine leClerq.

In haar verhalen staan de bewoners van de zelfkant centraal, de ‘normale’ mensheid is verbannen naar de periferie.  LeClerq neemt je als lezer mee in de wereld van junks, hoeren, dealers, zwervers op een onnadrukkelijke manier. Zodra je begint te lezen in ‘Wegens geluk gesloten’ maak je deel uit van haar vanzelfsprekende universum. Het licht strijkt terloops over de woorden, over de karakters die je vooral leert kennen uit hun dialogen. Want dat is het bijzondere aan deze bundel verhalen (en het knappe van haar schrijverskunst): Justine leClerq biedt de ‘zelfkanters’ aan als een registerende camera. Het is een  ‘you see is what you get’ stijl. (Ze bewondert niet voor niets Bukowski). Wat je waarneemt is wat je leest – geen karakteromschrijvingen, geen uitweidingen over het weer of over het uiterlijk van de personen in de verhalen. Niks daarvan. Dialogen. En niet meer. En beslist niet minder.

Met haar camera schrijft leClerq de belevenissen op. Kleine gebeurens – met de intensiteit van een zwart/witfilm in de beste Hitchcock-traditie. Dat is het strijklicht waardoor haar karakters even nadrukkelijk als terloops tot leven komen. Ze lijken te bestaan op dat ene moment dat het licht over hen strijkt. Die terloopsheid maakt de verhalen net zo luchtig als indringend tegelijk.

Dat boek moet je dus lezen: ‘Wegens geluk gesloten’ kost maar 17,50 en is te koop in elke zichzelf respecterende boekhandel.

Kunstpraat 12.12.13: Noortje Zijlstra’s dierlijk universum (R.I.P.)


Ze dragen titels als ‘degrootstezullennietaltijddesterkstezijn’ en ‘mijnregenboog’ of ‘ongewonetapijten’. Zonder uitzondering gaat het hier om dieren. Opgezette dieren. Vogels. Muizen. Eekhoorns. Het is het dierlijke universum van Noortje Zijlstra.

En waar soms de naam al iets zegt over waar iemand mee bezig is (firma Beenhakker doet in rolstoelen, de heer Baksteen was voorzitter van de vereniging van piloten en Berend Strik…), is die van Noortje eerder misleidend. Dat komt vooral door die –tje. Dat maakt dat je verwachtingspatroon iets doet met ‘klein’, ‘lief’, ‘meis-je’.
Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Vervolgens is het ook niet zo. Want Noortje haalt merkwaardige dingen uit met haar dieren. Ze plaatst ze in een ander perspectief. Geeft ze postuum een nieuw hoofd of andere lichaamsdelen. Desnoods maakt ze van een eekhoorn een kaarsenhouder. Of beglittert zes rattenschedeltjes in vrolijke kleuren en hangt die in soeppotjes. 

36_dsc7220-2

Daarnaast is Noortje gefascineerd door haar. Of misschien nog meer door iets als ‘aaibaarheid’. Dus plet ze een rat en legt die elegant op de vloer met de titel ‘ongewoontapijt’. Maar evengoed plakt ze zelf baarden aan haar gezicht en laat zich daarmee fotograferen. En, nog wat extremer, ze neemt een echte baard, pluist die haar voor haar uit elkaar en vult daar zeven canvassen mee. Als extra commentaar bij ‘1baard7canvassen’ vermeldt ze nog dat het een jaar kostte om alle haartjes uit elkaar te halen. Voer voor psychologen, zou je zeggen. Maar gaat het echt daarom?
“Noortje, vanwaar die fascinatie voor deze dieren?” vraag ik.
“Tis vooral een grote liefde voor dieren waarom ik werk maak over en met dieren. Tis meer de vraag/ boodschap erachter: hoe gaan we met dieren om? Die ik naar voren wil brengen. Mijn thema’s zijn vaak mijn fascinaties voor bepaalde zaken; zo heb ik veel werk gemaakt rond “de baard”, algemene maatschappelijke kwesties als “weet wat je eet” en hoe gaan we met dieren om. Maar ook persoonlijke gebeurtenissen zoals het krijgen van een neefje of nichtje zie je terug in mijn werk.”
“Oké, maar eh…”
“Omdat het de mens is die zo IDIOOT met de dieren om gaat en niet anders om. Daarbij ben ik een grote dierenliefhebber.”

th-24_dsc0309

Natuurlijk, dat verklaart alles – not. Natuurlijk not. Als het zo simpel was, als het zo simpel aanvoelt zou iemand als de Belgische kunstenares Stephanie Leblon er absoluut geen been in zien om samen met Noortje te exposeren in Galerie De 7e Hemel. Want Stephanie is behoorlijk kritisch – zoals veel van haar Belgische collega’s. Dus is er meer aan de hand met Noortjes werk.

