Davids boodschap – David vertrekt (32)


Het is eind januari 2016. Weer vier weken doorgekomen, of ‘overleefd’ of ‘weggezet’. Het maakt niet uit. Soms vullen de dagen zich met een leegheid die ik aangenaam vind, soms doet diezelfde leegheid pijn. Tijdens de aangenaam lege dagen kan ik het hebben dat David alleen nog bestaat uit stilstaande beelden, uit foto’s waarvan ik een aantal heb ingelijst en anderen die nog altijd dienst doen als bal in de Davidboom waarvan ik maar geen afscheid kan nemen. “Waarom staat die boom hier nog steeds?” vraagt Daniëlle. “Op die manier houd je jezelf gekluisterd aan David. Je hebt op je arm ‘En weer door’ laten tatoeëren maar op deze manier sta je stil.”

“Ik wil hem houden tot en met 4 april. Kan hem niet loslaten,” antwoord ik. De opmerking verwart me. Al die Davids in die boom vertellen een deel van zijn verhaal. Met een beetje fantasie veranderen ze in bewegend beeld. Dan roepen ze geen verdriet op. Niet meer. Blijkbaar kan zelfs verdriet in deze categorie slijten. Niet loslaten. Dat is iets anders. Ik zal hem nooit kunnen loslaten. Waarom zou ik ook? De foto’s prikkelen herinneringen tot korte filmfragmenten. Ik ben steeds weer blij verrast als het me lukt om een fragment geprojecteerd te krijgen. Soms vrolijk, dan weer droevigstemmend. Soms lijkt het pure poëzie, soms eerder horror. Bijvoorbeeld het fragment van dat scooterongeluk:

‘s Nachts hier in het dorp.
Tegen de richting in gereden.
Frontale aanrijding.
In de ruimte onder het zadel 6 flessen sterke drank.
David 17 jaar.
Politie aan de deur rond 04.00 uur.
Scooter total loss.
Helm aan flarden.
Kind in de war.

In zo’n filmpje schuilt weinig poëzie of het moet de Romantiek van de Dolende Puber zijn. Nee. Horror. Nog steeds rillingen over mijn rug, vooral als ik hoor dat toen hij op de grond lang, onder zijn helm vandaan een soort rochelen klonk alsof hij bezig was te sterven. Maar gelukkig niet. Nog niet. Hij was ‘slechts’ bewusteloos en beneveld. Ik vraag me nog altijd af of hij het opzocht. Maar hoezo? Hoe vaak reed ik op mijn brommer niet tegen de richting in? De wereld is van ons.

Of neem het absoluut poëtische fragment van Spookje, het vliegertje. David zal een jaar of 6 zijn geweest. Aan de horizon nog geen joint of fles sterke drank te bekennen.

We brachten veel vakanties door op Vlieland. En Vlieland betekent vliegeren. We hadden we mooi paars, vierkant vliegertje met een lachend spokengezicht. Op een dag waaide het hard genoeg om Spookje achter het huis op te laten. Het vliegertje steeg blij op. David en ik besloten dat Spookje zo lang mogelijk in de lucht moest blijven. Ik bond het eind van zijn touw aan een vlaggenmast. Die hele middag stond de vlieger hoog in de lucht te schudden van geluk in de wind. We besloten hem ook voor de nacht daar te laten want de wind zou niet afnemen. De volgende morgen was het touw verdwenen. Natuurlijk was het verdwenen. Samen met de vlieger. Een paar uur later riep David me. Hij wees naar het bos, verderop. Daar, hoog boven de bomen stond Spookje blij in de wind te wapperen, zijn touw gehaakt in een van de bomen. Vanaf dat moment keken we regelmatig of Spookje er nog was. Wat een onverwacht feest. Ruim drie dagen en nachten hing Spookje vrolijk boven het bos. Dat was nog eens spannend wakker worden. We renden ’s ochtends vroeg naar het raam om te kijken hoe het met Spookje was. Tenslotte kwam het onvermijdelijke. Spookje verdween alsnog en veranderde in een dierbare herinnering. David had het er later nog vaak over en het beeld van dat paarse vliegertje dat dagen achtereen eigenwijs boven de bomen hing, staat in mijn geheugen gegrift.

“Ik was in shock toen ik hoorde dat hij was overleden,” vertelt Daniëlle als we na haar opmerking over de Davidboom verder praten, “en eigenlijk ben ik dat nog steeds. Er zijn voortdurend van die momenten die ik altijd met hem deelde en die ik nu zonder hem moet beleven.” Op Facebook post ze het volgende mooie bericht, dd. 31.01.2016:

Australian Open finale 2012. Nadal vs Djokovic.

Ik houd David op de hoogte via de app. Hij staat in een pashokje kleding te passen en is samen met z’n vriendin. Vertel m over de ene na de andere weergaloze bal van Nadal of Novak. Er wordt gevochten, ik schreeuw bij ieder punt. Ik stuur ‘m foto’s door van de stand, hij van een nieuwe broek. De wedstrijd is bijna vijf uur onderweg als ik David app dat ‘we’ aan de 5e set beginnen. En dat hij nu echt hard op zoek moet gaan naar een tv. Hij stuurt me een Selfie met weer een nieuwe jas aan. Ik snap t. Ik hou ‘m zo goed als ik kan op de hoogte van de stand. Novak wint uiteindelijk na een zenuwslopend gevecht van bijna zes uur. 
Zo ging ’t vaak de afgelopen jaren, beetje samen kijken. Ik hier en hij in bed, pashokje of naast me op de bank.

Australian Open finale 2016. Djokovic vs Murray. Ik kijk alleen. Zet mijn pijlen opnieuw op Novak en hoop op een zes uur durend gevecht.”

