Kunstpraat 3 augustus 2013: Botero’s ongelooflijke lichtheid


Beeldhouwkunst is vaak een gevecht met de zwaartekracht. Talloos zijn de objecten die met relatief beperkte materie op hun sokkel balanceren:  een voet, een knie, een bil, een teen, een hand. Zoiets. Het lijkt voor veel beeldhouwers de ultieme uitdaging – en ik denk dat ik dat wel begrijp. Beelhouwen lijkt daarmee op schrijven en dichten. Eindeloos hakken, zagen, beitelen, fijnslijpen, pielen tot er een tekst ligt die balanceert in zijn eigen lichtheid. Natuurlijk, het geldt niet voor elke tekst en het geldt ook niet voor elk object.

Van alledaagse lichtheid kun je Fernando Botero niet betichten. Sterker nog, het lijkt wel of zijn stijl is ontleend aan het gewicht van de o-klanken in zijn naam. Plomp. Groot – niet grof. FernAndO BOterO. Onvoorstelbaar eigenlijk als je bedenkt dat hij ooit zijn opleiding kreeg van de Jezuïten en vervolgens besloot stierenvechter te worden, waarvoor hij ook een opleiding volgde maar vervolgens ontdekte dat hij er toch minder geschikt voor was. Iemand die gewend is elegante passen te maken tegenover een aanstormende zwaargewicht…

Misschien moet ik zijn kunstenaarschap ook wel zo zien en is die opleiding tot stierenvechter juist belangrijk voor zijn kunstenaarschap. Ik kan me goed voorstellen hoe tOrerO BOterO de materie te lijf gaat – doek of klei of steen. De materie moet getemd worden met even elegante als dodelijke bewegingen. Niet uit minachting maar uit diepe bewondering voor de materie. En zo kan het dat de merkwaardige (want dat is het uiteraard ook) danseres of wellicht majorette of anders de museumzaal in paradeert, balancerend op haar standbeen is ze een en al beweging, vrolijkheid, uitdagendheid.

slide_221217_881207_huge

Ik kan het niet laten. Wil vergelijken – wat natuurlijk nooit kan en dus  altijd interessant is. Ik heb tijdens dit schrijven voortdurend Degas aan de horizon. Edgar Degas – proef die naam. De impressionist die geen impressionist wilde zijn maar liever ‘realist’. Ook goed. We hebben de werken nog. Het balletmeisje staat zo’n beetje in ons collectieve geheugen gegrift. We vinden haar elegant, en precies een echte ballerina. Maar Degas wilde natuurlijk ook ontkomen aan de zwaartekracht en balletdansers willen niet anders (letterlijk en figuurlijk) dus viel het te verwachten dat Degas ook een danseres in actie zou maken. Deze:

danseres1

En ja, ontegenzeggelijk een realistische weergave. Knap gemaakt, anatomisch helemaal goed en ik weet niet hoevaak geïmiteerd. Hoewel ik ook moet denken aan een kogelstootster in de laatste fase van de worp. What you see is what you get!
Maar hoe elegant-ofzo ook, eigenlijk beweegt er helemaal niks in of aan dit popje van Degas. Zou dat de bedoeling zijn? Wat wilde Degas vangen: de houding, het verstilde evenwicht, de gymnastische lijn? Technisch gesproken klopt het allemaal maar hoe knap en gekund ook, geef mij maar de troela van Botero. Die is op haar manier eleganter dan haar Degas-nichtje en levert een spectaculairder gevecht met de zwaartekracht dan het uitgekiende evenwicht dat Degas neerzet.

Geinig hoe licht een zwaargewicht kan zijn.

Kunstpraat 23.5.2013: figuratief impressionisme – bestaat dat?


Jan De Vliegher, 1964 Brugge, wordt een ‘vitalistisch schilder’ genoemd. Hij exposeert deze weken in Brussel. Zijn tentoonstelling bestaat uit vier reeksen van samen 44 recente olieverfdoeken. De Vliegher genoot zijn opleiding aan het Hoger Instituut voor Beeldende Kunsten Sint-Lucas in Gent en stelde reeds tentoon in verschillende grote Europese steden en in New York, waar later dit jaar een nieuwe expositie volgt.

Ik kende hem niet. Nou zegt dat weinig, dat weet ik ook wel, maar het geeft me de vrijheid om me grondig te laten verrassen. Denk ik. De Vliegher – die nog altijd in Brugge woont en werkt – heeft een voorliefde voor klassieke interieurs zoals je die in Versailles vindt.

0167577vliegher_j

Zijn manier van schilderen verschilt hemelsbreed met de aanpak die ik gisteren besprak, het werk van Wiel Wiersma. Die enkele maanden in een kasteel logeerde en er verliefd werd op het licht op de eeuwenlang geboende vloeren. Waar Wiel het licht vangt in prachtige gedragen zwarten, grijzen en witten en werkt met subtiele suggestie, pakt Jan het veel ruiger, barokker, impressionistischer aan. Het lijkt wel of hij zijn stijl ontleent aan het onderwerp dat hij schildert. Tegelijk voegt hij er een soort nieuwe frivoliteit aan toe. Wellicht heeft dat te maken met zijn manier van schilderen: uit de schouder en niet uit de pols.

Eigenlijk wil ik helemaal niet vergelijken. Wiel is Wiel en Jan is Jan. Maar het gebeurt toch. Of in elk geval, terwijl ik over Jan schrijf, moet ik aan het werk van Wiel denken. Aan hoe Wiel het interieur min of meer links laat liggen en het als het ware misbruikt voor een hoger doel: het weergeven, of beter nog: het vangen van het licht. En dat op een wat mij betreft magische wijze. In het werk van Jan speelt het licht ook een grote rol. Het zet zich vast op de vergulde randen van schilderijen, kasten, deuren. Het licht dat Jan schildert dient ter ondersteuning van het pracht & praalinterieur. Het is geen thema op zich, zoals dat het wel is in het werk van Wiel. Toch kan Jan ook niet zonder dat licht. Heel simpel: hij krijgt het bijna gratis bij het interieur (type Versailles) dat hij zo graag schildert. Dit is geen waardeoordeel over Jan en zijn werk, overigens.

Het knappe aan het werk van Jan is zijn eh… figuratief impressionistische manier van schilderen. Vitalistisch, zo je wilt. Het is die aanpak, die ‘touch’, die de schilderijen zo speciaal maakt. Nee, die de interieurs zo speciaal maakt. Er zit ongelooflijk veel vaart in zijn manier van schilderen. Daardoor trekt hij het interieur uit zijn oubollige winterslaap, geeft het een nieuw soort dynamiek, maakt het eigentijds. En dat is bijzonder. Dat was ook voor mij reden om erover te schrijven. Die combinatie van licht en dynamiek in een verder nogal belegen omgeving. Dat is knap hoor.

Alleen al daarom is het eigenlijk onmogelijk om het werk van Jan te vergelijken met dat van Wiel. Figuratief impressionisme – waarom niet?