Het gaat over maakbaarheid – uiteraard, maar net zo goed over kwetsbaarheid. Het gaat over herschikken, over ‘tweede gebruik’, het gaat over humor – onmiskenbaar, maar net zo goed over cynisme. En het gaat over het opzoeken van grenzen. Maar wat mij betreft gaat het vooral om voor- en tegenstanders. Om geen middenweg. Noortjes werk is behoorlijk extreem, het dwingt standpunten af. Bij geen enkel van haar werken kun je een tussenweg bewandelen. Je vindt het of niks – eventueel walgelijk – of je vindt het prachtig. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat iemand dit ‘een beetje mooi’ vindt. Of ‘een beetje lelijk’. Of ‘een beetje grappig’. Noortje dwingt je om je standpunt te bepalen en bovendien jezelf af te vragen waarom je dat vindt.
Natuurlijk zijn ‘ongewonetapijten’ niet meer dan ‘voorstudies’ die waarschijnlijk nooit verder komen dan deze fase, maar ze zorgen wel ervoor dat je er stil bij staat en of je het wilt of niet er ‘iets’ van vindt: een papegaai als tapijtje is dat nou zieliger dan een schapenvacht op de vloer, of een zebrahuid? Of niet

37_dsc7257-2

En van een dode rat een koddig trekpopje maken – dat is toch eigenlijk hartstikke fijn voor die rat?

SONY DSC

Nou dan!

In de beeldende kunst hebben we het vaak over de ‘gelaagdheid’ van een werk. Vooral bij schilderijen is dat een betrekkelijk ‘makkelijk’ criterium om te gebruiken bij het bespreken/beoordelen. Je kunt er dan voor kiezen om het letterlijke standpunt in te nemen of het conceptuele. Bij Noortjes werk kun je eigenlijk alleen het conceptuele standpunt innemen als je praat over de gelaagdheid van haar werk. En dan kom je moeiteloos uit op meerdere lagen. Waarbij het nog altijd zo is dat je voor of tegen kunt zijn. Zo blijft Noortje vlijmscherp verrassen. Mooi is dat. Beestachtig mooi.

SONY DSC

Vanaf 16 februari t/m 22 maart 2014 in Galerie De 7e Hemel, Bussum dubbelexpositie: “Opduiken”  Noortje Zijlstra en Stephanie Leblon – dier en doek, zogezegd.

In november is de Hemel van Glas


Glasposter3.2 - uitnodiging-1 kopie

Kunstpraat 24 oktober 2013: Nick Andrews – Engelse Belg overdondert met intens werk.


In een van mijn favoriete Belgische galeries, De Zwarte Panter – Antwerpen, is momenteel werk te zien van de Engelse Belg Nick Andrews onder de titel Beyond the Scene. Nick (Londen, 1972) is in 1996 afgestudeerd aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en ‘dus’ Belgisch schilder. Wat mij betreft. Maar afgezien daarvan is Nick zo’n schilder/tekenaar waarop je verliefd wordt omdat alles wat hij maakt zo intens is, zo gekund, zo verhalend, zo godvergeten goed dat je het eigenlijk nooit over hem wilt hebben want je wilt hem voor jezelf houden. (Zegt de galeriehouder die bezig is een bestaan op te bouwen met zijn 7e Hemel).

In Beyond The Scene presenteert Nick gebeurtenissen, gedroomde scenes, bij verhalen die waarschijnlijk nooit zullen worden verteld, in elk geval niet door hemzelf. Hij geeft daarmee de toeschouwer alle ruimte om zelf het verhaal te bedenken. Het is zoiets als met 6-woord verhalen, die ooit door Hemingway waren bedacht, onder het motto ‘het beste verhaal vertel je in zes woorden’. Zijn oervoorbeeld luidde: “For Sale, Baby Shoes, Never Worn”. Op het moment dat je zo’n tekst leest ben je eigenlijk al bezig zelf het verhaal te (re-)construeren. Een paar jaar geleden heb ik met zulke teksten – gemaakt door Nederlandse en Belgische schrijvers tijdens de ‘Night writer’-avonden van Kluun – een serie spannende affiches gemaakt. Ze zijn nu nog te zien op de site van de openlucht-galerie waar ik ze exposeerde: www.k2g.nl

