Koop dat boek. ‘David Vertrekt – 38 blogs van rouw’: € 19,50 pp. nu verkrijgbaar


cover boekWaarom. Daarom.

Tijdens en lang na het schrijven van de 38 blogs over David en over mijn rouwarbeid kreeg ik reacties van bekenden en ook onbekenden die schreven hoeveel de teksten voor hun betekenden. Niet zo lang geleden nog werd ik aangesproken door een volstrekt onbekende moeder die vorig jaar haar zoon was verloren: 23 jaar! Zij had veel steun gevonden in de Davidblogs. Het schrijven van de blogs hielp mij in mijn rouwarbeid en als het inderdaad zo is dat anderen er ook baat bij hebben, is het mooi en logisch om de volgende stap te zetten. Dus hebben we de blogs gebundeld tot een prachtig boek.  Zie de voorbeeldpagina’s in dit bericht. De zwarte stip in het ontwerp wordt straks een gat, van voor naar achter – waarmee we de leegte die David achterlaat symboliseren.


‘David Vertrekt’ – € 19,50
De Davidblogs worden uitgegeven door Leporello Uitgevers, Amstelveen en zijn verder ook verkrijgbaar via (de site van) elke boekhandel. Leporello geeft zeer bijzondere boeken uit, bijvoorbeeld over Pierre Audi, Reinbert de Leeuw, Rembrandts Olifant en over communicatie. De vormgeving van ‘David Vertrekt’  is in handen van graphic designer Reinoud van Hasselt, een van de beste die ik ken, die David vrij goed heeft gekend en die indertijd ook de vormgeving heeft verzorgd van Davids’ rouwkaart.

 

 

Op deze pagina’s zie je enkele voorbeelden. Het is een mooi en bijzonder boek geworden van zo’n 160 pagina’s dat hopelijk inspireert en troost biedt aan iedereen die David heeft gekend en aan  ieder die zoekt naar de bijna onmogelijke antwoorden op de bijna onmogelijke vragen over leven en dood.

Recensies/reacties van lezers:

“Ik heb een vriendin/collega jouw boek cadeau gedaan omdat ze tien jaar geleden haar zoon heeft verloren en nog steeds rouwt.  Ze is erg blij met het boek, vindt het heel herkenbaar en heet het idee dat ze de psycholoog niet meer nodig heeft na het boek…”

“Ook na het eerder lezen van de David-blogs komt het boek indringend over. Maar ook mooi, liefdevol, warm. Ik kan me indenken dat andere ouders die zoiets meemaken hier echt wat aan kunnen hebben. En bovenal is het natuurlijk gewoon een fantastisch eerbetoon aan David.”

 

hanvanwel@kpnmail.nl

 

Advertenties

David, de stad… David vertrekt (3)


De stad waar je bent komen wonen, voelt altijd anders dan de stad waar je bent geboren. De stad waar je werkt, maar niet woont voelt nog anders. De eerste categorie  voelt aan als jouw stad. Met jouw routes, met jouw café’s, met jouw supermarkten, musea, coffeeshops, winkelstraten. Jij hebt die stad verkend, besloten dat je je er thuisvoelt. Trots neem je je familie mee op tochten door jouw stad, je laat zien dat je er veilig bent.

De stad waarin je bent geboren, is met jou mee opgegroeid. De hele plattegrond maakt deel uit van je intuïtie. Je hebt er favoriete wijken met prachtige herinneringen. Wijken waaraan je liever niet herinnerd wordt. De wijk van je Eerste Liefde. Van je eerste keer spijbelen. Van je eerste joint tijdens het vrije uur geschiedenis. Van het huis van je vader en dat van je moeder. Van de straat waar je eindeloos buitenspeelde. Van je beste vriend aan de andere kant van de stad. Het is de stad die altijd van jou blijft, waar je later verder ook woont. Het is de stad als collage van liefde, asfalt, geluk en verdriet. Want zonder die vaart geen stad wel.

De stad waarin je overdag verblijft om te werken, haalt het niet bij de eerste twee. Zelfs al zou je willen. Je kunt houden van die stad, er uitstekend de weg weten tot en met de sluiproutes. Je kunt er de fijnste eetgelegenheden blind vinden, de raarste en de leukste kroegen. Maar je bent je er altijd van bewust dat je beperkt toegang hebt tot haar ziel. Ook al is het Amsterdam.