Zou er een verschil zijn in rouwverwerking tussen vaders en (stief)moeders? Of tussen mensen die hun zinnen kunnen verzetten op hun werk en zij die hun dagen grotendeels binnen het huishouden doorbrengen? Ik sprak onlangs een vriendin en lotgenote die haar dochter verloor toen ze zes jaar was – ruim twintig jaar geleden. Zij vertelde dat zij nog altijd momenten heeft van missen en niet-missen. Ze is het ‘gewoon’ gaan accepteren. Als beeldend kunstenares heeft ze het verlies geïntegreerd in veel van haar werk. Dat helpt. Ze zegt: “Ze is altijd bij me. Maar er zijn ook momenten dat ik me ineens realiseer dat ik niet met haar bezig ben. Dan besef ik tegelijk hoevaak dat dus wel het geval is.”
Na al die jaren.
Zo gaat dat blijkbaar. Hoe ‘overleven’andere ouders hun vergelijkbare verlies? Ouders die niet in staat zijn om het overlijden van hun kind een plaats te geven in hun dagelijkse werk en bezigheden.

Ik vraag Miranda van der Meer, die een aantal jaar geleden haar dochter Sophie verloor, hoe zij dat ervaart. In een eerdere blog (nr 14) heb ik al over Sophie en Miranda geschreven. Na een half jaar min of meer sabattical in Nieuw Zeeland is Miranda met haar gezin ‘min 1’ in december teruggekeerd naar Nederland. “Ik realiseer me,” schrijft Miranda, “dat je het echt zelf moet doen, als ik niet goed in mijn vel zit kan ik dat alleen zelf veranderen. Probeer daarom weer beter voor mezelf te zorgen, daarin gesteund door Sophie die letterlijk heeft gezegd: “Ik wil dat jullie blij zijn”.”

“Heb jij bepaalde rituelen rond haar sterfdag?” vraag ik – want ik betrap me erop dat ik met Davids 4e april al bezig ben sinds de jaarwisseling: het is een bijna magische datum.
Miranda: “Sophie voelt op deze dagen altijd dichterbij. Iedereen zegt dan: “Het zal wel moeilijk voor je zijn”, maar zo heb ik haar sterfdag nooit ervaren. Wel onwerkelijk, maar niet moeilijk. Misschien wentel ik me graag in het verdriet, waarin zij dichterbij voelt. Misschien is ze daadwerkelijk dichterbij. Misschien de troostende gedachte dat er deze dag heel veel mensen aan haar denken. Het opstarten van (gedenk)rituelen geeft misschien ook houvast. Ik denk dat jij ook kracht zult putten uit die dag. Moederdag vind ik wel lastig, overigens. Ook kan ik de verhalen over 16 jarigen-diners moeilijk verdragen. Sophie zou in april 16 worden. Ordinaire jaloezie van mijn kant naar andere moeders (zelfs vriendinnen), dat zij wel hun dochter’s 16e verjaardag kunnen vieren.”

Die laatste opmerking is een bermbom in de rouwarbeid van ouders. Er zijn van die momenten waarop je keihard en ‘kei-emotioneel’ de confrontatie met jouw situatie door je strot krijgt gedouwd. Anders wil ik het niet formuleren. Schuurpapier! Wat Miranda hier schrijft over het 16 jarigen-diner is een hele heftige. En het afschuwelijke is dat je het niemand kunt verwijten. Natuurlijk gaat het leven van anderen verder. Net als mijn eigen leven. Maar de confrontatie met mijlpalen of piekmomenten van andere ouders met hun kinderen voelt steeds aan als een bermbom die onverwacht tot explosie komt. Als zoutzuur op de wond. Ik heb dat ook als een vriend vertelt dat hij met zijn zoon, die in dezelfde leeftijd is als David, naar de Biënnale van Venetië is geweest. Samen reizen, samen logeren, eten, kunst beleven, uitwisselen – vader en zoon. Ik gun het iedereen en mijn vriend in het bijzonder, maar op het moment dat hij erover vertelt, snijdt een gekarteld broodmes mijn lijf binnen en draait zich fanatiek om. Fysieke confrontatie met iets dat nooit meer hetzelfde is. Vaak excuseren mensen zich als ze met zo’n verhaal komen. Ik zeg dan dat dat absoluut niet nodig is. En dat ze zich vooral niet moeten inhouden. Maar niet eens zo diep in mijn hart denk ik: ‘ik niet, ik nooit, ik nooit meer’. Miranda noemt het ‘ordinaire jalouzie’ die haar bekruipt en doet zichzelf daarmee verschrikkelijk tekort.

Het is eigenlijk ook nooit goed. Miranda vertelt dat haar man sinds ze terugzijn, zijn oude werk weer heeft opgepakt en nu ’80 uur’ in de week daarmee bezig is. Ik zou graag een blog schrijven over zijn drijfveren om zo hard te werken, in zo’n bijzondere omgeving als het Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis, met op de achtergrond het overlijden van zijn eigen dochter dat hij met al zijn kennis en apparatuur niet kon tegenhouden.

foto 2-3Terug naar Davids boom. Vorige week donderdag kreeg ik tijdens het uitlaten van Bob een intense hypo – wat vreemd is want ik heb geen diabetes. Ik herkende het direct: het zweet dat je uitbreekt, het gevoel van dronkenschap – niet meer je situatie in de hand hebben, zwabberbenen. Ik had het David zo vaak zien ondergaan. Met moeite bereikte ik mijn huis. Dank zij een banaan en veel limonade lukte het me om de situatie te stabiliseren. Door die hypo voelde David dichterbij dan ooit. Nog enigszins wankel ging ik op de bank zitten. Het viel me op dat het licht in de kamer anders dan anders was. Eerst dacht ik dat het aan mijn wiebelige situatie lag. Maar toen zag ik dat de lichtjes in de kerstboom schenen als kleine schijnwerpers. Fel, keihard wit licht. Er waren niet veel andere lampen aan in de kamer dus het witte licht uit de boom domineerde de kamer op een bijna griezelige manier. Vervolgens ging een aantal lampjes weer normaal branden om enkele minuten later toch weer tot de felle stand over te gaan. Wat was dit? Een technisch mankement? Een boodschap van David bij die hypo? Toen gingen plotseling alle lampjes heel kort uit, lichtten daarna weer fel op en gingen ten slotte uit. En. Niet. Meer. Aan. Beeld op zwart. De kamer was donkerder dan duister, ondanks die ene lamp die wel aan was. Ik wist niet wat ik hiermee moest. Ja, uiteraard was een technische verklaring eenvoudig te vinden. Maar vanuit mijn rouwarbeid gezien een uiterst onbevredigend antwoord. Wat wilde David mij duidelijk maken? Want dat hij hierachter zat was wat mij betreft zo logisch als wat. Of eigenlijk: net zo logisch als onlogisch.