De scenes van Nick Andrews zijn als het ware het beeld bij de tekst die er nog moet komen. Nou is dat niet uniek. Er zijn genoeg andere schilders die dat ook doen. Maar de formule die Nick toepast is dat je als toeschouwer niet meer te zien krijgt dan het noodzakelijke – zijn scenes zijn vrijwel nooit ‘overzichten’, het zijn eerder details. Die je naar zich toe zuigen. Daardoor is de betrokkenheid met het beeld enorm. En dat maakt zijn werk bijzonder. Hoe merkwaardig de scene ook is die hij neerzet – er lijkt geen afstand te zijn tot de toeschouwer. Oke, oke – dat is uiteraard strikt persoonlijk, maar dat is deze hele blog. Net zoals elk kunstwerk dat is.

Tegelijk zijn de scenes wel degelijk te plaatsen. Zeker als je ze bij elkaar ziet – dan ontdek je dat het momenten zijn uit een circusbestaan. Er is zelfs een circusdirecteur te zien en er is een intrigerend werk waarin de cast van het circus wordt gepresenteerd – een van de weinige ‘totalen’ in deze serie. Nou is die associatie met circus niet zo vreemd als je weet dat Andrews Frederico Fellini (Italiaanse filmmaker) nam als uitgangspunt voor deze serie. Fellini was gek op circussen en extravagantia.

Nick circus totaal

 

Beyond The Scene betekent dan letterlijk ‘achter de schermen’. Maar er zijn ook genoeg werken bij die ‘voor’ de schermen spelen. Je kunt zelfs zeggen dat voor- en achtergrond in zekere zin samenvallen, ook in elk afzonderlijk werk. De afgebeelde personen hebben een achtergrond nodig – een open raam bijvoorbeeld van waaruit je een deel van het verhaal ‘hoort’.

Overigens speelt Andrews een uitermate subtiel spel met zijn ‘voorgrond’ en ‘achtergrond’. Je kunt niet zeggen dat hij slordig omspringt met de achtergrond, zeker niet. Je kunt wel zeggen dat zijn achtergrond, of eigenlijk de ‘setting’ ten dienste staat aan de figuren die hij daarin laat optreden. Zijn deze figuren al in een bijna impressionistische (voor veel toeschouwers overigens ook een verdedigbare ‘Ensor-istische’) penseelvoering afgebeeld – de omgeving waarin zij zich bevinden is nog een graad abstracter. Maar zodanig dat het lijkt of de figuren eruit zijn ontstaan. En juist doordat ze zich eraan ontworsteld hebben hun vorm krijgen. Je kunt zeggen dat Andrews organisch schildert. Die aanpak geeft zijn schilderwerk een enorme kracht en dynamiek – zelfs als hij twee (liggende) lijven schildert, gaat daar een ontzettende energie vanuit.

Die energie in kleuren en lijnvoering is kenmerkend voor alle werken van Nick Andrews. Het is intens in elk opzicht. Zo intens, zo impressionistisch, zo barok, zo overweldigend als de films van Fellini – ik weet het zeker, Frederico zou een groot liefhebber zijn geweest van Nick’s werk.

Naast tekeningen, aquarellen, grafiek en keramiek wordt ook het tapijt ‘Vessel Virgins’ tentoongesteld dat Vera Vermeersch Atelier naar een schilderij van Andrews heeft gemaakt.

Beyond The Scenes, Galerie De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-72-74, Antwerpen, www.dezwartepanter.com , Beyond the scenes is nog te zien tot en met 3 november. Op deze site vind je ook meer afbeeldingen van de expositie.

Kunstpraat 17 oktober: Raphaël Hermans beklimt de bergen van zijn intuïtie


De ene berg is de andere niet. Objectief gesproken. En subjectief. Ben je een wandelaar op vakantie dan is de berg die je beklimt meestal een recreatieve attractie. Ben je beroepsklimmer dan is de berg meestal een fysiek/organisatorische uitdaging. Woon je tussen de bergen, dan is elke berg een noodzakelijk gegeven, dat wordt beheerst door de seizoenen en waarmee je in het beste geval hebt leren leven.

 Een van de mooiste boeken die ik ken, is het middendeel van de trilogie die Jon Kalman Stefánsson schreef ‘Het verdriet van de engelen’. Kalman Stefánsson is een van de weinige schrijvers waarop ik echt jaloers ben. Zoals hij zijn woorden pakt, op een heel natuurlijke manier met metaforen werkt, erin slaagt om elke zin pure poëzie te laten zijn en tegelijk een echte verteller is – Wow! Het boek gaat over een postbesteller en een verder naamloze jongen die samen post moeten bezorgen in een onbekend, schaars bewoond gebied op IJsland . Er volgt een gevaarlijke tocht over bergen, langs fjorden, in de vrijwel voortdurend striemende sneeuw. Die waait als het ware uit het boek recht in je gezicht. ”De sneeuw klapt in hun gezicht als koude handen die raak slaan.”,  noteert Kalman Stefánsson. Zo, dus.