De stad die je omarmt
Maar stel dat bijvoorbeeld je zoon, die bijvoorbeeld David heet, besluit om te wonen waar jij bijvoorbeeld werkt – dan zal die stad  vanaf dat moment een andere relatie met je opbouwen. Dan adopteert zij jou als gebaar van goede wil. Louter en alleen omdat je kind zich heeft genesteld in haar omhelzing. Wordt gewiegd op het ritme van haar hart. Meegevoerd in het meanderen van haar bloed. En daarvan intens geniet. Bijvoorbeeld David wordt het kind van de stad. En dat voelt goed.

Je merkt je andere verhouding op verschillende manieren. Je weet je welkom, vanaf het moment dat je haar ’s ochtends betreedt tot je de stad ’s avonds verlaat. Je beseft dat dat komt doordat een paar straten verderop je kind leeft: zijn wereld vergroot, zijn grenzen verlegt, zijn veroveringen verzamelt, zijn zegeningen telt. Je hebt daardoor nooit meer een argument om de stad vijandig te vinden. Laat staan ontoegankelijk.

Jij bent nu een van de league. Dus houd je bijvoorbeeld van de sirenes in de verte, die in golven de stad inrollen, tussen de smalle straten door, over pleinen en langs lanen tot dichter en dichterbij. En vervolgens verder – het geluid als lucht persend door de straten tot verder & verder & verder weg om dan abrupt te stoppen. Je gokt wáár.
Je begrijpt nu bijvoorbeeld ook de malloten die de stad bevolken. Die schuifelend, bedelend, stoned, dronken, scheldend, tastend hun onnavolgbare weg gaan. Je herkent ze en geeft ze een plek op de plattegrond van de stad die zich intussen liefdevol etst in je hart.

Zo ontdek je bijvoorbeeld ook het spel van zonlicht in de vroege ochtend en de late avond wanneer de stad haar silhouetten opricht als wachters voor de nacht. De eerste clubs openen hun deuren al, de dynamiek van de nacht komt geruisloos op gang en ook al maak je daar waarschijnlijk nooit deel van uit, je zou het zomaar kunnen. Zonder schaamte of angst.

Davids dood
Dan gebeurt waarop je nooit had gerekend. Wat nooit had gemogen, altijd onmogelijk had geleken, onlogisch – en al helemaal niet met jouw kind.
David heeft de vrijdagavond en -nacht nog gevierd zoals zo vaak. Met vrienden, bierdrinkend, sms’end met vriendinnen, regelmatig zijn bloedsuiker controlerend in verband met zijn ziekte. Zo gaat het meestal door tot zes uur ’s ochtends. ‘Waar slaap jij? Kom bij mij. Ik wil kroelen,’ verleidt zijn laatste sms een vriendin. Daarna lange tijd niks tot een andere vriendin rond half tien ongerust aan hem smst: ‘David!!!!!!’ Hij is dan al drie uur dood. Niemand die het weet. Niemand weet het tot zes uur ’s avonds. Maar dan verandert er radikaal veel in de stad.

Vrijwel direct werpt Davids dood zijn schaduw over de stad, over de telefoons en harten van tallozen. Dan blijkt hoe geliefd hij is en hoe enorm de schokgolf is als zo’n jong karakter het leven en zijn vrienden achter zich laat. De stad verduisterd in hoog tempo voor vrienden, vriendinnen, dispuutgenoten, collega’s en veel meer anderen die hem nauwelijks kennen: voor de meesten is dit de eerste echte confrontatie met de dood.

De stad herkent zichzelf niet meer en toont aan jou tegelijk haar meest meedogenloze kant: je bent weer zo alleen zoals voor jouw kind hier kwam wonen. De stad laat direct los en toont zich in alles teveel, te groot, te hard, te massaal, te luid. De sirenes hebben niets betoverends meer, het licht in de straten betovert niet meer, de zwervers spugen hun verachting voor je voeten, je struikelt over losse stenen maar vooral over jezelf.

Vaders & zonen
Na bijna vier weken afwezigheid word je verwacht in de stad. De laatste dingen moeten ter plekke worden geregeld. Vanaf het station dein je mee als drijfhout met de lome selfiënde toeristenstroom de stad in. Dan spoel je aan op de Dam. En staat oog in oog met een levend standbeeld dat in rafelige pij ongeconcentreerd de Zwarte Dood uitbeeldt. Zeis. Puntkap. Belachelijk schedelmasker.
Het kost je moeite om door te lopen. Hoewel je het liefst hard weg wilt rennen of nee, je wilt vooral die kap van zijn kop rukken, de zeis uit zijn handen trekken, hem ermee bewerken en op hoge toon eisen dat David terug moet: “Hoor je me, lul? David moet terug. Wat sta je daar? Doe wat! Drie weken zonder kind is wel mooi. Leuke grap, maar nu weer normaal graag. Breng ‘m terug, klootzak!”
Tegen beter weten in.
Er is een opvatting dat de ziel na het overlijden nog 40 dagen tussen de mensen blijft om te wennen aan zijn nieuwe status. Daarna gaat hij over naar een volgend stadium. Als we het uitrekenen, blijkt dat Davids ziel exact op Hemelvaart zal vertrekken. Het kon slechter. Intussen sta je vertwijfeld bij de groezelige ‘grim reaper’. Je doet niets. Je vindt het een armzalige vertoning. Tot je eigen verbazing loop je tamelijk rustig verder.