Wilde hij het signaal afgeven dat die boom nu wel genoeg was? Dat hij alvast het licht uitdeed en dat ik nu de rest maar moest doen? Gewoon omdat het tot 4 april nog lang duurt en die boom – hoe dierbaar ook – mij weerhoudt van een daadkrachtig ‘en weer door’? Ik vertelde het voorval aan enkele vrienden. Niemand keek er raar van op. Vanochtend sprak ik een van hen opnieuw: “Ik heb er dit weekend over nagedacht,” zei hij, “ik denk dat David je een mild signaal heeft willen geven. Als hij er echt de pest in had gehad, had hij die boom helemaal omgegooid. Daartoe acht ik hem best instaat. Maar nu heeft hij ervoor gekozen om inderdaad alvast het licht uit te doen. Hij vindt het mooi geweest en wil dat jij doorgaat met je leven. Jij moet nu verdergaan met het opruimen van de boom. Er zit niks anders op. Hoe symbolisch wil je het hebben?”

Geen ontkomen aan. Ik moet door. Vind David blijkbaar. Een paar dagen geleden vroeg iemand hoe het met mij ging. “Nieuw jaar, nieuwe kansen,” probeerde ik me onder de impact van die vraag uit te draaien. “Ja,” zei de ander cynisch, “dan zul je wel in beweging moeten komen.” Ik voelde me betrapt. Maar het is waar. Dat gevoegd bij de boodschap van David…

Vanavond maak ik een begin.

 

 

 

 

 

 

2015 herzien


De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 24.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 9 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

David in December – David vertrekt (29)


Het is vrijdagavond een jaar geleden. Miezerregen. Daniël en ik staan bij het busstation om David te halen. Zoals gewoonlijk zitten er nauwelijks mensen in de rode bus uit Amsterdam. Dat maakt het wel makkelijker om David op zijn vaste plek te herkennen: in het achterste deel van de bus; jongen met omgekeerde pet op zijn hoofd, vette krullen, bruin windjack. Hij zwaait. Op zijn gezicht is verder geen spoor van emotie te ontdekken.

Dagelijks zie ik die bus rijden. En altijd zit ergens achterin een David: omgekeerde pet, windjack. Tegenwoordig kijk ik maar een andere kant op als de rode bus langskomt. Er zijn zo van die dingen die ik liever ontken.

Daniël rent David tegemoet die behalve zijn rugzak een enorm voorwerp omhuld door vuilniszakken met zich meedraagt. We hebben dit jaar voor het eerst lootjes getrokken en ieder moet ten minste een surprise maken. Ik vermoed, ik hoop dat dit Davids surprise is.
We proppen ons in de kleine Peugeot waarvan nog maar een portier fatsoenlijk open en dicht gaat, en rijden naar huis.
Die avond vieren we de leukste Sinterklaas ooit. Even vergeten we andere zaken die ons bestaan dwarsbomen en bedreigen. We hebben allemaal ons best gedaan op de surprises en gedichten. Zelfs Daniël. Maar vooral David. Uit de vuilniszakken haalt hij een levensgrote ‘pick axe’, het fameuze pikhouweel uit computergame Minecraft dat Daniël en hij zo vaak spelen. We weten niet wat we zien, zo prachtig is het ding gelukt. Dan leest Daniël het bijbehorende gedicht voor en ik te gloei van trots. Het is David gelukt een echt goed, ritmisch, rijmend gedicht voor Daniël te schrijven. Wat een feest. De voorgaande jaren heeft hij nauwelijks moeite gedaan om voor Sinterklaas zijn best te doen. Dit gedicht en deze surprise maken dat in een keer goed.
David vertelt later dat hij met Philip zo’n drie dagen is bezig geweest om de pick axe in elkaar te zetten. We hebben hem nog steeds en koesteren hem, samen met de herinneringen aan die avond.

De afgelopen maanden kon ik alleen maar met angst en beven denken aan december. Als ik me ergens niet op verheugde, was het deze ‘feestmaand’. Hoe moesten we nu Sinterklaas vieren? Hoe kon deze Sinterklaas überhaupt de vorige evenaren, laat staan overtreffen met David zo aanwezig in onze herinnering? Dit is de ‘hoofdfilm’ van mijn geheugen – vanaf zijn aankomst met de rode bus, de miezerregen, tot de onthulling van de pick axe en het voorlezen van het gedicht.

DSC_0912

Een paar weken geleden vroeg Daniël om hem te helpen met het maken van de surprise voor school. Hij wil een PS4-controller maken, maar heeft geen idee hoe dat moet. Fanatiek stort ik me drie weken lang op kippengaas, repen papier, behanglijm en plakkaatverf. Het zorgt als ware bezigheidstherapie voor veel afleiding. s Nachts denk ik de volgende stappen uit en kan niet wachten tot het weer dag is.

We besluiten om met ons drieën lootjes te trekken en surprises met gedichten te maken. Direct is een ding duidelijk voor mij: ter ere van Davids inspanningen vorig jaar ga ik dit jaar al mijn energie erin steken. Dus naast de controller stort ik me op een remake van de onnavolgbare raket uit Kuifjes Mannen op de Maan en maak ik Trojaans paard. Heerlijk om te doen. Meer en meer verheug ik me op de komende 5e december. In plaats van met mijn hoofd tussen mijn knieën te zitten, borrelen de mafste ideeën op. Dit wordt mijn eerbetoon aan Davids Sinterklaas. Zoveel moeite als hij vorig jaar heeft gedaan voor zijn surprise en gedicht, zoveel inspanning wil ik dit jaar minstens leveren. Er is een doel, er is een datum, er is inspiratie – voor het eerst sinds lang. Ik verheug me.