Die tocht die ze maken is bijna eh, ‘intuïtief’ – ze lopen op hun innerlijke kompas tegen de gevaarlijk steile hellingen op, struikelen even hard weer naar beneden, deels over paden, deels over ja, over wat eigenlijk? Intussen dromen ze over diezelfde bergen in de lente, als het gras frisgroen is, als er bloemen bloeien, als de schapen en de geiten erover lopen, als er liefde in de lucht zit.

Goed, lange inleiding, maar noodzakelijk. Want ik ben op bezoek bij Raphaël Hermans. Die schildert. Eigenlijk zijn leven lang al. Maar dan werkelijk. Daarnaast is hij bassist – dat je het weet, want een bassist in een band behoort tot de ritmesectie. En dat hoor je als het ware weer terug in zijn schilderwerk. Dat is namelijk behoorlijk ritmisch als je goed kijkt.

Nou is er iets bijzonders aan de werkwijze van Raphaël: hij heeft geen vooropgezet plan, geen idee – zou je bijna zeggen. Raphaël is zo’n schilder (en dat is hij echt) die zijn leven laat dicteren door zijn verf en zijn kwasten. Zoals veel schrijvers ervaren dat de ene zin logisch voortkomt uit de voorafgaande, zo accepteert Raphaël het dat hij ‘t niet zo voor het het zeggen heeft in de relatie tussen zijn materialen. Hij is vooral intermediar. Intuïtieve intermediair. Die tot voor kort nogal figuratief werkte, maar die nu steeds abstracter schept. Niet omdat hij dat vooraf heeft bedacht, maar omdat het zo gaat.

_MG_4424

Nou zou je kunnen denken dat Raphaël er ook verder niet over wil nadenken. Maar dat is dus niet zo. Wat hij doet is allereerst accepteren dat het process hem leidt – en niet andersom. Vervolgens, op een bepaald moment in dat proces, neemt hij weer de leiding, beredeneert het werk, kiest uiterst zorgvuldig zijn kleuren en kwasten en rondt het proces beheerst af.

Deze dagen werkt hij aan een tentoonstelling van schilderijen in De Nieuwe Liefde, Amsterdam. Ik zie twee soorten ontstaan: portretten, waaruit blijkt dat Raphaël – zoals zovelen – een groot bewonderaar is van Bacon, zonder echter de nieuwe Bacon te willen zijn, wat ook godsonmogelijk is. En bergen. Eindeloos veel bergen. Vooral toppen van bergen. Met hier en daar een ijslijk. Eindeloos veel bergen die eindeloos op elkaar lijken en die daardoor een bepaald ritme ontwikkelen – zie ‘bassist’ – wat nogal hypnotiserend werkt. Ongeveer zoals een berg zijn beklimmer in zijn greep kan krijgen. En ongeveer zoals een sneeuwstorm diezelfde beklimmer opeet.

Raphaël weet niet wat er voor hem ‘achter’ zijn bergen ligt. Hij vermoedt nog veel meer abstractheid. En als je een uurtje met hem praat, ontdek je dat hij oprecht dat avontuur wil aangaan. Voor hem geen interessant-doenerij, geen strategische afwegingen – Raphaël is bijna de boeddha onder de schilders die ik ken. Hij laat het materialisme voor wat het is en accepteert dat daarvoor in de plaats processen komen die hij simpelweg moet volgen zonder te vragen.

_MG_4410

Dat levert nu dus ijzingwekkende bergen/bergtoppen op. En dito portretten. Het leuke is, als je dit allemaal weet en hebt geprobeerd te begrijpen, dat je net als Raphaël nieuwsgierig wordt naar wat er komen gaat. Dus wat er achter die bergen ligt. Dus eigenlijk wat er achter zijn intuitie ligt. Ik vermoed, nog heel wat bijzonder werk. En op een dag ontstaat een werk dat leest als een roman van Jon Kalman Stefánsson, met zinnen als deze: ‘”De sneeuw klapt in hun gezicht als koude handen die raak slaan.” Maar dan in verf. In De Nieuwe Liefde ontdek je het begin van die bergbeklimming.

Ik kan het  niet laten Goehte moet erbij:

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest du auch.

 1815

luister maar