Maar dan zie je ze.
Je oog valt er onwillekeurig op: de vader en onmiskenbaar zijn zoon in onmiskenbaar Davids leeftijd. Ze lopen je tegemoet. Praten vrolijk, vertrouwd; de vader met een trotse glimlach, de zoon met de zelfverzekerde tred die hoort bij degenen die door de stad zijn opgenomen en bij de jeugd die niet anders weet dan dat ze het eeuwige leven heeft.

Dat doet zoveel pijn. Het is te confronterend. De boodschap te bitter. Tranen branden achter je ogen. Maar nauwelijks vijf minuten later gebeurt het opnieuw. Andere vader en zoon. Zelfde glimlach. Zelfde vanzelsprekendheid. Dit is niet eerlijk. Het mag gewoon niet. Er is geen pijn, het is erger dan dat.

Vlak voor je bij je afspraak bent, maak je het nog een keer mee. Vader met zoon. Godverdegodver. De zon zet de stad in vals licht dat de stad lijkt leeg te zuigen. David missen is het ervaren van een enorme leegte. Met je hele lijf. Het voelt niet geamputeerd of wat dan ook. Er is leegte – waar je ook tast. En als je over de rand kijkt, word je zo duizelig dat je je moet vastgrijpen aan iets of iemand. Volgens het boeddhisme is die duizeligheid de angst voor de val, die je noodzakelijk moet maken om tot inzicht te komen. Dit vraag je je vertwijfeld af: ‘Welk inzicht, dat zoveel tegenwicht biedt aan het leven zelf, wil je kind je geven?’
Dit gaat voorbij denken. Dit gaat voorbij taal. Voorbij weten.

David, de stad
David, de stad toont zich vandaag van haar kilste kant. Ze sart, ze sist, ze straft, ze wil geen rekening met mij houden. Ik ben teruggezet.
David, de stad ontkent mij vandaag. Nu jij je niet langer laaft aan haar omhelzing en zij zonder jouw energie verder moet – verklaart zij mij tot vreemdeling en zal ik hard moeten werken om mij hier ooit weer thuis te voelen. Als ik dat al wil.
David, de stad heeft jou met tegenzin laten gaan. Ze zag je als de high potential die haar zou verrijken. Ze had je leven al in blauwdruk klaarliggen. Nu kan ze niet anders dan teleurgesteld mij laten zien dat je echt niet de enige was dus brengt ze vaders & zonen op mijn pad.

David, de stad mist jou net zo hard als ik jou. De slechte imitatie van de dood daar op de Dam laat haar machteloosheid zien. Machteloos – we zijn het allemaal in de schaduw van jouw vertrek.

SONY DSC

Zoals Rothko zijn doek – David vertrekt (2)


Van 20 september tot 1 maart 2015 was in het Haagse Gemeentemuseum de tentoonstelling ‘Mark Rothko’ te zien. Een ‘must see’ evenement. Door laag op laag op laag (en meer) te schilderen, zo transparant mogelijk, liet Rothko enorme kleurvlakken ontstaan die de kijker de sensatie geven dat hij het doek wordt ingetrokken. Volgens sommigen een bijna-religieuze ervaring.

Rothko kwam tot deze unieke manier van schilderen nadat hij kennis had genomen van de verschrikkingen van de Holocaust. ‘Het past niet om na deze gruweldaad nog langer figuratief te werken in een wereld die zijn menselijke gezicht heeft verloren’ schijnt hij te hebben gezegd in vergelijkbare woorden. Zo zijn zijn werken een diepdoorvoelde aanklacht tegen de Holocaust en tegen elke vorm van levensvernietiging.