Dan is het zover. We hebben allemaal ons best gedaan. Er zijn surprises. Er zijn gedichten. Er is marsepein, pepernoten en pizza. We zeggen: “David is er vanavond bij,” en meer niet. Want het is goed zo. Ander ritueel is niet nodig. Ook niet na afloop als de surprises hun geheimen hebben prijsgegeven, de gedichten zijn voorgelezen. We zeggen niet: “Weet je nog vorig jaar…,” of “Dit zou David ook leuk hebben gevonden…,” of “Ik mis hem toch wel.” Later die avond vraag ik me af hoe dat toch kan. Een antwoord kan ik niet vinden. Behalve dat ik merk hoe opgelucht ik ben: we zijn dus in staat om verder te leven. We geven het ‘nu’ alle voorrang en dat is een hele stap. Een maand geleden was dit ondenkbaar geweest, toen was 5 december een datum om liefst over te slaan, hard voor weg te lopen.

Het geeft vertrouwen in de komende weken. Kerst en Oudjaar zijn niet ver weg meer. Ik maak plannen voor een speciale Davidboom. Weer een project om me in uit te leven. Vanochtend kwam een zinnetje langs, uit het niets: “Ik had een zoon.” Dat voelt aan als een andere fase in mijn rouwarbeid. Het is berusting, mijn verzet tegen zijn dood lijkt in sommige opzichten voorbij. Er is ruimte voor andere zaken. Ik wil geloven dat David mij die ruimte geeft: “Pap, ga nou maar door,” ik hoor het hem zeggen terwijl hij in de rode bus stapt die hem terugbrengt naar zijn gelukkige leven met Philip, met Borgia, met Budget Energie, met zijn talloze vrienden.

 

 

David en het verzet – David vertrekt (10)


dat je opbelt: ‘alles goed, Pap?’
dat je appt: ‘Daan, hoe laat spreken we af bij de Zara, ik heb een leuke broek gezien.’
dat je ruige spelletjes doet met Bob, ook jouw hond
dat je Daniël vermanend toespreektDSC_0912
dat je met Philip twee dagen werkt aan de sinterklaassurprise voor Daniël
dat je je zorgen maakt over ons
dat je eindelijk groente eet dank zij Jim die voor jullie kookt en van jullie houdt
dat je Daniëlle plaagt met haar psychologie en haar healing
dat je met ons praat over je pubertijd en zegt dat we toch wel strenger hadden mogen zijn
dat ze op je werk van je houden om wie je bent: betrokken, slim, eigenwijs, elegant bot, vrolijk

dat je trots vertelt dat je bent gevraagd voor de lustrumcommissie – je gaat de communicatie doen
dat je vertelt over je werk met een enthousiasme dat we niet van je kennen
dat je vertelt over parkiet Vogel en hoe Philip de dode Vogel in een bootje de Amstel liet afvaren
dat je vertelt over het kattenluik dat Philips broer in de nieuwe boekenkast heeft gemaakt, zodat jullie nu op zoek kunnen naar een poes
dat je praat, lacht, plaagt, baalt – zoals alleen jij dat kan

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

met pup Bob, op het voetbalveld bij Daniël.

dat je chagrijnig bent omdat je te laag zit met je bloedsuiker
dat je schoenen ’s ochtends in de gang vertellen
dat je gisteravond laat ben thuisgekomen voor het weekend
dat je in de auto je nieuwste muziek laat horen: ‘deze vind jij ook mooi, Pap’

dat je niet vertelt dat je na die ene afspraak nooit meer op diabetesconsult bent geweest
dat je niet vertelt dat je je zorgen maakt om je diabetes en besluit om de bloedsuikerstanden een week lang gedetailleerd bij te houden (ontdekken we na je overlijden in je opschrijfboekje dat je van Daniël voor sinterklaas kreeg)
dat je altijd sokken hier vandaan meeneemt en in je klerenkast een plastic tas staat, tot de nok toe gevuld met sokken – meestal in enkelvoud
dat je me tijdens een wandeling met Bob vertelt dat je zo ontzettend moe bent

dat je vindt dat je eigenlijk teveel aan je hoofd hebt
dat je niet wilt en niet kunt kiezen tussen al je activiteiten want alles moet
dat je het leven omhelst en daarmee voorbeeld bent voor zoveel mensen

Dat dat allemaal verleden tijd is, ook al noteer ik het in de tegenwoordige tijd – ja voor altijd leraar Nederlands, tekstschrijvertje, je weet het. Het zijn allemaal dingen die wij nog steeds niet kunnen en willen begrijpen. Ze vormen het netwerk van ons verzet tegen jou hier-niet-meer-zijn.

Wij leren dat acceptatie het opgeven van verzet is. We willen het geloven. Graag zelfs. We willen ons IMG_0053daarheen mediteren. Echt. Maar ook echt niet. Het is angst – ik beken. Wat geef ik op als ik me niet meer verzet? Hoor ik je dan bijvoorbeeld nooit meer zeggen: ‘Hoi Pap, alles goed?’
Kan ik mijn verzet opgeven terwijl ik je zo ontzettend mis? Is iemand missen ook een vorm van verzet? Moet ik daarmee stoppen, vriendje? Zo werkt dat toch niet? Zeg dat het zo niet werkt. Geef ’n teken. Laat Bob flapperen met zijn oren, weet ik veel.

Laatst kreeg ik de fotocollage die tijdens je begrafenis is getoond. Ik kan hem eindeloos afspelen. Genieten van al jouw momenten. De rare bekken die je trekt. Jij met al die meisjes, het ene nog mooier dan het ander, ik ben trots op je. Hoe gretig kan iemand het leven inkijken? Nou zo. Genieten van die foto’s versterkt mijn verzet alleen maar. Hoe kan dit niet meer zijn?  Alles van, met, aan jou is nooit meer. Het is niet te vatten. Alles in ons verzet zich daartegen. En zolang we ons verzetten, kunnen we ook niets accepteren. Moet dat dan? “Accepteer het verzet ook maar gewoon, Han,” schrijft een wijze vriendin.

Het opgeven van verzet betekent acceptatie van ‘wat is’ – en ‘wat is’ gaat over wat ‘is geweest’, namelijk jouw leven. Verzet is per definitie breekbaar. Het buigt niet mee als riet in de wind. Het is star. Houdt voet bij stuk en is daardoor gevoelig voor geweld. Als je, zoals de boeddhisten, gelooft dat alles in beweging is, een proces – dan begrijp je dat verzet het proces tegenhoudt. Als je dat kunt opbrengen, geef je aan niet te hechten aan wereldse emoties. De dingen komen. De dingen gaan.

Ons verzet is onze aardse gehechtheid aan jou, David. We kunnen je (nog) niet loslaten. We kunnen de tekst dat iemands dood niet betekent dat je hem loslaat maar anders leert vasthouden, die tekst kunnen we (nog) niet op zielsniveau uitvoeren. En waar het verzet breekbaar is, zijn wij dat ook. Wij ervaren dat elke dag, elke minuut, elke nacht tussen waken en slapen. We ervaren het in de dagenlange piep in ons oor, in de hoofdpijn die maar niet weggaat, in de voortdurende vermoeidheid, in de pijn in onze spieren, in onze tranen. Het zijn allemaal resultaten van ons verzet. We doen onszelf (dus) pijn, we plegen als het ware zinloos geweld op onszelf. Alleen maar omdat we in stand willen houden wat is opgehouden.

Onmogelijke opgave. Naast alle pijn, die voor een deel te maken heeft met het verzet, wil ik die enorme hoeveelheid verlangen naar wat was omkeren. Ik zet het om in vieren wat is geweest. Genieten van de herinneringen. Blij dat we dat alles hebben meegemaakt. Blij en trots op jou. Op al die momenten die we samen waren, op al die keren dat we er voor elkaar waren, op alles wat jij voor ons hebt gedaan en vooral betekend. Zo wil ik jouw leven bekronen met alles wie en wat jij was. (“Ja, Pap, en weer door.”)

IMG_2018

David en de agenten – 4.4.15, 23.30 u – David vertrekt (9)


Ze stonden er als silhouetten geknipt uit de nacht: twee jonge mannen in politie-uniform compleet met riem waaraan traangas, pistool, walkie talkie. Indrukwekkend door hun donkerblauwe verschijning tegen de zwarte avond. Indrukwekkend door hun serieuze blik. Vastberaden. Een van hen hield een notitieblokje in zijn hand en stelde controlevragen om zeker te weten dat ze aan het juiste adres waren. Ik vroeg wat ze kwamen doen en dacht direct aan David. Het voelde niet goed. Ze wilden binnenkomen want ze hadden een boodschap die je niet aan de deur afhandelt, zeiden ze. 

David was dood vertelden ze toen we binnen aan de tafel zaten: ‘uw zoon is vandaag overleden’. Ik was de twee trappen naar de slaapkamer opgerend om Daniëlle te roepen: “Je moet komen. David is dood.” Had ik het anders kunnen brengen? Na minder dan drie kwartier vertrokken ze. Opdracht volbracht. In drie kwartier tijd waren de politiemannen veranderd van neutrale gezagsdragers tot boodschappers van het slechtst denkbare nieuws. Ze waren aangeslagen, want leeftijdgenoten van David en dan is het overbrengen van zo’n bericht toch anders, zeiden ze. Dat was lief.

Ze waren via de Meldkamer in contact gekomen met  politiebureau Ferdinand Bolstraat, Amsterdam. Die had alle informatie verstrekt: David was rond 18.00 uur door vrienden gevonden in zijn eigen bed, hij was waarschijnlijk eerder op de dag gestorven, zijn lichaam was in beslag genomen, want het is verdacht en vreemd dat een 23-jarige overlijdt. De boodschap sneed door mijn zenuwbanen en verdoofde elke emotie.

Als gevaar recht op je afkomt, zie je het meestal niet. Je merkt het pas op als het te laat is. (Als je het dan nog kunt opmerken.) Je ziet het niet omdat je het niet kent, dus niet herkent. David had de dood niet zien aankomen. Het leven, dát kon hij herkennen als geen ander. Maar de dood, nee, uiteraard had hij geen idee hoe die eruit zag. Ook niet toen hij erdoor in zijn slaap werd overvallen. Het zou zomaar kunnen dat de dood zelf ook geschrokken was van zijn daad. Maar de dood heeft geen moraal.

Ik sloot de deur zacht achter hen en pas op dat moment drong het drama tot ons door. David was al uren dood. Wij hadden deze dag geleefd alsof hij leefde. Wij hadden over hem gepraat zoals zo vaak, ons verheugd op Tweede Paasdag die we bij hem en huisgenoot Philip in de ‘FeBo’ in Amsterdam zouden doorbrengen voor onze eerste Paasbrunch (uiteraard met mierikwortel, ham en ei – hongaarse gewoonte die hij via mij van mijn moeder had geërfd). We hadden erover gesproken hoe fijn het was dat hij de zaterdag ervoor bij de opening van mijn expositie ‘Aan het Water’ was, samen met Daniël.
We… Hij… We… Hij – nooit meer? Wat nooit meer? Hoezo?

CIMG0003

Een week of vier na zijn schitterende begrafenis ontdekten we dat het ons moeite kostte om die eerste week vol emotie, stress, organisatiedrang, terug te halen en vast te houden in al zijn details. We herinnerden ons de agenten en beseften dat zíj de portiers waren naar Davids dood op die 4e april. Zij openden de poort naar die gruwelijke gebeurtenis.  We wilden ze opnieuw spreken en nodigden ze uit om ons te helpen met de reconstructie van die avond.