Het mooiste moment van de expositie was voor mij niet de ontmoeting met (een van) de schitterende schilderijen, maar met een foto. Een simpele foto, beetje achteraf tentoongesteld opzij van de expositie:

Zoals een schilder

Zoals een schilder

Het is een foto die ik het liefst op ware grootte zou willen zien. Rothko, gezeten in een spartaanse leunstoel, evalueert een van zijn doeken. Hij neemt afstand en rust zoals iemand dat kan doen, ‘na gedane arbeid’. Benen over elkaar geslagen. Pakje sigaretten binnen handbereik. Brandende sigaret in de rechterhand. Hoofd ’n tikje scheef, als van een kritische toeschouwer. Of luisteraar – je weet het maar nooit in deze magie.
Er lijkt meer licht te vallen op de vloer en op Rothko’s hoofd dan op het schilderij waarnaar hij kijkt. Dat is niet zo raar: Rothko’s schilderijen absorberen licht. Kijk hem daar zitten. Als schepper op de zevende dag beoordeelt hij het resultaat van zijn werk. Hoe zou hij kijken naar dat doek? Zou hij het wordingsproces nalopen of zich concentreren op het resultaat? Of zou hij het voor de zoveelste keer helemaal niks vinden (Rothko was zwaar depressief), een zoveelste mislukte poging opweg naar de gedroomde perfectie waar hij al behoorlijk dicht tegenaan zat?

De foto heeft op mij dezelfde meditatieve werking als zijn doeken. Misschien wel meer. Er gaat zoveel rust vanuit, er ligt zoveel vredigheid in dat beeld van die man in die simpele houten stoel in dat haast onnatuurlijk opgeruimde atelier voor dat ene doek. Dat met de man in de stoel een gevecht om aandacht lijkt aan te gaan. De man in de stoel wint. Maar tegelijk is hij deel van het mysterie dat begint in het schilderij. Er ontstaat een raadsel dat onoplosbaar lijkt, een vraag die wordt gesteld waarop het antwoord niet gegeven kan en hoeft te worden. Zoals in het meditatieve gedicht ‘Melopee’ van Paul van Ostaijen: “Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee”
Er zijn vragen die zichzelf ontstijgen.

Ik zie mezelf graag op de plaats van Rothko. In net zo’n spartaanse houten stoel, brandende sigaret in mijn linkerhand, pakje sjek op de leuning, benen losjes over elkaar geslagen, hoofd licht schuin alsof ik luister, alsof ik denk, alsof ik kijk naar wat ik nooit meer levend voor me zal zien: recht in de ziel van David, 23 jaar. Het minst tastbare het meest aanwezig.

23 jaar voor altijd – eeuwig jong. Ik staar, ik loer, ik luister, ik concentreer, ik beoordeel, ik ben schepper-af. Waar zijn leven stopt en het licht absorbeert, lijkt het mijne ook pas op de plaats te maken. Dit is de tussentijd. Er is een tijd voor dit moment en een tijd erna. Tussen die twee ligt de onoverbrugbare leegte waarnaar ik nu kijk. Die mij naar binnen zuigt – ik laat het graag gebeuren. Ik zit en staar machteloos naar wat is geweest, naar wat werd, naar wat nooit méér worden zal; laag over laag over laag, transparant over transparant. Het werk dat zichzelf onverklaarbaar áf verklaarde.
Zou dat met Rothko net zo gegaan zijn? Nam hijzelf de beslissing dat een doek af was of was het ’t doek dat aangaf  klaar te zijn. Is dat staren van Rothko vergelijkbaar met mijn machteloosheid? Weer zo’n vraag die geen antwoord verlangt. De vraag is de meditatie van het moment.
Het stelt me niet gerust. Ik hang teveel aan het ‘werk’ dat David heet om te accepteren dat het af zou zijn. Het was toch net bezig te ontstaan? Tegelijk weet ik dat ik hier helemaal niets heb in te brengen. David was klaar, om de een of andere reden. Ik kan alleen maar machteloos zitten, spartaans zitten staren en in mijn herinnering al zijn lagen langslopen, al zijn dagen, al zijn jaren die als de ringen van een boom zijn geschiedenis vertellen. Vanuit deze stoel heeft de wereld zijn menselijke gezicht verloren – ondanks alle zorg en aandacht waarmee we worden omringd. Davids ziel zweeft in de tussentijd. Er is een tijd voor en er is een tijd na zijn leven. In de tussentijd echoot een liedje van lang geleden naar boven, iets jonger was ik dan David nu:

To everything, turn, turn, turn.
There is a season, turn, turn, turn.
And a time to every purpose under heaven.
A time to build up, a time to break down.
A time to dance, a time to mourn.
A time to cast away stones.
A time to gather stones together.

Wat hoorde Rothko daar in die stoel? Hoe vredig is die foto eigenlijk?