Het is woensdagmiddag, 20 mei, 15.00 uur. We zitten thuis aan tafel met beide agenten, die we nauwelijks herkennen in het daglicht. Jongens zijn het. De een, die indertijd het woord voerde, heeft geen dienst. In zijn burgerkleren is hij ineens heel gewoon. Hij studeert nog aan de Politie-Academie. Was de 4e april op stage. De ander is nog niet zo lang geleden afgestudeerd aan de P-A. Ook nu doet de stagiair voornamelijk het woord.

Tijdens hun opleiding krijgen ze training met acteurs in het brengen van slecht nieuws, vertelt hij. De avond van de 4e april werken ze voor de tweede keer samen. Rond kwart over elf komt het verzoek van de meldkamer of ze ‘Amsterdam’ willen bellen. Aldus. Ze overleggen of ze deze klus samen oppakken, of dat ze een ervaren collega vragen om de plaats van de stagiair in te nemen. Ze besluiten het als team te doen. Ze vragen informatie op over de bewoners van ons adres. Want je moet wel bij de juiste mensen terechtkomen. Ze besluiten dat de stagiair het woord zal voeren. En stappen in hun auto. Er zijn amper tien minuten verstreken. In de auto nemen ze de gegevens nog een keer door. Ze voelen de spanning toenemen.
“Ja”, zeggen ze, “het was spannend, we wisten niet wie of wat we zouden aantreffen en vooral niet hoe jullie reactie zou worden – het kan van alles zijn, mensen kunnen kalm blijven maar ze kunnen ook bij wijze van spreken met stoelen gaan gooien. Het was maar een korte rit naar uw huis. We belden aan en u deed open. We waren blij dat we u niet uit bed moesten bellen. Het was lastig, moeilijk.”

Ik herinner het me nog. Zoals ze daar stonden. Zoals ik daar stond. Afwachtend, benieuwd maar tegelijk gealarmeerd, want dit is al de derde keer in een paar jaar tijd dat ik op een raar tijdstip met de politie te maken krijg. De eerste keer omdat mijn vader ’s nachts in gevecht met demonen zijn hele slaapkamer aan diggelen had geslagen, wat voor enig burengerucht had gezorgd. (“Is uw vader wel vaker in-adequaat?” vroeg de politieman door de telefoon.) De tweede keer omdat David op zijn scooter met een vriend achterop ’s nachts tegen de richting in had gereden en prompt werd geschept door een auto die van rechts kwam. En dan nu de derde keer. Scheepsrecht – niemand heeft me ooit verteld dat de derde keer de dood tot gevolg heeft.

“Hoe vonden jullie onze reactie,” vragen wij. “Gelukkig werden er geen stoelen gesmeten,” antwoordt de stagiair vriendelijk. “Jullie waren kalm. Ik herinner me dat u (hij kijkt Daniëlle aan) emotioneler was dan u (kijkt mij aan, onderzoekend).” Ik voel me geroepen om te vertellen wat er in mij omging. Het was de verdoving van ongeloof. Dat gold voor ons allebei. Hun bezoek, de boodschap die ze brachten was zo verpletterend dat het onmogelijk was om er een emotie aan te verbinden, vertel ik.
Ze knikken. Ze hebben geleerd dat dat kan gebeuren. “We vinden dat jullie het heel erg goed gedaan hebben, die avond,” zeg ik. “Jullie bleven kalm, je nam je tijd.” Ik zeg niet erbij dat zij tegelijk voor altijd het keerpunt in ons bestaan blijven. Ik voel tranen achter mijn ogen branden.  4 april, 23.30 uur komt weer levendig terug. Maar vanuit een ander besef. We kunnen Davids dood nu niet meer ontkennen, zoals we die eerste momenten wel deden. Dit is de realiteit. En we hebben er zelf om gevraagd.

We vertellen over de begrafenis. Over de kist met David in de dispuutskelder aan de Oude Zijds, over de tocht door de grachten en de Amstel naar Zorgvlied met 7 boten. We laten ze de rouwkaart zien en de dankkaart. Aandachtig lezen ze de tekst. Voor het eerst zien ze een foto van David. Ze kijken er lang naar.  Ze zien een leeftijdgenoot met een brede grijns op zijn gezicht – midden in het leven.
Ze luisteren naar ons verhaal. Aandachtig. Ze stellen geen vragen. Wat moeten ze ook vragen? Wat we aan elkaar vertellen zijn antwoorden op niet-gestelde vragen.
“Hoe voelde het na afloop? Toen jullie weer terugreden?” vraagt Daniëlle. “We waren opgelucht. Het was meegevallen. De spanning viel van ons af.” Terug op Bureau Naarden waren ze direct aan de slag gegaan om een team te formeren dat naar Davids moeder zou gaan. Ze besloten dat in elk geval een vrouwelijke collega mee moest. Zelf bleven ze op het bureau. Hun chef ving ze op, haalde koffie en liet ze hun verhaal vertellen.
“Dat was de nazorg?” wil Daniëlle weten. “Ja, dat was het,” zeggen ze.
Zo kan dat dus gaan. Ze lijken er niet mee te zitten. Wij wel want wij interpreteren vanuit onze eigen situatie. Ik herinner me een prachtige reclamecampagne van lang geleden met de kopregel: “Is er koffie na de dood?”

Dan zijn we klaar. Zij zijn – opnieuw – opgelucht. We nemen afscheid als goede vrienden en blijven aangeslagen achter. De dagen daarna vallen we terug in de emotie van toen. Dit was geen vrijblijvend gesprek. Het was te essentieel. Het ging over teveel. Nu pas beseffen we wat we die 4 april, 23.30 uur hebben gehoord. Er valt niets meer te ontkennen. David is dood. Definitief. Ik kan die agenten helemaal niks kwalijk nemen.

1518020_1386295468367642_983730895440094195_n

David Travolta

 

 

David en Philip – David vertrekt (8)


Dit blog is voor en van Philip, Davids huisgenoot en dikke, dikke vriend. Philip en David kenden elkaar nauwelijks toen Philip hem uitnodigde een kamer bij hem in het appartement in de FeBo – de Ferdinand Bolstraat – te huren. Maar er was iets tussen hen dat het gevoel gaf dat het wel goed zat. Al gauw bleek dat een understatement.

David kon al snel niet zonder Philip. En omgekeerd. Het was een vriendschap in steen gebeiteld. Het huis aan de FeBo werd een begrip. De anekdote gaat dat vaste vrienden een eigen manier van bellen hadden en dat zodra de bel niet in de een of andere code klonk, David en Philip eerst uit het raam keken om te zien wie er voor de deur stond. Was het iemand waarin zij geen zin hadden, dan ging de deur niet open.
Zo is er een boek vol te schrijven over deze unieke vriendschap, die met zijn warmte ook uitstraalde over de vaste vriendengroep die zich al snel ontwikkelde. Het was dan ook een mooie combinatie: David, de brutale, charmante, goedgebekte, aanvankelijk slordige – en Philip, de schuchtere, hoekige, aarzelende, meer georganiseerde. Beiden hielden van sport: hockey, voetbal. En van televisieseries die ze graag alleen met z’n tweëen vanaf de bank bekeken. Als David het weekend bij ons doorbracht, was dat meestal tot en met Studio Sport. Daarna moest hij echt weg om samen met Philip naar de nieuwste aflevering van televisieserie Divorce te kijken. Het was de mooiste vriendschap ever.

Hoe mooi, blijkt uit de toespraak die Philip hield op Davids begrafenis. Het is een tekst die leest en klinkt als de mooiste poëzie. Hier staan woorden en zinnen waarvan de meeste liedjesschrijvers nog wat van kunnen leren. Lees zelf maar. En geniet:

David,                                                                                                           DSC_1194
mijn favoriete huisgenoot,
mijn enige, tevens mijn dagboek,
en ik de jouwe.

Wij hebben zoveel mooie herinneringen,
zoveel dingen die ik me niet kan inbeelden zonder jou.

Onze plannen om volgend seizoen samen te gaan hockeyen zullen er helaas nooit van komen.
We zouden hoe dan ook promoveren en in onze gedachten hadden we elke wereldgoal al uitgestippeld. Die ga ik uiteraard nog voor je maken! En als het mag met je nieuwe stick.
Die staat nog op 0.
Afgelopen woensdag heb ik al met je team mogen mee trainen.
Ik weet zeker dat je trots was geweest op de opkomst, mijn  conditie, de solo van Felix en je vader die kwam kijken. Hij heeft genoten.
Philip en David

Philip en David

Gelukkig heb ik wel jarenlang met je mogen wonen.
Met je gevochten en met je geknuffeld. Zo veel beleefd zoveel besproken.
Voor mij was niemand zoals wij.
Ik zal elke dag op je wachten, zo rond een uur of 6, als je chagrijnige hoofd de deur binnen komt en binnen enkele seconden met een grote grijns mijn laatste energie steelt om vervolgens te vragen of ik niet even op “thuisbezorgd” kan gaan kijken. We hebben het onszelf zo fijn gemaakt op de FEBO.                                                         Philip

Ik ga het zo missen.
Ik mis nu al je afro in de ochtend,
je gezeur in de keuken en
zelfs de potjes Fifa voor het slapen.
Maar het meeste mis ik de tijd die we nog voor ons hadden. 
Eindelijk waren we zo goed op weg.
Op 14 april 2012 begon ons avontuur. het had nooit zo snel mogen eindigen, maar ik hoop dat je over 3 dagen naar me kijkt en met me proost op de 3 mooiste jaren van ons leven.

Regelmatig kwam Davids broertje, Daniël, op de FeBo om samen met David en Philip potjes Fifa en andere games te spelen. Het waren de mooiste middagen voor Daniël. En voor David. En voor Philip. Daniël genoot van die grote jongens. Hij genoot van de geur in het huis: combinatie van verschaald bier, rook en Davids Jean Paul Gaultier. Hij genoot ervan om met David over de Albert Cuyp te wandelen en een broodje kroket te eten. Of poffertjes.

Voor Davids uitvaart leverde Philip drie nummers in die zijn gevoel en zijn relatie met David symboliseerden. Als ik dit blog schrijf is het intussen zo’n 7 weken later. Philip vertelt me dat hij deze liedjes nog elke dag draait: “ze zijn zo mooi,” vertelt hij. Hieronder per lied enkele tekstfragmenten. Maar wat je beter kunt doen is de hele versie even ophalen op YouTube.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik was het maanden al van plan
Maar pas toen iedereen gezegd had dat het niet kon ging ik lopen
Kijk me lopen toch, hier loop ik dan.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik heb de meningen geteld
En heb bedacht dat het niets uit maakt
Want als men niks vind word zelfs dat nog als een mening je verteld.

Vandaag ben ik gaan lopen
En waar ik loop is van nu af aan een weg.

Vandaag ben ik gaan lopen
Ik maak me klein bij elk geluid
Ik ben veel banger dan ik was, toen ik nog stil stond
mag zo wezen, maar ik kom eindelijk, ik kom eindelijk voorruit.

link naar liedje

Toen ik je zag
“Ik dacht nooit aan morgen, vandaag was lang genoeg
Totdat ik jou zag en ik dacht ineens aan morgenvroeg

Ik hield niet van de liefde, voor mij was er geen vrouw
Totdat ik jou zag en ik hield zomaar ineens van jou (-)

Ik kon om niemand lachen, ik was tot niets in staat
Nu ben ik dag en nacht een zon omdat ik weet dat jij bestaat
Ik bleef altijd binnen, echt vrolijk was ik niet
Nu loop ik zelfs te fluiten en ik kijk of ik jou ergens zie

Je hebt niet in de gaten wat je allemaal met me doet
Dat kun je ook niet weten, ik heb je pas één keer ontmoet
En toen heb je mij misschien, niet eens gezien

Want je hebt niet in de gaten wat je allemaal met me doet
Dat kun je ook niet weten, ik heb je pas één keer ontmoet
En toen heb je mij misschien, niet eens gezien.”

Link naar liedje

“The Truth”, DR. DOG –
The truth don’t stop
It makes you move
Round and round
Like the moon
It’s coming down
The truth don’t stop
(-)
The truth don’t stop
Another day (-)
It’s coming downThe truth don’t stop
It’s really coming
The truth don’t stop
It’s falling hard
The truth don’t stop (-)
Thunder and lightning
Let the rain fall
Let the rain fall
Let the rain fall

link naar liedje

 

David ‘caught in the act’ David vertrekt (6)


Voor de spiegel staan met je ogen dicht. Dan. Razendsnel. Je ogen open. Je ogen dicht. En hopen dat je kunt zien hoe je er met dichte ogen uitziet. Toen de selfie nog niet bestond was dat een spannend avontuur. Matisse’s man die voor de spiegel staat en niet zijn gezicht en voorkant ontmoet maar zijn achterhoofd en rug. Intrigerend beeld.

In navolging van Picasso – die voor de Paris Match een reportage had gemaakt, waarin hij schilderde met licht – maakte CoBrA-kunstenaar Eugène Brands in de na-oorlogse jaren een serie foto’s die berustten op hetzelfde principe: je neemt een simpele zaklantaarn, een verduisterde kamer, een flitslamp en uiteraard een fotocamera.

Samen met de Amsterdamse fotograaf Lemaire (zoon van de galeriehouder in etnografica met wie Brands ook nauw samenwerkte) maakte hij zich de techniek van Picasso eigen. Hij ontdekte dat een van de belangrijkste onderdelen was, het op het allerlaatste moment inflitsen van het beeld.
Brands was onder meer een begenadigd tekenaar. Dat zie je goed op zijn lichtschilderijen. Hij kon ‘op de tast’ de mooiste (vis)vormen tekenen met licht. Bij het lichtschilderen moet je de sluiter van je camera voor langere tijd openzetten.
Maar er komt nog een ander bijzonder gegeven bij. Stel dat je bij daglicht een straat fotografeert met een lange sluitertijd, dan zorgt die ervoor dat alles dat bewegend langs de camera komt, niet wordt vastgelegd. Dat effect zie je ook bij de lichtschilderijen. En dat maakt ze ongelooflijk boeiend. Op elk schilderij zie je namelijk Brands – precies aan het eind van het hele proces van het lichtschilderen. Al zijn voorafgaande bewegingen zijn opgeslokt in de (sluiter)tijd. Op dat laatste moment wordt hij als het ware bevroren, zodra hij kort wordt belicht door de flitser. Als kijker ben je zo, meer dan bij welk ander schilderproces, getuige van het allerlaatste moment van de schepping door de kunstenaar.

Dichterbij kun je niet komen. Dat geeft de lichtschilderijen een bijzondere intimiteit. En het biedt de kijker telkens opnieuw de gelegenheid om zich af te vragen waar de tekeningen eigenlijk zijn begonnen en hoe de volgorde van het raadselachtige proces is geweest. Je blijft kijken en je blijft proberen te begrijpen. Het is als het leven zelf.

Eugene Brands gevangen aan het eind van het schilderproces

Eugene Brands gevangen aan het eind van het schilderproces

David werd zo’n 12 uur na zijn overlijden gevonden, liggend op zijn buik – zijn neus diep gedrukt in zijn hoofdkussen, zijn armen gespreid. Ik heb hem helaas zo niet mogen zien. Vanwege de autopsie en ambtelijke regels zagen wij hem pas zes dagen na zijn overlijden. (Dat zit ons verschrikkelijk dwars. Maar daarover gaat deze tekst niet. Dat komt nog wel.) We moeten het dus hebben van de verhalen van zijn huisgenoot en de vrienden die hem hebben gevonden. En van een andere, stille getuige.

Het kussen waarop David heeft gelegen, draagt als een lijkwade de sporen en zelfs heel herkenbaar de neusafdruk van David. Eerst hield ik het weggestopt in een anonieme grijze vuilniszak. Te confronterend. Ik had er geen moment goed naar gekeken, maar wist dat ik het in elk geval nooit weg zou gooien. Een paar dagen geleden nam ik het kussen toch in mijn handen, hield mijn hoofd er tegenaan, probeerde hem te ruiken. Even zo dicht mogelijk bij hem zijn.
Naarmate ik langer keek, en vertrouwd raakte met Davids sporen op het kussen, besefte ik dat ik hier de David uit de laatste seconden van zijn leven in mijn handen had. Misschien zelfs de eerste momenten van zijn niet-leven. Daardoor is dat kussen de kostbaarste en dierbaarste herinnering aan een leven dat met licht geschilderd was.

David had het leven in lichtende lijnen getekend, zoals maar weinigen kunnen. Voor ons, voor zijn vrienden en Philip zijn huisgenoot (“ik mis je gemopper in de keuken…”), voor zijn Borgia en voor zijn collega’s. Toen de laatste lijn getrokken was, flitste het levenslicht nog een keer bij. En zoals Brands op zijn lichtschilderijen is gevangen exact aan het eind van het scheppingsproces, het meest intieme moment, zo is David op zijn kussen ‘caught in the act of life’. Of wellicht beter ‘caught in the exit of life’. Intiemer bestaat niet. Dramatischer evenmin.

Op zijn eigen, onnavolgbare manier had David van zijn leven een uniek lichtschilderij gemaakt. En daarmee velen geraakt. Net als bij Brands blijft het intrigerend om de lijnen van dit leven te volgen en het ondraaglijke moment van intimiteit te ervaren, of wellicht zelfs te vieren, van het eind van deze schepping. We blijven kijken en we blijven proberen te begrijpen. Ook na zijn Hemelvaart.